Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en
nachten in een kleine kamer!
En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede,
reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt,
werd mijn lichaam koel en frisch.
Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik
overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht.
Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen,
de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte
rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals
je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of
Van Eijck.
En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in
ravijnen....
Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek
beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer
vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de
moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer
aanhield.
Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik
zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit
boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun
lezen.
Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar
wat wandelen op het terras....
Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen,
zoo één uurtje maar.
Wat zou er komen?.... wat zou er komen?.... o! zou er nog iets voor mij
kunnen komen?....
Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods
wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:
Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het
teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.
De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze,
droomende maar ijl en éven, als een essence. De ziel van zijn zwaar
massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste
Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen....
Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende
Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..
De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne
oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den
jongen morgen....
Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.... hoe licht voel ik mijn
eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde
ruimten....
En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en
mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver
over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee....
Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in
het rijk der wonderen te zijn aangeland.
Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer
Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel
over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier
uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is
op de menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier
zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.
„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier
zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr
zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog
gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden
niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof
niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen
leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze,
simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden
hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het
eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze
ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie
wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije,
natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de
dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit
wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche
uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk
het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het
physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met
een verbeterd, hooger soort menschen te doen hebt dan beneden. En dit
is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en
in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze
gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met
lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie
dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer
wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben,
spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of
met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder
wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”
—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en
in spanning.
—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de
menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis.
Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die
hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen
geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in
Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend
hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke
gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar
even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo
heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want het is niet
die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er
van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb
hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die
vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje
als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee
inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een
priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen
ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en
hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is
een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo
stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets
bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien
kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus
ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den
sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was.
En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als
jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo
véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veel au
sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van
menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en
zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld toch goed, en wat zijn
de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk,
en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw
aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.
„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten
verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op
de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt
aanzien in de uitgelaten vroolijkheid is au fond niets dan
overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls
enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge
vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel
wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu
maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd
een goed ding.”
Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht....
In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland,
waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die
nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven,
ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben
te winnen!....
Ik ben benieuwd wat daar van komen zal....
’s Ochtends op het terras.
De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.
De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste,
die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts,
met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit
parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in
de lucht....
Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte
beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal
streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft
er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door
eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden....
Waarheen?.... Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als
een broze droom, die breekt in ’t niets....
De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.
Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een
schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een
schok van warmte door de wijd-bevende lucht....
De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog
onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende,
donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van den Ardjoenå ligt nog
weifeling van wolkennevel, sombere drooming.
Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in
zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht.
Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de
zon, zijn toppen rood-vergulden.
Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is
het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij
blauw-grijze droomende omhoog rijst, uit waduwe wade van morgendauw.
Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs
en velden door de wijkende nevelen.
De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.
De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven
uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.
En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de
kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als
kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het
licht....
Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het
lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer
Mehrmann gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige
stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische
maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn
vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé
in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer,
allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.
Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand
is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar
zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op
haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht,
met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee
ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte
oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets
bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook
haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg
vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet
goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te
ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander
buurvrouwtje willen hebben aan tafel.
Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs
aan haar is, en dat ze haar graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje
in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar,
en bewijs haar attenties aan tafel.
Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand
zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar
toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de
natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief
zijn, mijn goede, zachte zuster....
’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.
Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de
wereld in de zon.
Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd
uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden,
de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt
geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten
der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als
trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich
langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.
De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen,
droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het
niet. Hier en daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en
een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook
dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.
Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden....
Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des
doods....
Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep
gezonken.
Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en
wemelend, met stuivenden damp.
Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.
Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als
duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het
is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in
somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk....
Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij
dan de wijde, wilde chaos van duister Niets....
Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het
achtergalerijtje gaan kijken in den nacht....
De nevelen hadden de bergen weêr genomen. Ik staarde, staarde, maar
niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van
een paar tjemårås, weifelend en onreëel.
Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren....
Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.
Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind
in dennen.
De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.
Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de
lucht zoo wreedelijk koud....
Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine
ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd,
zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een
wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost,
zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.... alles komt in
orde,.... blijf maar vást vertrouwen”....
En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te
droomen in het zachte bed.
Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen
mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.
Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik
later natuurlijk óók ga maken. Er zijn hier overal mooie plekjes en
wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig,
net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit
meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de
zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland
blijkbaar weêr even mooi terug.
Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor
later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest
noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je
niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen
wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de
Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,” [3] en het
Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het
Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste
uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn
drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den
Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de
Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.
Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den
Semeroe zelf, maar dat zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik
vooreerst wel niet aan mogen denken....
Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan
tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te
wachten staat.
Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de
hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal
geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary
uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en
scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is.
Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt
Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary
plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over
de rotsblokken en beekjes heenspringt.
Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst
vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu
is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die
heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze
heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen
zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs,
levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of
er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.
En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze
kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij
toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit
een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om
niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.
Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te
hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens
prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te
zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine,
zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol
grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik
geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel
verdriet gehad, zegt Mary.
Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een
vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een
echte jonge-meisjes verliefdheid.
Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een
gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar
kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem
geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van
zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes en gebaartjes aan hem
herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar
tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te
zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los
draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.
Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een
groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na
den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu
eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend
leven in haar.
Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een
vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een
kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier
noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst,
zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn
moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan,
dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.
Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij
ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich
aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter
dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met
haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen,
en een beetje deftig te zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet
sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel
niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel
een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.
En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje
heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.
Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo
heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen,
hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt
je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.
Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.
’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en
je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman
spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste
jeugd zijn.
En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die
„artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók
meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde
man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd,
„American Post.”
Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!
Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder
vogeltje. [4] Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur
gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met
een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht
vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en
vlamt boven de andere kleuren uit.
Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit
rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun
borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van
louter vreugde opeens opjubelen in de lucht....
Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart,
pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat de lichte
bloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als
een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht....