hiernaast, Truitje en nog een ander meisje, is ze, door de heerlijke
blauwbessen, die er stonden, verlokt geworden. De drie andere meisjes
hebben zich dichter bij elkander gehouden; maar Lotje schijnt van haar
afgedwaald te zijn; ten minste, toen ze naar huis wilden gaan en door
elkaar te roepen, weer bij elkander kwamen, kwam, ondanks al haar
schreeuwen, Lotje niet voor den dag. Wel een bewijs dus, dat zij verder
afgedwaald was, dan zij vermoedden. Na nog eenigen tijd gezocht te
hebben, gaven ze ’t zoeken op, en, eensdeels zich verbeeldende dat Lotje
alweer op den straatweg zou zijn, in aantocht huiswaarts, misschien
reeds lang thuis, voor zij ’t nog waren, anderdeels zelf niet langer uit
durvende blijven, gingen ze terug en kwamen laat genoeg in het dorp aan,
om ook haar ouders in onrust te brengen. En zoo zijn ze zonder ons lieve
Lotje teruggekeerd.”
„’t Eenige wat er aan te doen is, moeder,” zeide Anton, „is, dat eenige
mannen met fakkels mij vergezellen en we in ’t bosch zoeken. Zoo ver af
kan ze toch niet gedwaald zijn, of we zullen haar spoedig vinden.”
„We zullen eerst de terugkomst van tante Eef en Jaantje afwachten,”
zeide de angstige moeder. „Als Lotje soms hier of daar bij den een of
ander aan ’t praten was, zouden we voor niet een geheele opschudding in
het dorp veroorzaken. ’t Ergst van alles is, dat vader vanavond komt; en
wat zal die wel zeggen, als hij Lotje niet vindt?”
„Misschien is ze vóór dien tijd wel thuis,” zeide Anton troostend. „Ik
wou, dat tante Eef en Jaan maar terugkwamen; dan zouden we ten minste
weten, wat we moeten doen.”
’t Duurde wel een half uur, eer beiden terug waren. Ze waren elk aan een
kant van het dorp in de verschillende huizen geweest, waar Lotje
kennissen had; maar Lotje hadden ze er niet getroffen.
„Och wat zou er toch met Lotje gebeurd zijn?” riep tante Eef schreiend
uit, zoodra zij in huis kwam. „Begrijp eens, niemand heeft haar gezien!”
„Neen, juffrouw,” zeide nu Jaantje, die ook binnen kwam, „aan den
anderen kant is Lotje ook niet geweest. Ik ben bij vrouw Jansen geweest,
en die woont heel aan ’t eind van ’t dorp, maar zij wist er niets van.”
Terwijl men aan ’t beraadslagen was over ’t geen men doen zou, kwam er
een rijtuig de straat oprijden.
„Dat zal vader zijn,” riep Anton uit. „O, op welk een ongelukkig
oogenblik komt hij!”
„We kunnen hem met geen treurige gezichten ontvangen!” zeide zijn
moeder, terwijl ze haar tranen droogde. „Eerst, als hij in ons midden
zit, zullen we ’t hem vertellen. Mocht hij naar Lotje vragen, dan zeggen
we, dat ze naar bed is. Eigenlijk ben ik blij, dat hij thuis komt; dan
kan hijzelf maatregelen nemen, om haar te zoeken.”
Op dit oogenblik hield het rijtuig voor ’t huis stil, en snelde ze naar
de deur, om haar man te verwelkomen. Spoedig was deze in de helder
verlichte kamer, waar hij door zijn schoonzuster, Anton en Karel
verwelkomd werd. Jacob en Pietje waren nog te klein om op te blijven en
dus naar bed gebracht, omdat moeder niet wist, hoe laat vader misschien
thuis zou komen.
Dat was een ontmoeting! Ge kunt begrijpen, dat de kapitein in de eerste
verrukking zijn kleine Lotje zoo gauw niet miste. Hij zag ook niet, dat
zijn vrouw en tante Eef roodgeschreide oogen hadden, en dat Anton een
erg benauwd gezicht zette.
„Jongens, wat is het toch heerlijk om thuis te zijn,” riep hij uit,
zoodra de eerste begroeting afgeloopen was. „’t Oude spreekwoord: „Oost,
west, thuis best!” is wel waar. De man die het bedacht heeft, is zeker
ook zeekapitein geweest!”
„Maar, Pa,” merkte Karel nu aan, „dat kan ik aan u toch niet merken. Als
u het thuis dan zoo prettig vindt, waarom blijft u dan niet bij ons?”
„O, lepidum!” zeide de kapitein hartelijk lachend. „Weet je dan niet,
dat ik juist telkens weg moet, om het hier zoo prettig, gezellig en
huiselijk te maken? Als ik niet op reis ging, waar zou de schoorsteen
dan van rooken?”
„Ja, dat is waar,” antwoordde Karel, „maar er blijven zooveel menschen
thuis, bij wie de schoorsteen toch rookt! Als u nu eens iets anders
werd?”
„Op mijn leeftijd, mijn jongen, gaat dat maar zoo gemakkelijk niet,”
antwoordde de kapitein, „en daarenboven ik houd veel van de blauwe
baren: de zee is mijn element!”
Onder het gesprek zaten tante Eef en Lotjes moeder elkander angstig aan
te kijken, en zagen vol vrees het oogenblik te gemoet, waarop de
kapitein naar Lotje zou vragen. Eensklaps gebeurde dit, en zeide hij:
„Waar is Lot?”
„Ze had zoo’n slaap en is naar bed gegaan,” zeide zijn vrouw.
„O, die luie meid! Kon ze niet opblijven, totdat haar vader thuis was?”
zeide hij. „Kom, ik ga even naar boven en moet haar en de beide anderen
toch eens kussen. Misschien wordt ze wel wakker, en dan breng ik haar
mee naar beneden.”
