„Elke cent apart geven,” zeide Anton tegen Lotje, toen ze op weg naar

den Gouden Valk waren. „Want ze komen meermalen rond, en dan zou je al

den tweeden keer moeten weigeren.”

Toen ze aan ’t plein vóór den Gouden Valk kwamen, vonden ze er al een

heelen troep menschen en vooral kinderen verzameld. Het scheen echter,

dat de kunstenmakers wat lang aan den maaltijd zaten, of dat ze wat van

hun vermoeienis moesten uitrusten, of dat ze een middagslaapje deden;

ze waren ten minste nog in de herberg en kwamen in ’t eerste halfuur

niet voor den dag.

Daar kwamen ze eindelijk in volle statie aan. Vooruit een man met een

trompet, die zoo geweldig daarop blies, dat men doof dacht te worden,

terwijl een ander man den kring grooter maakte, opdat allen konden zien.

En dat was wel noodig; want de menschen stonden zoo op elkaar, dat de

een den ander in den weg was. Die man verzocht dan ook, dat men de

kinderen in de voorste rij zou laten staan, omdat de anderen over hen

konden heenzien. Aan dat verzoek voldeed men; want het hinderde niemand,

al stond er een kind vóór hem.

En nu begonnen de kunsten opnieuw. Eerst kwam er een Herkules, een

dikke, ferme kerel, die groote gewichten opnam en er allerlei toeren mee

deed; vervolgens nam hij twee mannen op zijn beide schouders, en op de

schouders van die mannen ging een derde staan, en zoo wandelde hij met

die drie mannen den kring rond, zoo gemakkelijk alsof hij niets te

dragen had.

„Hè! die man moet kracht hebben,” zeide Lotje tegen Anton.

„Nu, dat zou ik ook meenen,” antwoordde Anton. „Maar daarom heet hij ook

een Herkules.”

„Wat is dat dan, een Herkules?” vroeg Lotje.

„Wel een man, die heel sterk is,” antwoordde Anton. „Er is vroeger,

heel, heel lang geleden, een man geweest, die Herkules heette, en die

man was zoo geducht sterk; en nu noemt men alle sterke mannen naar hem,

Herkulessen.”

„Dus is de knecht van vrouw Teunissen, die zoo sterk is, ook een

Herkules?”

„Neen, die niet,” hernam Anton. „Men geeft dien naam alleen aan

menschen, die er hun brood mee verdienen en op de manier gekleed zijn

als deze. Doch kijk nu liever.”

„Wat doet hij nu? Met ballen gooien?” vroeg Lotje.

„Dat noemt men jongleeren,” antwoordde Anton. „Je zult eens zien, hoe

raar hij die ballen door elkander gooit, en ze toch opvangt.”

Inderdaad — Lotje kon zich maar niet genoeg verwonderen, hoe ’t mogelijk

was, dat de Herkules ze wist niet hoeveel ballen altijd maar in de

hoogte gooide en ze weer opving. Daar was geen oog op te houden.

Eindelijk nam de Herkules groote ijzeren ballen, die hij over zijn

armen, zijn borst, zijn rug liet loopen en die toch altijd weer in zijn

handen terugkwamen.

Zoo iets had ons Lotje nooit gezien! Ze kon dan ook haar verbazing niet

verbergen. Intusschen kwam de vrouw met het bakje rond en zoowel Anton

als Lotje wierpen er een cent in.

Nu werden er twee in ’t midden aan elkander vastgebonden stokken aan den

eenen kant, en twee even zulke stokken aan den anderen kant van ’t plein

gezet. Daarover werd een dik touw gespannen, wel zoo dik als Lotjes arm,

en op dat touw ging een man, die een langen stok in zijn beide handen

hield, loopen, springen en dansen en allerlei kunsten doen.

„Dat noemt men koordedansen,” zei Anton. „Met dien stok houden ze

zich in balans of rechtop; daarom heet die balanceerstok.”

[Illustratie]

„Nu, ik zou niet graag op zoo’n touw loopen en er nog minder op dansen

en springen,” zeide Lotje.

„Dat wil ik wel gelooven,” antwoordde Anton. „Je bent ook geen

koordedanseres. Je begrijpt wel, dat het een heelen tijd kost, eer men

dat kent.”

Nadat de man een tijdlang met zijn balanceerstok gedanst had, gaf hij

dien aan den Herkules over, en danste zonder stok.

„Dat is nu nog grooter kunst,” zei Anton.

„Ik wil ’t graag gelooven,” zeide Lotje; „maar als ik ’t moest doen, deê

ik ’t liever zonder zoo’n zwaren stok.”

Nadat de man zijn kunsten op de koord lang genoeg vertoond had, ging de

vrouw weer met het bakje rond, om centen op te halen.

’t Koord werd onderwijl afgebroken, en een groot karpet over den grond

gelegd. Wat Lotje nu zag, verwonderde haar nog meer. Mannen, die op hun

handen liepen; die op hun rug gingen liggen en kleine jongens op hun

voeten als ballen in de hoogte gooiden en weer opvingen, die zich als

een bal ineen- en naar alle kanten heenrolden, of die hun hoofd tusschen

hun beenen staken, en de allerzotste figuren vormden. Lotje had geen

oogen genoeg om te kijken; daar had ze maar geen begrip van. Ze had dan

trouwens ook nooit zoo iets gezien, en ’t was dus geheel en al nieuw

voor haar.

Eindelijk was de voorstelling afgeloopen: koord, stokken, kleed en al

wat de kunstenmakers al meer bij zich gehad hadden, werd in een klein

wagentje gepakt, dat door een ezel werd getrokken, en weg ging de troep,

voorafgegaan door den man met de trompet, die er helder op blies. De

dorpelingen gingen zeer tevreden over ’t geen ze gezien hadden naar hun

woningen, maar een heele troep kinderen volgde de kunstenmakers in het

bosch, waar ze den straatweg namen: ’t was den dorpskleinen nog niet

mogelijk afscheid te nemen van die wonderlijke mannen. Nadat echter de

trompetter zijn muziekinstrument op ’t wagentje geborgen had,

verspreidden velen der kinderen zich in ’t bosch om blauwbessen te

zoeken of boschbloemen te plukken; anderen keerden naar huis terug.

Ook Keetje was er tegenwoordig geweest, en de beide meisjes waren niet

tevreden, alvorens zij bij elkander waren, toen alles afgeloopen was.

„Zoo, Kee, mocht je ook komen?” zeide Lotje, toen zij dicht genoeg bij

haar vriendinnetje was.

„Wel zeker, Lotje,” antwoordde Keetje. „Moeder zei tegen me, dat ik

gerust mocht gaan kijken, als ik maar maakte, dat ik op mijn tijd thuis

was.”

„Ja, zie je,” zeide Lotje, „ik wist wel, dat je moeder het zou willen

hebben, maar ik dacht dat je misschien eerst je werk zoudt maken.”

„Dat zou wat moois zijn,” lachte Keetje; „de kunstenmakers wachten niet

op mij. ’t Is beter dat wij op hen wachten.”

„Nu, we hebben lang genoeg op hen gewacht,” merkte Anton aan. „Ik dacht,

dat ze nooit voor den dag zouden komen.”

„Ze hebben zeker een stevig diner gebruikt,” zeide Keetje. „Want me

dunkt, ze moeten goed eten om zoo vreeselijk sterk te zijn.”

„Ik geloof, dat hun diner niet zoo schitterend geweest zal zijn,” zeide

Anton lachend. „Aardappelen met zout en spek misschien. Je zoudt zeker

niet met hen hebben willen ruilen.”

„Neen, heusch niet,” antwoordde Keetje. „Ik heb vanmiddag veel te lekker

gegeten.”

„En ik,” voegde Lotje er bij. „Wij eten vanavond ook nog wat erg

lekkers, Kee; want Pa komt dan thuis.”

„Wel zoo,” antwoordde Keetje. „Ik féliciteer jelui, want dat zal een

heel feest zijn.”

„Dat kun je begrijpen,” zeide Lotje opgeruimd. „’t Is maar naar, dat Pa

altijd weer weg moet. Wat zou het niet erg veel prettiger zijn, als Pa

altijd aan wal bleef.”

„Ja, dat vind ik ook,” bevestigde Keetje. „Ik zou het volstrekt niet

prettig vinden, als mijn vader elk oogenblik weg moest. Zijn jelui niet

soms erg angstig?”

„Ja zeker,” antwoordde Lotje, „vooral als het stormt. Dan huilt Moe wat

dikwijls, want dan zijn wij altijd bang, dat Pa verdrinken zal.”

„Weet je wat,” zeide nu Keetje, na zich een oogenblik bedacht te hebben.

„Als je Pa nu vanavond thuis komt, dan moet je meteen vragen, of hij

jelui den volgenden keer mee op het schip neemt; dan blijven jelui bij

elkander.”

„Hé ja, dat zou aardig zijn,” riep Lotje vroolijk uit. „Verbeeld je op

zoo’n schip! En dan moeten we allemaal meegaan, tante Eef en Jaan ook!”

„Ik geloof niet, dat Jaan mee hoeft,” zeide Keetje. „Want ik heb altijd

gehoord, dat er op zoo’n schip een kok of zoo iemand meegaat.”

„Maar dan kunnen we niet schoolgaan,” riep Lotje eensklaps uit. „Want de

school kunnen wij toch niet meenemen!”

„Niet de school, maar je Pa kan toch een meester mee aan boord nemen,”

helderde Keetje op. „Dan kunnen jelui allemaal net zoo goed leeren, als

hier op ’t dorp!”

„Nu, ik zal het heusch vanavond eens aan Pa vragen, of hij het doen

wil,” betuigde Lotje. „Misschien gebeurt het wel; wat zou dat prettig

zijn!”

„Ja, ik hoop het voor je,” antwoordde Keetje.

Druk over ’t een of ander pratende, wandelden de vriendinnen voort,

zonder te merken dat zij Anton kwijt waren geraakt.

Deze keerde na een poosje weder huiswaarts. Door een toeval was hij haar

kwijtgeraakt, en nu hij op ’t punt was van om te keeren, zocht hij haar,

doch vond geen van beiden de meisjes. Hij vroeg een ander buurmeisje

naar haar.

„Ik geloof, dat ik haar daar straks naar het dorp heb zien terugkeeren,”

zei er een.

„Was ze niet met Keetje?” vroeg een ander.

„Ja,” zeide Anton. „Ze waren ten minste samen, toen we het dorp

verlieten.”

„Nu, dan zijn ze straks weggegaan,” hernam ze. „Ze scheen nog naar je

rond te zien, maar je niet te vinden.”

Gerustgesteld door deze berichten, wandelde Anton naar huis.

„Is Lotje al thuis?” was ’t eerste, wat hij vroeg, toen hij de kamer

binnentrad.

„Lotje?” vroeg zijn moeder verwonderd. „En jij bent met haar uitgegaan

en je zoudt op haar passen!”

„Ik ben haar door de drukte kwijtgeraakt,” zeide Anton, „zoowat een goed

kwartier van het dorp. Ze liep met Keetje.”

„Maar je hadt haar niet moeten kwijtraken,” zei zijn moeder berispend.

„Loop eens even naar Keetje en vraag of Lotje daar is.”

Anton deed het.

„Ze zijn nog niet thuis,” was de boodschap, welke hij meebracht. „Maar

Keetjes moeder denkt, dat ze bij de een of andere harer kennisjes aan ’t

praten zijn.”

„Dat is wel mogelijk,” zeide Antons moeder. „Maar ’t neemt niet weg, dat

het ondeugend van Lotje is, dat ze niet bij je is gebleven. Ze moet

knorren hebben.”

Niemand echter maakte zich bepaald ongerust over Lotje, die immers met

Keetje naar het dorp was teruggekeerd en dus wel bij den een of ander

van de kennisjes zou zijn.

„Hoe laat denkt ge, Moe, dat Pa zal komen?” vroeg Anton een poos later.

„Ja, dat zal wel niet vóór den donker zijn,” antwoordde de moeder. „Tot

H. kan hij ’t per spoor afleggen; doch dan moet hij extra rijtuig nemen.

Zoo gauw kan hij niet van boord, of hij moet een namiddagtrein nemen.”

„Maar hij komt toch stellig, niet waar?” zeide Anton.

„Dat heeft hij beloofd,” antwoordde zijn moeder. „En je weet wel, dat

als vader iets belooft, hij het ook volbrengt.”

„Zoo, Anton, ben je eindelijk terug?” zei tante Eef, die de kamer

binnenkwam. „Die kunstenmakers hebben je lang beziggehouden, mannetje!”

„Dat hebben ze, tante,” antwoordde Anton. „Maar we zijn ze nog een

kwartiertje buiten het dorp nagegaan.”

„Wat een dwaasheid!” zei tante Eef. „Dacht je dan, dat ze op den

straatweg nog eens hun kunsten zouden vertoonen?”

„Dat wel niet,” antwoordde Anton; „maar al de dorpskinderen gingen met

hen mee; en ik zou wel teruggekeerd zijn, maar Lotje wou zoo graag nog

een eindje meegaan.”

„’t Hielp ook wat, of hij haar vergezelde,” zeide de moeder glimlachend.

„Begrijp eens, Eef! hij komt zonder zijn zusje thuis. Hoe vind je dat?”

„Dat vind ik al heel fraai,” zeide tante Eef. „Moeder vertrouwt je je

zusje toe, en je laat het in den steek. En waar is Lotje nu?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde Anton. „Denkelijk bij ’t een of ander

schoolkameraadje, waar ze over de kunstenmakers praat.”

„Je moogt wel aan je werk gaan, Anton,” zeide zijn moeder, „want je hebt

een heelen tijd verzuimd.”

„Dat zal ik doen; want om halfacht moet ik les hebben. Ofschoon, ik heb

’t bijna af; ik moet mijn lessen nog maar even overzien.”

Dit zeggende, ging Anton naar zijn kamertje, om zich voor zijn extra les

gereed te maken. Hij was er spoedig mee klaar en begaf zich met de

boeken onder zijn arm naar zijn meester.

„Als je Lotje soms onder weg tegenkomt, zeg haar dan, dat ze terstond

naar huis moet komen,” zeide zijn moeder.

„Dat beloof ik u, moeder,” antwoordde hij, zeide haar goedendag en

vertrok, om zich naar ’t schoolhuis te begeven.

III.

HET VERDWAALDE KIND.

Zooals we weten, waren Lotje en Keetje met Anton den troep kunstenmakers

op den straatweg in ’t bosch gevolgd. Anton had een kennis aangetroffen

en was zoo druk met hem aan ’t praten geraakt, dat hij van Lotje en

Keetje, die ook al met haar kornuitjes babbelden, was afgeraakt. Nu was

daar niets gevaarlijks in; want als ze straks naar het dorp

terugkeerden, zouden ze elkander vanzelf wel terugvinden. Maar terwijl

de kinderen daar zoo voortgingen, waren er een paar van Lotjes

kennisjes, die met haar en Keetje liepen, welke eensklaps bleven staan.

„O, zie eens, Lot! wat een heerlijke blauwbessen! Die moesten we eens

even plukken.”

„Ja, maar dan gaan de anderen voort, Truitje,” zei Lotje, „en dan raken

we ten achteren.”

„O, dat is niets,” antwoordde Truitje. „Zoover zullen ze niet meegaan,

en ze komen toch altijd dezen weg terug.”

„Dat is waar,” zeide Lotje. „’t Zijn heerlijke blauwbessen!” en dit

zeggende, ging zij met haar buurmeisjes het bosch in, om blauwbessen te

zoeken. Ze vonden er verscheidene en die smaakten heerlijk.

Nu is blauwbessen zoeken een gevaarlijk werk, — niet het zoeken op

zichzelf; daar is geen ander gevaar bij dan dat men blauwe handen en,

door ’t eten, een blauwen mond krijgt. Maar er is een ander gevaar bij.

Door ’t zoeken naar de blauwbessen is men ieder voor zich zoo druk

bezig, dat men van elkander af raakt; want de een gaat dezen en de ander

weer een anderen kant op. Dat is nu niets, wanneer men op een bekende

plaats of in een dennenbosch is, waar hooge dennen staan en men elkander

op een grooten afstand kan zien; erger is het, wanneer men op onbekende

plaatsen en te midden van laag dennenhout of kreupelbosch is, want dan

raakt men elkander zoo licht kwijt en verdwaalt men. En als men eenmaal

te midden van zoo’n bosch verdwaald is, dan slaat men soms een

verkeerden weg in, vooral omdat men door het bessen zoeken allerlei

kringen en bochten gemaakt heeft en dus den koers kwijt is.

