23 October.

Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr

over de wereld beneden mij.

Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs.

Een wijde schittering van kleuren, geel, en groen, en goud, van

dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.

Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar

ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende

prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie.

Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.

Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans

van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn

vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam,

langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr

en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de

lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen

die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en

verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar

de horizonnen van de zee.

Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het

goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van

liefde....

’s Avonds.

In de late schemering weer op het terras, en.... wonder! wonder!

Waren uchtends die witte wolken uitgevaren, in zoo kalme, blanke

pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo

blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en

weedom waart rondomme.

Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam

drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de

een op de ander, een donkere droom.

Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het

groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar

zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam,

wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche

toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een

effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen

tegen donker-leiblauwe lucht.

Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven,

verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam

langend òp tot hooge hellingen.

En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer,

de zee, in duisteren deemoed....

O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe

dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos

zacht!....

Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon

achter Westerbergen, hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk,

schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans

gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van

glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God

de Vader....

Stiller wordt het, en stiller....

Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen

lijdenswolken boven het dal.

En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met

omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met

een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos

boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen....

In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in

het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet....

Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen....

En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen

donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de

hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.

Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen

glans....

En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw,

de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende

Maagde in den nacht....

Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met

droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht....

Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere

schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart

en zwarter, en zijn glans vergaat....

Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één

stille ster, zéér rustig en sereen.... Het droeve wereld-leed is daar

gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder

van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het

duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht,

zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van

wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst

boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie....

En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid

van donker lijden, waar mijn ziel van weent.

Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten....

Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t

Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand,

ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn moet liggen, waar

de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door

menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in

Junghuhn’s werk.

De Dâsar, of Zandzee, [5] een zandvlakte van een gehééle geographische

mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest, de groote krater

van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar

nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de

Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de

laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt

dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in

eruptie.

De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den

Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de

Zandzee Dâsar.

Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten

bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.

Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn,

of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.

Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende

koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe

lucht, alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door

het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in

wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe

woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur

brullend en broeiend onder de aarde.

Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde

na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte

goede.

Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am

Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden

zeide.

En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter

die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom

met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en

vergankelijkheid, en zonde.

Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk,

zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden,

opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel

der brandende aarde......

Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na

zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang

even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van

teederheid.

Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden

staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar

vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.

De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether

over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend,

doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó

wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het

geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.

De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van

de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt

langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen

Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte

verteedering, als een vage melodie....

Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn

wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo

eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote

teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven....

Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig,

droomelend weg in dommelend vervlieden.... Zóó ging het vàn mij,

zachtekens verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang

te wijlen.... En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit

de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als

engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder

het teeder doorbreken van een milde maan....

Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even

wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met

vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage

vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde

laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij

een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in

de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de

regendroppelen, met licht gerucht. De ravijnen links zijn donker, met

de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.

Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!

Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere

melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en

somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den

Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods!

Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken,

onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê,

murmelend lief mysterie, dat niemand weet....

Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in

de lucht.... Dàn even stilte.... En vér beneden, in ’t ravijn,

antwoordt een ander....

Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw

van den avond....

Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der

wereld....

En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen,

onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed

langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang

verloren, maar nooit vergeten..

En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het

edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen,

nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige

schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr,

bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet,

in allerreinsten staat....

Ik begin nu kleine wandelingen te maken.

Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het

Leverlaantje, maar recht door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en

de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen,

plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale,

zwaar-schaduwende bergen.

Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede

hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van

beneden eerbiedig aan.

Hoe kalm en eenzaam hier!

Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht

met zacht gepraat.... En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend

geraas... Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig

bescheiden....

Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij

door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.... In de verte

alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard.

....Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono

om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig

stappend, voorzichtig.... Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn

hals!....

Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd

uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke

tjemårås omhoog naar het licht!

En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende berglucht in je

longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.

Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér,

Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul

gevloeid!.... Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje,

dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de

lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht....

Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?

Niets dan dit:.... de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige

boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen....

Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de

Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon....

En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en

liefelijk....

Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat

wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent,

„heilzame bloem;” „bloem, [6] die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent

„bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats

(divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;” Proewono

„reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar

buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari

„gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto

„heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen

geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden

tegenover ’t Hôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door

de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan

had aangeschaft.

De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten,

voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig

natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden.

Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als

onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen

dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v.

in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de

bergen in, is het weer beter.

Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen

hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo

verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en

onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal

één zijn met de natuur.

Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes, op den weg van

Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende

berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene

koolvelden tegen de hellingen.

Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier,

schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr

beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is

merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend

geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van

paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in

dennen..

Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord

op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een

klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend

achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden,

hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep

gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den

berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch

onvervaard....

Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten

zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch

voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!

En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een mooi kind van den

Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk.

Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend,

omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine

gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft

een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de

andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets

heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo

wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt

er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een

vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat

natuurlijke, hartelijke, gezonde.

Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op,

doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en

zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr....

En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge

sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel

wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven,

van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit

haar jong, onbezorgd gemoed.

Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen,

trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam

zwellend in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de

strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon,

vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond....

En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje

gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure,

reine, goddelijke natuur....

Niets dan dit:

Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht

omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in

maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig

rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat....

Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne

prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.... Zóó is het goed,

zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch

tevreden....

Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds

dieper, stiller....

De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen

maannacht-hemel....

En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug

links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat

zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer, want wel

moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart.

Ai! het scheurt de stille lucht....

En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug

vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog

menschen zijn....

Dáár is de vreugde en ’t leven.... En Mary.... En Annie, die lieve

vrouw.... Zou zij er nog wezen?.... Zou zij nog niet zijn slapen

gegaan?... O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk

gezichtje met den warmen, lichten lach!.... O, nu wat liefs en zachts

voor mijn arm, kloppend hart!....

Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.... Het

Leverlaantje.... Overal die hooge, hooge bergkammen.... Die weggetjes

daar zoo zacht tegen.... In de ravijnen hangen zware nevelen,

onmerkbaar langzaam stijgende.

Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in

eens:

O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht,

hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan!

Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te

wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande,

evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die kuische takjes zoo

zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.... Die roerlooze

vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.... Zoo

hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand

aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere

hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en

kalm als kinderen....

En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.... O! om een

lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van

een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen,

moeden zwerver....

Vreemd, vreemd.... Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te

hechten.... Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en

ze lacht me vriendelijk toe.... Het doet me zoo goed, in haar

schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.... Ze is

zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van

de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend

groen... Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!

Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal

worden. Ik verliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar

wat is het dan?.... Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me

zoo in haar aantrekt, het simpele, onbewuste, zonder denken gelukkig

zijn.... En toch nog iets méér ook....

Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel

ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor

mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam....

Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een

allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we

hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen

en rijtochten te maken.

Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien

in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar

ik zal het er toch op wagen.

Een Droom · 第 8 / 11 题