Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr
over de wereld beneden mij.
Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs.
Een wijde schittering van kleuren, geel, en groen, en goud, van
dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.
Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar
ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende
prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie.
Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.
Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans
van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn
vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam,
langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr
en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de
lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen
die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en
verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar
de horizonnen van de zee.
Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het
goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van
liefde....
’s Avonds.
In de late schemering weer op het terras, en.... wonder! wonder!
Waren uchtends die witte wolken uitgevaren, in zoo kalme, blanke
pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo
blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en
weedom waart rondomme.
Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam
drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de
een op de ander, een donkere droom.
Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het
groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar
zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam,
wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche
toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een
effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen
tegen donker-leiblauwe lucht.
Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven,
verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam
langend òp tot hooge hellingen.
En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer,
de zee, in duisteren deemoed....
O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe
dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos
zacht!....
Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon
achter Westerbergen, hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk,
schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans
gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van
glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God
de Vader....
Stiller wordt het, en stiller....
Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen
lijdenswolken boven het dal.
En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met
omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met
een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos
boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen....
In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in
het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet....
Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen....
En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen
donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de
hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.
Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen
glans....
En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw,
de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende
Maagde in den nacht....
Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met
droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht....
Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere
schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart
en zwarter, en zijn glans vergaat....
Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één
stille ster, zéér rustig en sereen.... Het droeve wereld-leed is daar
gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder
van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het
duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht,
zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van
wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst
boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie....
En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid
van donker lijden, waar mijn ziel van weent.
Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten....
Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t
Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand,
ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn moet liggen, waar
de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door
menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in
Junghuhn’s werk.
De Dâsar, of Zandzee, [5] een zandvlakte van een gehééle geographische
mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest, de groote krater
van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar
nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de
Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de
laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt
dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in
eruptie.
De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den
Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de
Zandzee Dâsar.
Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten
bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.
Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn,
of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.
Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende
koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe
lucht, alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door
het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in
wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe
woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur
brullend en broeiend onder de aarde.
Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde
na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte
goede.
Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am
Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden
zeide.
En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter
die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom
met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en
vergankelijkheid, en zonde.
Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk,
zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden,
opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel
der brandende aarde......
Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na
zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang
even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van
teederheid.
Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden
staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar
vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.
De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether
over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend,
doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó
wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het
geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.
De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van
de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt
langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen
Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte
verteedering, als een vage melodie....
Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn
wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo
eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote
teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven....
Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig,
droomelend weg in dommelend vervlieden.... Zóó ging het vàn mij,
zachtekens verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang
te wijlen.... En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit
de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als
engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder
het teeder doorbreken van een milde maan....
Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even
wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met
vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage
vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde
laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij
een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in
de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de
regendroppelen, met licht gerucht. De ravijnen links zijn donker, met
de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.
Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!
Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere
melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en
somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den
Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods!
Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken,
onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê,
murmelend lief mysterie, dat niemand weet....
Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in
de lucht.... Dàn even stilte.... En vér beneden, in ’t ravijn,
antwoordt een ander....
Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw
van den avond....
Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der
wereld....
En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen,
onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed
langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang
verloren, maar nooit vergeten..
En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het
edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen,
nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige
schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr,
bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet,
in allerreinsten staat....
Ik begin nu kleine wandelingen te maken.
Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het
Leverlaantje, maar recht door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en
de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen,
plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale,
zwaar-schaduwende bergen.
Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede
hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van
beneden eerbiedig aan.
Hoe kalm en eenzaam hier!
Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht
met zacht gepraat.... En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend
geraas... Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig
bescheiden....
Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij
door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.... In de verte
alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard.
....Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono
om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig
stappend, voorzichtig.... Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn
hals!....
Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd
uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke
tjemårås omhoog naar het licht!
En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende berglucht in je
longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.
Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér,
Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul
gevloeid!.... Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje,
dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de
lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht....
Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?
Niets dan dit:.... de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige
boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen....
Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de
Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon....
En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en
liefelijk....
Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat
wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent,
„heilzame bloem;” „bloem, [6] die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent
„bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats
(divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;” Proewono
„reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar
buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari
„gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto
„heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen
geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden
tegenover ’t Hôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door
de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan
had aangeschaft.
De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten,
voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig
natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden.
Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als
onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen
dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v.
in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de
bergen in, is het weer beter.
Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen
hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo
verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en
onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal
één zijn met de natuur.
Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes, op den weg van
Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende
berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene
koolvelden tegen de hellingen.
Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier,
schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr
beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is
merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend
geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van
paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in
dennen..
Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord
op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een
klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend
achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden,
hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep
gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den
berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch
onvervaard....
Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten
zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch
voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!
En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een mooi kind van den
Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk.
Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend,
omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine
gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft
een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de
andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets
heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo
wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt
er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een
vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat
natuurlijke, hartelijke, gezonde.
Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op,
doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en
zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr....
En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge
sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel
wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven,
van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit
haar jong, onbezorgd gemoed.
Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen,
trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam
zwellend in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de
strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon,
vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond....
En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje
gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure,
reine, goddelijke natuur....
Niets dan dit:
Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht
omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in
maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig
rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat....
Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne
prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.... Zóó is het goed,
zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch
tevreden....
Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds
dieper, stiller....
De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen
maannacht-hemel....
En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug
links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat
zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer, want wel
moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart.
Ai! het scheurt de stille lucht....
En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug
vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog
menschen zijn....
Dáár is de vreugde en ’t leven.... En Mary.... En Annie, die lieve
vrouw.... Zou zij er nog wezen?.... Zou zij nog niet zijn slapen
gegaan?... O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk
gezichtje met den warmen, lichten lach!.... O, nu wat liefs en zachts
voor mijn arm, kloppend hart!....
Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.... Het
Leverlaantje.... Overal die hooge, hooge bergkammen.... Die weggetjes
daar zoo zacht tegen.... In de ravijnen hangen zware nevelen,
onmerkbaar langzaam stijgende.
Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in
eens:
O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht,
hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan!
Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te
wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande,
evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die kuische takjes zoo
zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.... Die roerlooze
vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.... Zoo
hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand
aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere
hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en
kalm als kinderen....
En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.... O! om een
lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van
een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen,
moeden zwerver....
Vreemd, vreemd.... Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te
hechten.... Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en
ze lacht me vriendelijk toe.... Het doet me zoo goed, in haar
schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.... Ze is
zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van
de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend
groen... Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!
Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal
worden. Ik verliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar
wat is het dan?.... Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me
zoo in haar aantrekt, het simpele, onbewuste, zonder denken gelukkig
zijn.... En toch nog iets méér ook....
Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel
ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor
mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam....
Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een
allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we
hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen
en rijtochten te maken.
Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien
in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar
ik zal het er toch op wagen.