Zoo ten minste ging het onze Lotje. Al zoekende was ze eerst van haar

vriendinnetjes afgedwaald, welke ze van tijd tot tijd nog door ’t

kreupelhout hoorde lachen; doch daar kwam ze aan een plaats, die zoo

rijk bezet was, dat ze er spijt van had hier alleen te zijn. Ze riep ze

dus, maar kreeg geen antwoord: ze waren zeker een anderen kant opgegaan.

Toen ze nu haar buikje vol gegeten had, begon ze er aan te denken, om

haar kameraadjes op te zoeken.

„Ik ben dezen weg afgekomen,” zei ze bij zichzelf, „en ik moet dien dus

terug.”

En zonder aarzelen sloeg ze dan ook dien weg in. Jammer echter, dat ze

dien weg niet was afgekomen, maar de wegen in zulk een bosch gelijken

ook zooveel op elkander. Nu had ze ’t ongeluk, om er juist een in te

slaan, die net regelrecht van den weg afliep, waardoor ze hoe langer hoe

dieper in ’t bosch verdwaalde. Ze begon angstig te worden; want voor

zoo’n klein meisje alleen in een bosch, en dat tegen den nacht, is niet

alles. Intusschen liep ze nu her- dan derwaarts, zonder dat ze eigenlijk

iets verder kwam.

„Kon ik den straatweg maar bereiken!” zeide zij, terwijl haar de tranen

langs de wangen liepen; „dan zou ik den weg naar huis wel vinden.”

Van tijd tot tijd liet ze haar stemmetje hooren; maar dat zwakke

stemmetje werd door niemand vernomen. Langzamerhand begon de zon te

dalen en gingen de vogels naar bed; het zou niet lang duren, of ’t was

donker, en dan zou ze den geheelen nacht in ’t bosch moeten blijven! Den

geheelen nacht in ’t bosch! O, daar moest ze niet aan denken! In ’t

bosch, waar ze haar lekker warm bedje zou missen, — in ’t bosch, waar

allerlei beesten waren; wel geen leeuwen en tijgers, maar toch vossen

en bunzings, herten met zulke groote horens, en wat haar angstige

verbeelding daar al bij schiep. O, ’t was vreeselijk! In den donker

alleen in een bosch!

Op eens hoorde ze een geritsel door de bladeren. Ze stond stil en keek

op. Ze dacht, dat het ’t een of ander dier zou zijn. Maar neen, daar

stond eensklaps voor haar een leelijk oud wijf, met een hengselmand aan

den arm en een takkenbos op den rug. Het wijf was misschien niet minder

verwonderd, een klein meisje van negen jaren daar zoo alleen in het

bosch aan te treffen, dan Lotje toen ze op eens zoo’n leelijk schepsel

voor zich zag. Hoe afschuwelijk het wijf er echter ook uitzag, — ’t was

voor Lotje toch een rust, dat ze een menschelijk wezen ontmoette.

„Wat moet jij hier?” vroeg het oude wijf met een heesche stem en een

grimmig gezicht.

„Ach, lieve juffrouw,” zeide Lotje, „ik heb blauwbessen gezocht en ben

verdwaald. Zou je me niet op den rechten weg willen helpen?”

„Ja, dat gaat zoo maar niet,” hernam het oude wijf scherp. „Onze Lieve

Heer laat de blauwbessen groeien voor ons arme lui, om ze te plukken en

bij de rijke lui op het dorp te verkoopen. Maar dan gaan de kinderen van

die rijke lui ze plukken, en dan kunnen wij er geen geld voor maken. En

dan verdwalen ze en zouden nog willen, dat we hun den weg wezen, om

terug te komen. Zeg eens, kind, heb je geld bij je?”

„Ach neen, juffrouw! geen cent,” antwoordde Lotje.

„Voor niemendal wijs ik je den weg niet,” hernam de vrouw grijnzend.

„Maar als je me thuis wilt brengen, zal Moe je wel beloonen, juffrouw,”

zeide Lotje.

„Ja, misschien met een paar centen, een dubbeltje of op zijn hoogst een

kwartje,” hernam het oude wijf. „Ik zou je bedanken, om daar zoo’n end

voor te loopen. Maar ik weet beter. Je hebt daar een paar gouden

belletjes in je ooren en een granaten ketting met een gouden slotje om

den hals. Als je mij die geeft, dan wijs ik je den weg.”

„Maar dan zal moeder knorren,” zeide Lotje.

„Wat knorren! Nu wil ik ze hebben en wijs je toch den weg niet!” En dit

zeggende, zette het oude wijf haar mandje neer, wiep haar takkenbos op

den grond en pakte het arme Lotje beet, wie ze haar gouden belletjes en

haar granaten ketting met gouden slotje afnam.

„Ja, schreeuw maar!” riep ze, toen Lotje hard om hulp riep. „’t Helpt je

toch niet; geen mensch kan je hier hooren! Had je ’t me gewillig

gegeven, dan zou ik je den weg gewezen hebben; maar nu kun je vannacht

in ’t bosch blijven, waar de een of andere hongerige wolf je wel zal

komen opkluiven. Nu, ik wensch hem smakelijk eten; want je bent een vet,

lekker boutje, — dat ben je.”

’t Afschuwelijke wijf deed de belletjes en den ketting grijnzend in haar

mandje, nam den takkenbos weer op den rug, knikte Lotje goedenavond en

vertrok.

Schreiend en over al haar leden bevende stond onze arme Lotje daar!

Haar mooie belletjes haar ontstolen, welke ze van moeder op haar

negenden verjaardag gekregen had! ’t Was verschrikkelijk! Wat zou moeder

knorren, als ze thuis kwam! En toch, was ze maar thuis! Ze had wel

knorren willen hebben van moeder, van tante Eef, ja, van Jaan de meid er

bij, als ze maar weer in haar lekkere, warme huis was. En vanavond kwam

haar vader thuis! O, als die zijn lieve Lotje niet vond, wat zou hij

bedroefd zijn! En wie weet, of hij zijn Lotje wel ooit zou weerzien!

Want had dat leelijke wijf niet gezegd, dat er wolven in ’t bosch waren.

En wolven eten kinderen op; dat had ze immers in ’t sprookje van

Roodkapje duidelijk gelezen. Al die akelige gedachten en nog zoo veel

andere kwamen in haar op, terwijl ze daar bitter schreiend het oude wijf

stond na te kijken.

Ons Lotje was voor haar jaren een heel verstandig kind.

„Als ik den weg eens opging, dien het oude wijf gegaan is,” zei ze bij

zichzelf, „dan kom ik zeker terecht!” En, hoe bang ze ook voor de

dievegge van haar sieraden was, liep ze snel dien kant uit. Juist was

zij den hoek van ’t pad om, toen ze het oude wijf op een heelen afstand

een hoek zag omslaan. Zoo gauw ze nu kon, liep ze het rechte pad af;

doch aan den hoek gekomen, welken ’t wijf was omgeslagen, kwam ze aan

een kronkelpad en zag ze haar in geen velden of wegen. Toch sloeg ze dat

kronkelpad in, en — wat hoorde ze daar? . . . Een rijtuig op den grooten

weg!

„Dus ben ik dicht bij den straatweg!” riep ze uit. „Laat mij nu goed

luisteren, waar het rijtuig rijdt; dan ga ik dien kant op.”

Duidelijk hoorde ze ’t ratelen der wielen harder worden, toen weer

verminderen, eindelijk wegsterven. Maar ’t was nu geheel donker geworden

en ’t zou haar dus moeilijk vallen om de gebaande paden te houden.

Daarenboven hield ze die ook niet, want ze vreesde, en niet ten

onrechte, dat die haar van den rechten koers mochten afleiden. Ze drong

dus regelrecht naar ’t punt toe, door ’t lage dennenhout heen, dat hier

gelukkig niet dicht op elkander stond; want ze smachtte er naar om op

den straatweg te komen, waar ze waarschijnlijk menschen zou vinden, die

haar den weg naar ’t dorp konden wijzen, of wellicht een rijtuig, dat

haar zou meenemen. Hier en daar bleef ze aan de dennentakken vastzitten,

waardoor ze een winkelhaak in haar jurkje haalde. Daar reed weer een

rijtuig over den grooten weg. ’t Scheen een boerenwagen te zijn, dat kon

ze aan ’t zware rollen hooren. Maar hij was dichter bij dan ’t vorige

rijtuig, dat was zeker. Met moed zette ze dus haar koers voort, dwars

door ’t geboomte heen, en — tot haar onuitsprekelijke blijdschap, stond

ze eenige minuten later op den straatweg.

