INLEIDING

Het Dagboek van Rudolf de Wall ligt voor mij op mijn schrijftafel,

naast zijn eenigen bundel verzen, de „Winter-Bloemen,” die verleden

jaar zulk een opgang maakten.

Het verwondert mij dat hij mij dit stuk van zijn intiemste leven heeft

gestuurd vóór hij stierf, maar tegelijk ben ik er trotsch op. Want

Rudolf was geen prettig, hartelijk mensch in den omgang. Sedert den

dood van zijne jonge vrouw werd hij vrijwel ongenaakbaar. Het was maar

heel zelden, dat ik hem bij mij kreeg en wij samen vertrouwelijk

praatten, zooals vroeger in Holland, toen wij jong waren. De misère van

het indische leven, in de materialistische maatschappij, maakte het nog

erger, en ik zag Rudolf, als zoovele superieure geesten in Indië,

langzaam, langzaam achteruitgaan en er onder geraken. Verzen schreef

hij niet meer, en in muziek had hij óók geen lust; ik geloof dat hij

het grootste deel van den dag versliep. ’s Nachts was er nog heel laat

licht bij hem op, en dan zat hij verdiept in boeddhistische filosofie

of in Schopenhauer, dien hij bijna van buiten kende.

Het verwonderde mij, dat hij de weinige plichten van zijn

ambtenaars-betrekking, die gelukkig vrij wel een sinecure was, nog

geregeld volvoerde. Hij werd onaangenaam in den omgang, praatte weinig

meer over literatuur en kunst, en zocht door ruwheid en gemaakt,

indisch cynisme zijn groot verdriet en de wanhoop van zijn hart voor

mij te verbergen. Hij begon er al slechter en slechter uit te zien,

verwaarloosde zijn toilet, en gaf in alles den indruk van langzamerhand

af te takelen en te abrutisseeren, zooals dat zooveel in Indië

voorkomt.

Gelukkig dat zijn zuster Mary altijd nog bij hem kon blijven, en hem

als een kind verzorgen, anders was het zeker nog véél erger met hem

geloopen. Zij leek wel eerder zijn moeder dan zijn zuster, en hield van

hem met zoo’n innige aanbidding, dat zij nooit van een anderen man

heeft kunnen houden, en ook nooit de gedachte in haar was opgekomen om

nog eens te trouwen, zoolang Rudolf alleen bleef.

In September, hoorde ik, was hij zwaar ziek geworden van malaria. De

dokter raadde hem aan, naar „boven” te gaan, naar Tosari, waar hij

stellig beter zou worden. Maar hij wilde er niet van hooren. Met de

eigenzinnigheid van een koppig kind weigerde hij te gaan. Ik begreep

wel wat er in hem omging. Het was al zóóver met hem gekomen, dat hij er

weinig meer aan hechtte of hij leven bleef of niet. Hij vond het

eenvoudig niet meer de moeite waard om beter te worden, en de misère

van het indische leven weêr van voren af aan te beginnen. Hij wist ook

heel goed dat hij de kracht miste, zich boven die misère te verheffen,

om in de indische maatschappij, die hem zoo drukte, ook het vele mooie

te gaan zien en, zich schikkend naar de omstandigheden, van dat mooie

te gaan genieten.

Mary, die hem niet kon overreden, schreef mij een wanhopig briefje, om

haar toch te komen helpen, want Rudolf ging met den dag achteruit, en

de dokter had verklaard, dat alleen de heerlijke berglucht van Tosari

hem nog zou kunnen redden.

Het kostte veel moeite, maar eindelijk kreeg ik hem, als vroeger, heel

lang geleden in Holland, onder mijn invloed, en vond hij het goed dat

wij hem naar „boven” transporteerden.

Ik kende Tosari al sinds jaren, dat paradijs van Indië. dat mij de Oost

altijd lief en dierbaar zal doen blijven, alléén om de herinnering aan

die reine koele lucht daar boven, die grandioze berggevaarten en die

apothéosen van wolkenpracht. Ik wist dat het zien van die wondere,

grootsche natuur daar hem nog veel meer goed zou doen dan enkel de

zuivere, versterkende lucht, en ik hoopte dat niet alleen zijn lichaam,

maar ook vooral zijn ziel daar zou genezen en herleven.

Je leeft daar eigenlijk in hoogere, reinere sferen, en wat de aarde

beneden voor je is zijn dáár de wolken. Het is een voortdurend leven in

de wolken eigenlijk, en veelal nog hoog daarboven. Hoe dikwijls,

staande op het terras vóór het Hôtel, met een egaal blauwe lucht boven

je, zie je beneden, vèr, vèr beneden, boven de vlakte, de statige

wolkenstoeten drijven, en sta je uren aan uren te staren naar die

glanzende vluchten van blanke luchtedroomen! En hoe vreemd, hoe héél

anders dan ooit beneden, voel je je, als van omlaag de nevelen óp komen

rijzen, en je ziet ze vooruitschuiven in de ravijnen, en wijd-uit

drijven, en rijzen en weêr rijzen, tot alles één blanke, witte wade

wordt, en eindelijk zie je niets meer dan wolken, wolken, wolken, zóó

dat ze door de ramen van ’t Hôtel trekken, en je ziet ze stuivend en

dampend door de kamers gaan. Toch, vreemd, die nevelen zijn niet

vochtig, maar volkomen droog, en je voelt het heerlijk wèl en krachtig

in je lichaam worden als je er zoo ganschelijk midden in zit, en je

ademt gretig den drogen wolkendamp.

Ik wist, als iets onzen Rudolf nog genezen kon, dan moest het Tosari

zijn, het laatste en éénige redmiddel voor kwijnende malarialijders en

ernstige hypochonders. De krachtige, innige impuls, dien de reine, ijle

lucht door je lichaam, en de grootsche, statige natuur er door je ziel

doet gaan is zelfs voor de zwaarst zieken meestal onweêrstaanbaar.

Het was een zware, vermoeiende tocht met den zieke, eerst per trein tot

Pasoeroean, dáár overnachten in het ongezonde, muffe logement, vol

malaria-kiemen, waar de zieken nog erger worden, toen naar Poespo, waar

het kleine, luchtige hôtel gelukkig allerzindelijkst en uitstekend is,

en toen in een zieken-tandoe naar boven, naar Tosari.

Rudolf had onderweg weinig gesproken, en alles maar lijdzaam met zich

laten doen. Maar,—ik had het wel gedacht,—op den tocht van Poespo naar

Tosari, langs den prachtigen weg de bergen op, met àl koeler en koeler

wordende winden, overal wuivend, schitterend groen, en dichte wouden in

de ravijnen, begon hij zich op te richten in de tandoe, en er kwam een

glans in zijn oogen.

Bij wijlen, in bochten van den kronkelenden weg, zag je, heel ver, in

’t Westen, diep, diep beneden, de vlakte met de zee, en, zachtblauw, de

nobele vormen van den Ardjoenå en den Penanggoenan, rijzende aan den

horizon. Dan zag ik een glans over zijn gezicht gaan, en hij zei met

iets van de oude geestdrift van in Holland: „Da’s mooi, Henri, da’s

mooi, hè? Kijk die bergen eens!”

Hij was altijd in extaze als hij bergen zag, die hij nog mooier vond

dan de zee.

Dan antwoordde ik: „Het wordt nog véél mooier, Ru, wacht maar eens, tot

je boven bent, dan zal je eens zien!”

En hij zweeg, maar keek met stille, aandachtige oogen in het rond, waar

de wuivende bamboe in wilde pracht omhoog schoot, de fijne, spitse

blaadjes teeder tegen de lucht, en waar, diep in ’t ravijn, onder de

fantastische warreling van boomen en struiken, ongezien, de watervallen

ruischten.

Een tijd lang sprak hij weer niets. En toen ineens: „Dit zullen mijn

beste vrienden worden, geloof ik.”

Hij zei dit met een zachte stem, lief als de stem die mij ééns

tegenklonk uit zijn verzen. En hij wees op de ranke, fijne tjemårås op

zij van den weg.

Dit is dan ook wel de mooiste en de meest karakteristieke boom van den

Tĕnggĕr. [1] Er zijn zoo heel veel soorten en variaties, maar de

mooiste zijn toch wel de kleine denneboomen van Tosari, die in rijen

aan weêrszijden van de groote wegen zijn geplant, en tegen de hellingen

der ravijnen, waar de groentevelden zijn. Zoo teêr en aandoenlijk staan

hun fijne takjes uitgespreid in de lucht, en ze kunnen zich zoo héél

deemoedig en in grooten vrede staan te geven, hoog op een verren

bergrand, tegen een donker-rossigen avondhemel!

Ik had het wel gedacht, dat die mooie boomen van den Tĕnggĕr hem lief

zouden worden, en ik zei lachend:

„Weet je nog wel, Ru, hoe we vroeger zeiden dat die dennen onze groote

broêrs waren, in de laantjes om den Bataafschen Boer? Hier heb je ze nu

dan toch in Indië terug, en dat hadt je niet gedacht, hè?”

Hij keek weêr uit zijn tandoe en lachte mij vriendelijk toe.

Mary, die naast mij reed—een slanke, ranke figuur, vol gratie op haar

vroolijk dansend damespaardje—keek mij dankbaar aan, en was toch zoo

blij, dat haar broêr weer wat opgemonterd was! Ik voelde mij door dien

éénen blik van haar beloond voor al de moeite, die Rudolf mij gekost

had,

Zoo ging het al hooger en hooger, met den zieke den berg op, tot hij

eindelijk van vermoeienis in slaap viel, dicht bij de dessa Baledono.

In het Hôtel Tosari aangekomen, werd hij wakker van het overdragen in

zijn bed, en voelde hij zich koortsig, en rillende van de koû.

De dokter zeide lachend aan Mary, die heel bezorgd keek, dat het binnen

een paar dagen wel in orde zou komen, want de lucht van Tosari deed

wonderen. Als we hem nu maar goed instopten onder de wol, en hem een

paar dagen in bed lieten liggen, zou hij binnen een week misschien al

op de been zijn.

En werkelijk, het wonder gebeurde, zooals het al zoo dikwijls in Tosari

gebeurd was. Na een week in bed te zijn gebleven,—elken dag zich al wat

beter voelende,—mocht hij den zevenden dag al wat wandelen op het

terras van ’t Hôtel, en aan tafel eten.

Ik zal niet licht vergeten dien eersten morgen, toen ik hem op het

terras bracht. Het was een mooie ochtend, tegen half zeven. Den hoek

omgekomen van ’t hôtelgebouw naar den tuin, was het als een apothéose.

Want hier, vanuit dat heel hooge in de hemelen, op dat zachte terras

vol bloeiende boomen, zie je vèr over de wereld, die ligt daar diep,

diep beneden voor je uit. Achter, in ’t Noorden, de hooge, sombere

bergkammen van den Tĕnggĕr, oploopende naar den ronden kratermuur, en

als trotsche, beweginglooze golven, loopt de grandioze bergmassa naar

’t Oosten en Westen met statige lijnen àf naar de vlakte. Het Hôtel,

een soort Zwitsersch châlet, ligt in ’t midden van dien bergkom, op een

verren uitlooper, met aan weerszijden de ooster en wester àfgolvingen

hoog in de lucht, en achter, in ’t Zuiden, den immenzen kraterrand

dreigend in de lucht. Links, in ’t Zuid-Westen, daalt de bergmassa af

naar het verre dal van Malang, waarboven bijna altijd donkere

wolkenmassa’s drijven; rechts, in ’t Oosten, is de muur steiler van

trotsche, ten hemel rijzende gevaarten, die met feller lijnen

wèg-golven naar de zee.

Aan vèrren horizon, Noord-Westelijk, rijst de statige, machtige

Ardjoenå, met zijn vijf toppen, de heerscher van het geheele landschap,

van hemel, aarde en lucht, en verder Noordelijk, de slanke, grijze

kegel van den Penanggoenan, fijn en teeder aan den horizon. Meer naar

’t Zuiden, nog vóór de Ardjoenå, de drie-golvige Kawi, een slapende

Maagd gelijk, die rust met omhoog getrokken knieën, en zwellende borst,

in de hemelen.

De vèrre vlakte ligt daarvóór, zoo laag en klein van uit het terras,

met de gele en groene kleuren van de sawahs en rietvelden, en de kleine

witte plekjes van fabrieken en dessa’s! In den morgen beeft daar bijna

altijd een doorschijnend waas van dauw en nevel, met kleuren als van

heel fijn parelmoer, en al vroeg begint de statige tocht van blanke

wolkenstoeten, over de vlakte naar de zee.

Hier en daar, op de ontzaglijke bergkammen zoo hoog in de lucht,

liggen, rustig en vreezeloos, de prachtige dessa’s, met hun roode en

gele kleuren. Vèr, rechts, de dessa Proewono, en iets verder, meer naar

’t Zuiden, Sidaeng, en, verder, in ’t allerhoogste, Wonokitri.

Beneden, vóór uit, Telogosari, en, lager, Baledono.

En, heel in ’t Noorden, vèrder dan de verre vlakte, de zee, met, vaag

aan den horizon, het schemerend eiland Madoera.

Het is alles zoo oneindig laag en ver, en zelf sta je zoo ontzaglijk

hoog verheven, met die witte wolken-vluchten zoo diep onder je

drijvend, dat het eigenlijk àl te onwaarschijnlijk en onreëel lijkt, of

alles maar een droom is, die dra zal breken....

Na ’t triestige, sleurige kantoor-bestaan in Soerabaia, ’t grootste

deel van den dag suffend tusschen vier muren, in een hitte van

negentig, somtijds tot vijf en negentig graden, die alle energie

verdooft, is ’t plotseling overgaan naar Tosari een herleving. De

uiterst reine, ijle, koele berglucht waait de nevelen weg, die

loom-zwaar over je denken hingen, en die het vaag en duister maakten

voor je oogen.

Dan in eens op dat terras te staan, hoog boven de wereld, in de

zuivere, luchtige sferen, en vèr beneden de lage vlakte te zien rijzen

aan den horizon, en de wolken-stoeten in zoo blanken, heiligen staat,

zoo langzaam-verdroomende, zwaar van licht, en het schitterend glanzen

van de zee, die wègdeinst naar verre hemelen!

Het is dan een zéér bizondere òmkeer in je, of al het verledene van je

weggaat, of het daar vèr beneden is gebleven in de hitte en den sleur,

of je daar nu heelemaal vrij en onbevangen staat in die allerhoogste

regionen, heerlijk herboren, en of alles nu weer opnieuw kan beginnen,

een nieuw, jong, krachtig leven in de pure, onbesmette lucht, zoo heel

dicht bij den blauwen hemel, nog ver boven de laag-drijvende

wolkenpracht over de aarde.

Dáárom had ik Rudolf hier gebracht, omdat zijn droef verleden van hem

wèg moest gaan, en hij aan een nieuw leven moest beginnen.

Hij zeide een tijdlang niets. Stil staarde hij maar in alle richtingen,

naar de bergen, naar de droomende wolken, naar de zee. Hij zag het aan

met een weifelende, kinderlijke verwondering, alsof hij het eigenlijk

nog niet goed kon gelooven.

De zon begon langzaam op te rijzen achter de Oosterbergen, en de

zachtblauwe Penanggoenan in het Westen beefde opeens van een

rood-gouden glans. Zachtkens vergleed die gouden lichtschaduw door het

parelmoerig waas boven de vlakte, en weldra schitterde ook de Ardjoenå

in rossig-guldenen gloed, wijl ijl-fijne, teêre tinten van lichtgroen

en dof-purper en vaag-violet trilden om zijn stil in de lucht lijnende

contouren. Hij stond daar, doorluchtig en eerwaardig, in den morgen,

als de eeuwig-jeugdige, onverwinlijke helden-God, wiens naam hij voert,

in vlammend goud gewaad tegen den lichtblauwen hemel.

Daar zei Rudolf ineens, met warme geestdrift in zijn stem, weêr

heelemaal de oude enthousiast van vroeger: „Henri, ik wist niet dat

Indië zóó mooi was!”

Toen—zóó was hij altijd, óveral zocht hij naast het heel grandioze en

ontzaglijke het uiterst teedere en zwakke,—toen boog hij zich over een

bed wilde viooltjes, die heerlijk geurden over het terras.

„En dan al dat fijne en teêre,” zei hij, hardop denkend in zich

zelf,—„al dat zwakke en broze hier midden in dat ontzettend groote en

verhevene! Kijk, daar zijn nu toch heusch al mijn lieve, oude bloemen

van Holland weer! Waarachtig! Een bed wilde viooltjes! In hoeveel jaren

niet gezien! En kijk, hier, reseda’s, en héliotrope, en dáár, hoe is ’t

mogelijk, hier in Indië! korenbloemen, en klaver, en kijk eens! een bed

met verbena’s, en hier blauw-hemdjes, en de echte, groote pensées óók

al, en dáár waarachtig die mooie monnikskapjes, en de paarse winde, en

wat ’n theerozen, wat ’n tinten! Maar waarachtig, daar staan de echte

boterbloemen van Holland in ’t gras, en daar zie ik een heel bed met

madeliefjes! Hoe is ’t mogelijk, Henri! Daar is me nu alles zoo maar

inééns terug? En dat in Indië!”

Ik had er schik in, hem zoo te hooren jubelen. Want dat was de oude

Rudolf van vroeger, met wien ik roovertje had gespeeld in de duinen, en

die altijd zoo’n echte, gezonde hollandsche jongen was. In Indië had ik

hem nooit weer zóó teruggezien, Het was of er daar altijd een donkere

nevel over hem heen was.

En kijk nu toch eens, wat echt kinderlijk en jongensachtig is die

groote meneer van nu,—hij is al zes en twintig,—die altijd zoo nijdig

en somber kijkt, en die zoo geheele nachten in al die droevige

filosofie van de Ouden zit te studeeren, kijk hem nu eens scharrelen

tusschen die bloemen!

„Dat moet Mary zien, kerel, dat moet Mary zien!” roept hij enthoesiast,

„wat zál ze blij zijn! Ik ga haar dadelijk halen!”

En daar vliegt de melancholieke dichter van „Winter-Bloemen” met groote

sprongen, als een wilde schooljongen, het terras over, drie treden

tegelijk bij het naar boven hollen, precies zooals ik het hem—lang o!

lang geleden!—op kostschool had zien doen, bij den grooten,

beslissenden stormaanval op het kamp der Apachen, waarover ik het bevel

voerde.

Mijn zaken en veel litterair werk riepen mij terug in Soerabaia, en

toen ik Rudolf zóó opgefleurd zag, bovendien nog zoo trouw verzorgd

door een teedere, lieve vrouw als Mary, ging ik met een gerust hart

weer naar „beneden.”

Ik had eerst nog een lang gesprek met den dokter van het établissement.

Hij verzekerde mij, dat hij instond voor de genezing van Rudolf’s

malaria, en vertelde mij nog een aantal merkwaardige gevallen van

herstel, door de gezonde, ijle lucht van Tosari. Zieken, die in

Soekaboemi en elders in de Preanger geen baat hadden gevonden, en die

hier, bijna stervende, waren aangebracht, had hij, dikwijls zonder

chinine, enkel door de geneeskrachtige inwerking van de lucht, zien

beter worden. Maar hij had één leelijk ding bij Rudolf geconstateerd,

een hartziekte. En wel een hartziekte, zooals er zooveel zijn van dien

aard; je kon er honderd jaar mede worden, maar je kon ook binnen een

jaar dood zijn.

Het was nog niet erg, een flauw begin nog maar, zóó zwakjes nog dat hij

Rudolf niet eens het paardrijden er om zou verbieden. Als hij maar geen

al te hevige emoties kreeg, en geen zware, moreele schokken, was er

geen oogenblikkelijk gevaar bij. De dokter vroeg mij, of hij niet een

of ander groot verdriet had ondervonden, en ik vertelde hem van den

verschrikkelijken dood zijner beide ouders bij het vergaan van de

engelsche mailboot „Bokhara,” en het vroege sterven van zijn jonge

vrouw. Zoolang er maar geen nieuwe, heftige schokken bijkwamen, zou het

met Rudolf wel losloopen, verzekerde de dokter mij nog bij het

heengaan.

Ik hoorde niet veel van hem toen ik weer terug was in Soerabaia. Maar

tusschenbeide schreef Mary mij, dat het goed met hem ging, dat zijn

malaria heelemaal over was, en hij er door en door gezond uitzag, met

een kleur op zijn wangen. Hij liet haar telkens zijne hartelijke

groeten aan mij overbrengen, en een belofte, dat hij nu heúsch, over

een paar dagen, zou schrijven. Maar er is nooit iets van dien brief

gekomen, ofschoon ik hem zelf van tijd tot tijd schreef.

Ik dacht dat hij er geen tijd voor had, en zeker aan een nieuwe reeks

verzen zou zijn begonnen, en ik verheugde mij er al op, wat daar van

komen zou. Want de stem, die zoo doodsdroef in melodieus beklaag van

zielesmart gezongen had in „Winter-Bloemen,” zou die nu misschien niet

uitjuichen in heerlijk schaterend gejubel, onder den impuls van een

nieuwe, krachtige jeugd in die hooge, reine sferen, omwaaid door die

pure, ijle lucht?....

Toen, opeens, nog geen drie maanden nadat ik hem het laatst gezien had,

kreeg ik een telegram van Mary.

Rudolf was dood....

Hij was inééns gestorven, als zoo vele hartlijders, gestorven in wat de

bloei van zijn jeugd leek, flink en krachtig gebouwd, met een

gezondheidsblos op zijn wangen. ’s Ochtends, na een wandeling, was hij

plotseling op den grond gevallen, had nog een paar uur op bed gelegen,

pratende met Mary, en was toen ineens dood geweest. „Hartverlamming,”

had de dokter geconstateerd.

Een paar dagen later kwam Mary bij me, en bracht me een dagboek, door

Rudolf in Tosari aangehouden. Hij had haar kort vóór zijn dood

gevraagd, dit als een laatste aandenken aan mij over te geven.

En nu ligt het Dagboek van Rudolf de Wall vóór mij. Ik heb het gelezen.

Ik weet nu dat hij gestorven is na een schoonen droom. En ik benijd

hem. Het is zoo vol liefde voor het leven, en vol voorgevoel van den

dood. Het is of zijn ziel altijd geweten heeft, dat hij nu wel gauw zou

sterven, want op meer dan ééne plaats in zijn dagboek voelt hij zich al

bijna verdroomen in de natuur, en één worden met Gods innigste wezen,

dat hij er in leven voelde.

Het lijkt misschien wat wreed, maar ik vind het gelukkig, dat Rudolf

daar boven is gestorven, en nu één is met de reinste essence van al het

verheven schoon, dat hij daar in zijn láátsten levensdroom mocht

aanschouwen.

Wat zou er van hem geworden zijn, als hij met zijn overgevoelige,

teedere, kinderlijke ziel, met al die jonge, nieuwe geestdrift, weer

was teruggekomen in ’t démoraliseerende, wreede, harde leven hier

beneden? Wat, als hij de vrouw, die hij zoo verheerlijkt zag,—en die

ook misschien daar bóven wel éven reiner en puurder is geweest in die

alles zuiverende, hooge lucht,—later hier had moeten weêrzien,

teruggezonken in den sleur van het indische leven, een heel gewoon,

oppervlakkig wezentje, niets beter en niets slechter dan de anderen,

van wie hij zich altijd zoo ver hield? Hoe zou hij hebben geleden, als

hij haar langzamerhand, niet meer onder den invloed van de zoo ideaal

en geestdriftig stemmende berglucht, zou hebben gezien zooals ik haar

leerde kennen, en zooals zij werkelijk was; het ergste wat er voor hem

kon bestaan: een flirt, en als hij had begrepen, hoe hij de liefste en

beste dingen van zijn ziel weêr had weggegeven in het ledig, als

vergooid in ’t niet?

En—wie kan zeggen wat reëeler is, de werkelijkheid of de droom? Het kan

heel goed zijn dat Annie, de vrouw die hij zoo liefhad, daarboven éven

was opgerezen tot de reinheid en de zielezachte gratie, die hij in haar

vermoedde, en dat het heusch wel ganschelijk reëel was, wat hij van

haar voelde. Het is de majestueuze schoonheid van de bergen en de

hemelen, die de ziel zoo verreint, en de pure, koele winden, door het

lichaam waaiend, die het beste en edelste in den mensch—jaren lang

verdoofd en onmacht gebleven—daar heerlijk doen opleven, in die zuivere

sferen.

Al is het dan dat later, later, beneden terug, het éven uitgebloeide

mooi weer droef verzinkt in de muffe hitte, en den saaien sleur, en de

huichelachtige conventie van het alledaagsche, geestdoodende indische

leven....

Hier is dan nu het Dagboek van Rudolf de Wall, zooals ik het aannam uit

de zachte handen van zijn zuster. Het heeft niet veel van een roman, en

de intrigue ontbreekt geheel, die velen het voornaamste vinden van

lectuur. Het zijn somtijds maar wat korte fragmenten, de wisselende

stemmingen van zijn ziel onder den invloed van het wisselende schoon

der dagen en nachten in den Tĕnggĕr.

Toets het toch niet aan de werkelijkheid, en zeg toch niet, dat dìt

dwaas en dàt verkeerd van hem was, en dat hij wijzer had moeten zijn,

en beter menschen leeren kennen vóór hij ze waard vond het liefste van

zijn ziel!

Want ik zeg u, hij is gelukkiger geweest met zijn verbeeldingen en

fantasieën dan één van ons, verstandige menschen, en in stilte heb ik

hem benijd om wat ik nooit zoo kon genieten in mijn grootere wijsheid.

Want gelukkig! o! gelukkig zijn zij, die niet het harde leven zien,

maar veilig óprijzen in hun eigen, schoone droomen!....

Een Droom · 第 6 / 11 题