Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge
vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!
Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die „zachtzinnige
krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens,
op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose
strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel
dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge
fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden,
een dwaas, groot kind.
En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder
de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te
doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar
vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me
plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en
laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar
in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd
zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan,
zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de
muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo
niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan
één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten
cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets
dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten,
zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die
lucht in zeeë-horizon vergaan, door koelen winde-adem gedreven!
Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines
warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm
en benauwd.
„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar
versche lucht.”
En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar
broer.
Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door
der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.
„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.
Maar nu den weg te vinden in het donker!
Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers
van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn
de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in
donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet
struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit,
en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo
groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn
de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.
Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier
en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr,
daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig lichtje. Zacht
metaal-gezang van wind in duistere dennen....
Een krekel neuriet wat....
En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den
nacht....
We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen
zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste
einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en
trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne
in den nacht....
We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm,
het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de
bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo
immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een
zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die
perkenvormen en dien tuinmans-smaak.
„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die
perken zoo genoemd.”
Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!
Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze
hoofden....
Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht
druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.
„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb je ’t niet koud? Wil je
niet een stukje van mijn shawl hebben?”
En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt,
bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar.
Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.
Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast
mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó,
steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door
hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen
meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht
mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het
diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat
het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je
zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat
allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard,
en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?
O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons
moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je
geven mag in kuischheid!
Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik
streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk
ziet zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven.
Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik
zal sterk blijven, en een reine ridder zijn....
De droom, de droom is òver ons gekomen....
Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo
héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve
lichtjes branden, en de duistere menschen zijn....
Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij
en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar
genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan
gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.
„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén
geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag
wel van je houën, zeg?”
Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen
mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen
van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien
getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.
En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd
naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in
teederen, kuischen kus.
Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid ontstegen, en
voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar
éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde
leven....
Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.... het leven mág geen
zoete wonne zijn van liefde.... het Leven is lijden, lijden, lijden, en
eenzaam weenen....
Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik
haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik
fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:
„Ik hoû van je, ik hoû van je”....
Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van
avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar
beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:
Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het
weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een
wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren,
tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van
het wegje.
Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras,
heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t
grazen, scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan
daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel
gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die
langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter,
grazend....
Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede,
zacht intiem gepraat..
De man staat stil, roept weêr de koeien....
De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in
de lucht.... De andere komt langzaam, zoo langzaam.... De man roept
niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet,
vergeet.... Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens
héél hoog in de lucht, van vreugde.... De koe met opgeheven kop, staart
droomerig.... De ander komt zoo langzaam.... De heel stille man....
Alles zoo stil, zoo stil.... Ruischt zoo rustig het water.... Zachtjes,
zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge....
Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo
lang hebt gezocht....
Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met
Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief
wezentje vond.
„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet
wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of
niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”
„Hoe bedoel je dat: zwak?”
„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel
gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze
heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den
invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”
„Ik begrijp je nog niet goed.”
„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo
weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld
vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om
gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te
vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar
kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen
indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is.
Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van
haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag
niet boos worden?”
„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”
„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie
geweest bent op het terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik
niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk
van haar.”
Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:
„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was
alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat
lieve, teêre wezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”
„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je
nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster
voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit
je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat
ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát
heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten
loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je
doen voelen, dat ze het prettig vond.”
„Maar waaròm dan toch, zusje?”
„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze
je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal
doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg
te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich
laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je laten
zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je
vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten
en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of
flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan
honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen
haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”
O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!
En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:
„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan
niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker
dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél
ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”
Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie
weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt
nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”
„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat
ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van
Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak
van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn,
als een mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw
invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder
den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een
kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het
alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die
ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten,
ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet
dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik
ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze
zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan
misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog
véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen
oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft,
maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is
wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit
beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar
ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen....”
Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.
Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord
heel gelaten:
„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me
zoo eenzaam gevoeld, dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje
geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar
éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg
voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar
tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze
mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige,
dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”
Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je
zult je zelf altijd ongelukkig maken.”
En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan
zeggen:
„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik
het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n
zachte, teêre ziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en
nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar
het allermooiste van haar heb ik toch gehad. Ik heb haar lieve ziel
gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien
niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar
voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind.
Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger
geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk
véél te lief en te broos voor iets anders. Noem ’t maar een beetje
ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen.
Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden
heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat
een ander krijgen.”
Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets
gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het
allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld
vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets
kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze
eens bij mij was.
En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid
is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel
zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine
rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat,
stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals
een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó
lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s
avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de
vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte,
zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi het wel is. Ze zit
maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet,
zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel
gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare
lieve ziel en zachte gratie....
Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets
bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief
tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat
haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de
regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de
vriendelijkheid, waarmeê ze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en
hoe ze dan melodieus „Dág!.... Dág!....” kan roepen, lang uitgehaald,
en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de
oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan
voorzichtig in haar ceinture steekt!
In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht
de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw
woont onbewust de ziele van een serafijn.
Ze weet het niet, ze weet het niet.... En dit is wel juist het
mooiste.... Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die
door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb
vermoed....
Door ’t leven hier en dáár gedreven, door hartstocht heen en
barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en
doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn....
Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet
gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer....
Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij,
en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te
zijn....
Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine
vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in
’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien
van uw zacht hoofd aan mijnen schouder....
En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan
waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.
Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat
maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om
éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten
staat....
Van de hôtel-gasten wil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn
dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor
zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De
heerlijke berglucht waait hier al het ridicule poeha en de larie weg,
en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige
grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie
kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij
van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?
Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden
naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens
over.... in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men
behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.
Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier
slenteren er een paar van rond.
En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in
de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten
vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij
wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat
zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal
bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van
levenslustig, gezond vrouwtje!
Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over
álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.
En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo
heelemaal nog als een kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan
wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid
geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen
blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat....
Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de
mooiste wandelingen, die hier zijn.
Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s
ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van het Hôtel, den weg naar
Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die
mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad
voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld
aan den voet, waar koeien grazen.
Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om
’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap
houdt.
Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs
zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit,
onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr
en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een
allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht, lucht
zwevende in het April-blauw van de hemelen....
Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele,
lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar
beneden, in eene diepe ravijnkloof.
Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo
glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij
zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en
ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de
wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte
kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele
schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een
groote, rose kapel.... Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite.
Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij
om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat
doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél,
héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer
wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte,
warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke
bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.
Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in
een diepe valeikloof. De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven.
We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.
Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst
groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de
hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en
buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder,
dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse
loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op
winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!
En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de
zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus....
Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er
overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als
een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende
vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere
helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht
wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en
wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk
reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige,
prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed
vol plooien en deuken! Wat licht en glanzend blij, zoo’n stralend jong
vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!
Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht
beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht
rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een
open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke,
zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote
steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.
Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een
jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met
de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.
Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel,
klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen
daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.
En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet
te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur,
en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen
der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en
vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in
zaligheid tegen elkaar bevende harten.... O! een groot, groot verlangen
om al het verleden en het leed met één forschen zwaai van me àf te
schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het
van jonge liefde hamerend hart te prangen....
Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen.
Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een
zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog....
En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik
weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.... Mijn zachte,
lichte lieveling.... Mijn blijde, blozende bloem..
Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij
zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig,
zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de
droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning
breekt.... Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel,
ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien,
waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die
kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan
vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem,
rustig-rijzende naar ’t licht....
Dat was mooi van avond!
Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten
zonsondergang.
In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen,
fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware,
witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg
intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t
rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is
rood-donkere sombernis daar vóór mij....
Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles
lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen
zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.
Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt
de vage vlakte.
Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven,
één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde
zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer....
Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine
wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde
licht vèr en vèr door de lucht....
Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle,
blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik
over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.
En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen
schitterlicht, wuivend vèr door de hemelen, als gewaden van droomende
engelen.
De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in
zilveren schijn.
En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende
mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als
toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een
vèr visioen.... Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en
klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf,
maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht
glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik....
Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot
vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal
kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil....
Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich
niet wel en kon niet meê.
Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is
maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is
daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend
van kool-velden, met hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu
ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!
Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op
naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie
je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå
donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een
keizerlijk heerscher van de wereld rondom.
Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en
kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door,
tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens,
in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht
grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.
Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er
komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler
wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een
steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas,
naar Nongko Djadjar.
Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten
hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend
groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste
toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan
weerszijden te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als
palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden
woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links
langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren
verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het
oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn
hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een
triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en
hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien
storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer
het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend
orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is
òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár,
maar het loeit en brult en klatert langs je heen.
De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas,
waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer
nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende
bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg,
zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen
vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche,
zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en
je bent blij, te ademen in dit reine schoon.
Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend
paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na
een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudige
hôtel van Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk
is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare,
koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en
de droevige gedachten?.... Leven, leven, en de lucht te drinken in de
bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere
licht glanst over de vòl-schoone wereld!
Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij
hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn
toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel
hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in
gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe
huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.
O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze
natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de
wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet
indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr
terug.
Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland! In de plechtige
vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een
specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek
geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog
stiller—roept de koekkoek.
Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk,
daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak.
Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van
den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met
dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn
lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem
toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich
loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t
ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de
verte, en de specht de stammen tikt.
Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden
in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was
niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een
oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en
zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks
bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm
geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar
huis te gaan,—wijl de avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille
boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen....
Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige
van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling
in Nongko Djadjar.
O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een
kind geworden?
Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange
studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En
al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde,
veilig leven in de kalme contemplatie!
Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar
bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al
weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe.
Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n
teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus
het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.
’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een
groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer
afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt
toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn roos vaststeken tusschen haar
ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms
kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.
Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar
bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t
achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary,
Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel,
dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar
warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude
lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar
aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel,
het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij
een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even
omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik
duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.... ik wéét,
dat is het verlangen.... O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is
en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte,
donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren!
Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve
leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in
zalig zwijmelen snikkend te vergaan!
Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine
ridder zijn.... het mag niet breken.... zij hoort een ander toe....
alleen haar ziel is je van God gegeven.... bedenk dat wèl.”
Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch.
Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens
stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich
dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens
geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet
vleien om bescherming.
Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t
altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t
bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof,
als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan
zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles
goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.
Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in
lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen,
en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een
wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar
voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme
punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten
dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn
zachte kind was, dat ik beschutten moest tegen koû. Zoo is ze heel stil
blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid
maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder
koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.
Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten,
zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag
in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.
Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag
toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte
wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.
En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het
zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het
groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder
eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het
op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten
met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het
moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen
langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf
mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van
haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!
Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft nog even lief goênacht
gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van
hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht....
Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker
was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo
droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij
toegedekt, en tegen koû beschut.
Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een
vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in
zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet
meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen,
en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en
al het lieve, teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal
vergeten zijn....
Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar
zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht
van hare lieve voeten....
En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.... een wijze, ál-gerechte God,
die enkel ’t goede wil....
Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en
vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust
maakte. Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen
gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen
is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den
Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan
den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende,
door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en
vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren.
Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels,
wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen,
kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan
weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet
vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.
Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de
Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr,
den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher
van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat
om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den
krater-muur.
Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan
den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe
Zandzee....
Maar het plotselinge gezicht beneden was niet zoo immens overweldigend
als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen
goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken,
en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het
stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten,
wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden
van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het
slijkgrauw van de Zandzee.
Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en
lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen,
treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der
aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend
over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.
Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds
zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok
groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt
eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn....
Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te
rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de
paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur
lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan
ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon,
maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van
boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde
ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door
de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara.
De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.
Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend
gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen,
ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den
Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen
verspreid.
Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige
bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe
dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet van
broeiing....
Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten
staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot
aan den rand.
Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze
helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.... Beneden, diep,
diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van
zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken
solfataren, en een dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden,
eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een
zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid
des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als
van woedende machines onder te zwaren druk....
Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden
krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van
zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en
het valsch geglim van gele zwavel.... Het beklemde mij met een angst
alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing,
als van zonde, en nacht, en negatie.... hoe haat ik hem!....
Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden
galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen
gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind
snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid;
hier is woestenij, en droefenis, en dood....
Toen...., nooit, nooit zal ik het vergeten,.... midden in de grauwe
woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en
reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens
voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje
vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden
in doodsche sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál
droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond,
een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom.
Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland,
vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en
gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille
verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die
bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in
mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke
vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar
tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid....
En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat
van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende
rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de
wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen,
zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend,
ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen
haat rondòm....
Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op
de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed.
Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog
nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand.
„Een telegram.... van mijn man....,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk
dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang....
hij vraagt of ik bij hem kom.... den 12den gaat er een boot van
Soerabaia.... en over vier dagen ga ik weg....”
Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.
„Ga je wèg.... ga je wèg....?” zeg ik.... „zal ik dan nooit meer met je
wandelen?.... en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand
houden, en nooit meer gelukkig zijn?.... en ik hoû zoo van je,
Annie....”
Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat
ineens.
„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.... weet je dat dan niet....? dat hadt
je nooit mogen zeggen.... hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.... ik ben
getrouwd, Rudolf.... alleen mijn man mag dat zeggen.... en het spijt me
zoo dat je zoo lief tegen me bent.... en ik ben zelf óók zoo zwak
geweest.... Ik ben nog zoo’n kind soms.... En nu ineens dat telegram
van mijn man....”
Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.... En ik zeg met tranen in
mijn oogen:
„Ik zal het niet meer zeggen.... je hebt gelijk Annie.... wees niet
boos.... ik zal je óók niet meer vragen om nog meê te gaan.... ik zal
je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen
samen....? Maar doe mij dan ook één pleizier.... Zeg dat nooit meer
waar ik bij ben: „mijn man,” ik kán het niet hooren, ik kán het niet.
Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar
het is verschrikkelijk....”
En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.
Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer
heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn.
Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle
spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er
wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen
haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand
moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van
pleizier.
En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange
droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets
verloren....
Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono
gegaan. Annie had beloofd, óók klaar te staan om zes uur, en haar
mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de
andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat
een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts
gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag
van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met
het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå
gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.
Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in
mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar
vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu
maar weer het Leverlaantje ingereden.
En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood
vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een
struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor
mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het
zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch
blij en vol hoop.
Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den
tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek
het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw
was ik in Wonokitri. Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten
den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door
allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat
een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en
daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den
Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het
lang te genieten.
En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging
zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo
teeder wiegend als een wiegelende bloem!”
Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!
Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot
kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden,
en het ravijn in.
En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het
was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van
boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede
neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van
schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel
vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en
over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en
hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht te drinken,
die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door
je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet
meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u
voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en
gelukkig zijn!
Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot
onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand
loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water,
die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt
die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt
hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn
klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte
reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid
neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat
daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende,
tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de
stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel,
hun pluimen toppen óp naar ’t licht!
Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend
neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het
water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val,
staan, eenzaam en bizonder, wat wilde azalea’s, van een ernstig
donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig
peinzend aan.
Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden,
en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild
dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt.
Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als
vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige
pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch
staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker
priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn,
daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw,
het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was
je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn
hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je
rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke
oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien
héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet
zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en
dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk
oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo
heel, heel tevreden zijn!
Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai!
één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is
voorbij!....
Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú
stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste
dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik
stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart.
En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde,
wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de
luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met
zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als
een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en
vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo
onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en
helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe
Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene
en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de
Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als
een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.
Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge
licht. Eenzaam zag ik het van boven aan en liet het zalig onder mij
gebeuren....
Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte,
schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort
naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de
eindeloosheid....
Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in
zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd
uitgespreid, in glanzende genade.
En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in
groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon....”
Lang, lang heb ik het aangezien....
Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord;
zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een
koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden.
Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld,
liefelijk en harmonieus....
Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden,
vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en
glanst aan mijne voeten....
O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er
mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare
couleur?....
Het is de láátste dag.
Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De
lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn
chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde
wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde.
Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?
Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van
ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde,
donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den
morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.
Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu
zelf maar vragen.
En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den
laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de
drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga.
Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”
Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat
indische kers, om zich een beweging te geven.
Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt.
Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven
van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél
pijnlijker zal maken.
„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te
doen.”
En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.
Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een
meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes
over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat,
zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van
geluk onder den blauwen hemel!
„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog
meer mee?”
—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”
Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit
galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan
het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen
ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie
ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval,
en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.
Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de
trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn.
Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort,
fijn, gracieus beestje als het is.
En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen,
drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik
weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden,
waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt,
op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen
weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn
ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.
„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?”
vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond.
„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik,
„Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind
vooruit komen, hoor!”
Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats,
dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna.
En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren
zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een
sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en
we gaan stapvoets naast elkaar.
Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar
rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan
haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een
bloem, zacht in den wind.
„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed
is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je
hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.”
Zij kijkt een beetje strak.
„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.
Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag
haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag
nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen
behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan.
Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt
zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we
zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar
te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den
grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen
maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht
aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn....
Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile
rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de
anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol
van geluk is, dat wij er achterlieten.
Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van
gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor mij
uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen,
onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht,
lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een
paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd
heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht,
en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar
alles blijheid is en liefde.
Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg
af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt
het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen,
als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.
Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen
opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in
het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze
hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch.
Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te
rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een
hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze
plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net
één plaatsje over!”
En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik
kan alleen mijn evenwicht houden als ik mijn arm om haar heen sla. En
zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu.
Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen
niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht
ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals.
Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij,
mij altijd te behooren....
Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag,
en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond.
„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een
heerlijk plekje zijn.”
Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar
kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En
toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder
dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen.
Nu komt een „spada” van het Hôtel met ajer blanda, en wij drinken, vlak
naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met
je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom,
en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als
een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid,
en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene
blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt zoo
gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die
welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof
ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en
droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één
zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen,
met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te
volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet
willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee
zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend
omhoog.”
En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart
kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde
vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme
geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt,
als Liefde’s Licht maar schijnt....
Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier
één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn....
Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met
hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt
naar het „Karrenplateau.”
En het is weêr een zelfde apothéose als gisteren. Van het hooge, kleine
plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder ons.
Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en
smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis
van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid
kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke,
lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens
voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder
ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en
beweeg....
Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met
haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar
hand in de mijne.
„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke
wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo
heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!”
„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar
de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in
sneeuwen reinheid.
„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende.
„En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend
naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder
glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die
vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden. The Blessed
Damozel....”
Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat
liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de
bladen van een bloem.
„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”
„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over
praten.”
Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze
van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen
rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij
houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar
lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze
het me dat ze heusch wel van me houdt, al mag ze het niet uitspreken in
woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het
bij haar!
Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij
ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan
in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht....
„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd
blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en
dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan
weer droomen van dien kus....”
Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en
zóó heel stil moet blijven.
Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende,
groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk
over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in
groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld,
en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu
het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde
ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn
lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen
schoot....
Alle gasten in ’t hôtel hebben een feestje bereid den avond vóór
Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne
geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.
Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon
is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.
En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”
Ik ril en huiver.
Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk
schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede.
Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de
viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen
de goede bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de
stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte
kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom...
En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en
licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig,
nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.... De
allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal
geven....
Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar
staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in
den morgen, haar kindje naast haar.... Een zachte wijding is om haar
heen.... Liefelijk lichten daarin haar oogen....