Intusschen was er nu wel veel, maar niet alles gewonnen. Ze wist niet,

of ze rechts of links moest gaan. Ging ze den verkeerden kant op, dan

verwijderde zij zich hoe langer meer van het dorp. Daarenboven — zouden

er, bij den avond op den zoo zelden bereden weg nog rijtuigen komen?

Wandelaars zeker niet; daarvoor was het te laat.

Daar stond ze weer in diepe gedachten stil, en hoe blij ze ook was, dat

ze ten minste uit het bosch was, ze was nog allesbehalve thuis. Bedroefd

zette ze zich op een steenhoop aan den weg neder.

„Ik zal wachten, tot ik de klok van ons dorp hoor slaan,” zeide ze. „Dan

weet ik ten minste, welken kant ik gaan moet.”

Dat was heel verstandig van haar. Maar ik heb u ook al gezegd, dat ze

voor haar leeftijd heel verstandig was. Het duurde echter lang, eer haar

verlangen vervuld werd en ze de klok hoorde slaan. Waarschijnlijk had

die juist geslagen, toen ze nog in ’t lage dennenhout was, en had ze

haar daardoor niet gehoord; daarbij valt de tijd altoos dubbel lang, als

men op iets wacht, en daarom scheen ’t haar toe, alsof die klok nooit

zou slaan. Eindelijk, daar klonk het: „een, twee, drie, vier, vijf, zes,

zeven, acht.”

„Halfacht of acht uur!” zeide zij verschrikt. „O, wat zal moeder

ongerust zijn! Wie weet, waar ze mij zoeken! — Maar wat is die klok

veraf. O, wat ben ik een eind van ons dorp afgedwaald! Wie weet, hoe

laat ik thuis kom! Maar thuis kom ik toch vóór den nacht! Als ik maar

niet zoo moe was! Ik moet nog een oogenblik blijven zitten, maar niet te

lang: want ik heb zoo’n vaak, en als ik lang zat, dan had ik kans dat ik

in slaap viel.”

’t Was heel verstandig geredeneerd; maar ’t zou nog vrij wat

verstandiger geweest zijn, als ze maar terstond was opgestaan; want

zonder dat ze ’t wist viel ze, terwijl ze slechts een oogenblik wilde

uitrusten, in een diepen slaap, waaruit haar zelfs ’t geratel der wielen

van een aankomend rijtuig niet wakker deed worden. Ze droomde juist van

huis en van haar moeder, van Anton en kleine Pietje, toen ze wakker

gemaakt werd door een heer, die over haar heen boog, en nog half slapend

een rijtuig met twee brandende lantaarns op ’t midden van den weg zag

stilstaan. Zoo slaperig was ze, dat ze weer ingesluimerd zou zijn, had

de heer haar niet met een paar stevige armen opgenomen en in ’t rijtuig

gedragen, waar hij haar naast zich neerzette.

IV.

HOE ’T BIJ LOTJE AAN HUIS WAS.

Anton was naar zijn meester gegaan en had Lotje natuurlijk niet ontmoet.

Enkele dorpsmeisjes, welke hij tegengekomen was en naar haar gevraagd

had, konden hem geen uitsluitsel geven. Zoo kwam hij bij zijn meester,

nam zijn les, en was zoo bezig met hetgeen hij leerde, dat hij Lotje

geheel vergat. Toen hij echter ’t schoolhuis verlaten had en op straat

was, kwam ze hem weer in de gedachten.

„O, ze zal nu wel al lang thuis zijn,” dacht hij, en stapte onbekommerd

voort.

Maar in huis vond hij alles in rep en roer: moeder in doodelijke onrust

over haar Lotje; tante Eef en Jaantje het dorp in, om bij al de

kennissen te vernemen, of ze daar ook was.

„En ieder oogenblik kan je vader thuis komen,” riep zijn moeder uit. „En

wat zal de goede man zeggen, als hij zijn Lotje niet vindt!”

„Moeder,” zeide Anton, „natuurlijk is Lotje in het bosch verdwaald. Hoe

ze echter in ’t bosch gekomen is, begrijp ik niet.”

Uit Ons Dorp: Drie Verhalen voor Meisjes · 第 6 / 7 段