„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar
tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en
héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen....”
Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.... O! het gebaar,
waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.... Wie heeft gelegd de vrome
gratie in die teêre leden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als
gebed?.... En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:
„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed
bewaren....”
Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:
„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en
al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél
gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”
Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze
is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar
blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die
zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande
boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit
zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en
blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog
vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een
teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen
bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even
maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél
het leven, en nooit weêr af te staan!
En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.... Dra is de lieve droom
voorbij....
Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige,
blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is,
weer terug naar de stad te gaan.
„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.
Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds.
Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van
Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.
En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos
onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf
gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!
Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het
hebben gelezen, mijn lief geheim?
Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning,
die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie
weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar
eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte
zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren
gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’t hôtel gaan, en groeten,
en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die
beneden staan.
Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.
Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen!
Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen
morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde
waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie....
Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als
een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar
kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is
zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe
is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.... Maar neen, het
leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die
blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.... Het leven
is licht, en vreugde, en geluk....
Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter,
Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel
gauw rijden wij alleen.
Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je,
Rudolf, wèg, wèg....”
Maar het lijkt te onbestaanbaar.... Het komt zoo héélemaal niet bij het
lichte geluk rondom.... En ik lách even om mijn eigen vrees.... Dáár is
ze immers vlák, vlàk bij mij.... Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik
haar zachten arm.... Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om
haar hoofd.... Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk
oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel....
Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het
is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met
overal in de verte bergen, en wolken, en horizonnen, en rechts de diepe
ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen.
Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en
het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief
gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze
stem!
En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen
in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde... nu komt de nacht
weer voor je, de lange, bange nacht”.... Dan rijd ik heel dicht naast
haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog
heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig
betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken....
Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast
elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè?
het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?....”
Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door
mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen....
En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi....
De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende,
ruischende groen rondom.... Alles is er nog, alles, éven mooi.... Dáár,
kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje,
haar hoed, haar ceinture.... Het is vlák naast me, als ik éven de hand
uitsteek is het mijn....
Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm....
Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit
schrijf.... En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit
dagboek.... Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet
meer.... Hoe is het ook weer gebeurd....? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn
hart klopt zoo.... O ja.... we waren, inééns, en toch moet het eerst na
anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stille Hôtel
van Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En
we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn
gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.... Toen kwam er iemand
iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.... Wat?....
ja, de trein.... in Pasoeroean....
En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin
weer te begrijpen....
Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit
een bergwand schiet....
„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.... ik vind het verschrikkelijk, zoo’n
afscheid.... het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke
Tosari.... maar ik moet weg.... ik moet naar mijn man, hoor je ’t, naar
mijn man.... dag Rudolf....”
Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar
stem.... Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.... Ik
probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.... Want,
opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het
einde van een droom.... het hel ontwaken.... het is onverbiddelijk,
genadeloos....
Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf
haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te
broos op ’t breken.... Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu
langs mijn wangen gaan....
„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat
ik nu toch weggaan!....”
Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan.
Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet
niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste
karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.... Mary kust haar, en
zij geeft Wouters en Sophie een hand.... en roept nog wat liefs....
Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit... Dáár, dáár.... wèg,
wèg.... Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje
houdt op.... „Annie! Annie!” roep ik.
Ze zit zoo héél, héél stil.... Haar donkere oogen blinken van zoo
zachten glans.... O! die zachte tranen, uit haar ziel geweld om
mij!....
„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je
me niet héélemaal vergeten?....”
„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.... Kijk, je bloemen van vanochtend, die
ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal
verlept.... maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken....
ik zal altijd aan je denken....”
Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en
zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.... Ik
hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel
zegt.... O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar
oogen....
Dan gaat het vàn mij, ver en verder....
Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.... Ze wuift en wuift nog
met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.... mijn
arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met
haar kindje tegen zich aan....
Nu is het over.... Nog èven, èven, een winding van den weg... Haar
rank, licht figuurtje... Ze wuift en wuift....
En de droom, de droom is voorbij....