Lotjes moeder zat in pijnlijke onrust. Als haar man boven kwam en hij
vond Lotje niet in haar bedje, — dan zou hij zeker vreeselijk ontstellen
en niet weten, wat er gebeurd was. Daarom zeide zij:
„Wacht nog even. Ze mocht eens schrikken, als ze je zoo in eens zag.
Laat Eef liever naar boven gaan en zien, dat ze haar wakker krijgt.
Slaapt ze dan zoo vast, welnu, dan kunt ge gerust gaan.”
„Nu, mij is ’t goed,” antwoordde de kapitein. „Eef, als je ’t wilt doen,
ga dan maar gauw; want je begrijpt wel, dat ik erg naar Lot verlang.”
Toen tante Eef naar boven was, begon Lotjes moeder:
„Hoor eens, lieve man! Ik moet je iets mededeelen. . .”
„Wacht even met je mededeeling,” viel hij zijn vrouw in de rede, „want
daar hoor ik voetstappen op straat. ’t Zijn zeker de mannen met het
cadeau, hetwelk ik je uit de Oost heb meegebracht. Ik moet er zelf bij
zijn, dat ze ’t voorzichtig dragen; anders mocht het eens breken.”
„Laat Anton dat maar doen,” zeide zijn vrouw.
„Neen, ik vertrouw ’t niemand toe dan aan mijzelf. Ik heb het
opzettelijk in den Gouden Valk van de imperiaal der vigilante laten
afhijschen, om dat ik bang was dat de koetsier met Jaan het niet
voorzichtig genoeg zouden doen. Ha! daar schellen ze reeds!”
En eer zijn vrouw er iets tegen doen kon, was hij de kamer al uit en
naar de voordeur.
Kort daarna kwamen er twee mannen met een lange, vierkante mand binnen.
De kapitein liep er naast.
„Voorzichtig maar! Voorzichtig!” riep hij.
Nadat de mannen de mand voorzichtig hadden neergezet en ze, na van den
kapitein een fooi gekregen te hebben, vertrokken waren, zette deze de
lamp dicht bij den rand der tafel, en een oogenblik vergat Lotjes moeder
haar verdriet, uit nieuwsgierigheid, wat er toch voor kostbaars uit die
mand zou komen. Ook Anton en Karel stonden er vol verwachting bij. Juist
kwam tante Eef van boven. Haar zuster wenkte haar, dat ze haar man nog
niets van Lotje gezegd had.
„Lot slaapt zoo vast, dat ik haar niet wakker kan krijgen,” zeide ze.
„Nu, dat is niets,” zei de kapitein. „Dan zal ik haar straks wel wakker
kussen. Kom nu echter hier, Eef; dan zal ik je eens laten zien, wat ik
voor mijn vrouw uit de Oost heb medegebracht. Je zult zeker nog nooit
zoo’n cadeau aanschouwd hebben.”
Ook tante Eef kwam bij de mand staan, waarvan de kapitein de touwen heel
bedaard lossneed. Toen nam hij er het deksel af, en — daar verrees met
een lachend gezicht en beide armen naar moeder uitgestrekt, de kleine
verlorene dochter, de lieve Lotje.
Met een kreet van blijdschap nam de verrukte moeder het kind uit de mand
en barstte in tranen van lang opgehouden aandoening uit.
„Moe! lieve Moe! Ik zal ’t nooit weer doen!” riep Lotje.
„Goddank! dat ik je terug heb!” riep de moeder. „Ondeugende man! om mij
zoo te doen schrikken,” zeide ze onder haar tranen door lachende.
„Ondeugend?” vroeg de kapitein. „Omdat ik je ons Lotje terugbreng?”
„Maar hoe hebt ge haar toch gevonden?” vroeg zij.
„Dat zal ik je straks vertellen, en daarna mag Lotje spreken. Doch gaat
eerst allen zitten, en tante Eef, krijg een fijne flesch wijn en laat
Jaan dan glazen geven; dan zullen we straks op mijn welkomst en den
gelukkigen terugkeer van ons lieve Lotje drinken.”
„Dat is goed,” zeide zijn vrouw, die met Lotje op haar schoot aan de
tafel ging zitten. ’t Was alsof ze bang was, dat het kind haar weer
ontnomen zou worden.
„Je bent je belletjes kwijt, en je ketting ook!” zei ze, toen ze haar
Lotje goed bekeek. „Waar heb je die gelaten, Lot?”
„Dat zal ze je straks wel vertellen,” zeide de kapitein. „Ha, daar is
Eef al met den wijn en Jaan met de glazen! Geef nu maar hier, dan zal ik
de flesch opentrekken, en schenken we de glazen vol, om straks te
drinken.”
Nadat hij dit gedaan had, vertelde de kapitein:
„Ik reed langs den straatweg, toen de koetsier eensklaps ophield. — „Wat
is er?” — vroeg ik hem. „Is er wat met de paarden of ’t rijtuig
gebeurd?” — „Neen, mijnheer,” antwoordde hij. „Wees maar volkomen
gerust. Doch zie eens, daar aan den kant van den weg, daar zit een klein
meisje op een hoop steenen te slapen.” — „’t Zal een bedelaarskind
zijn,” zeide ik. — „Ik geloof ’t niet, mijnheer,” antwoordde hij; „’t
heeft ten minste, voor zooveel ik zien kan, een hoedje op.” — In een
oogenblik was ik het rijtuig uit, en daar zag ik werkelijk bij ’t licht,
dat de lantaarns op haar wierpen, een klein slapend meisje zitten. Ik
riep haar wakker; ze keek even op, maar liet haar hoofdje weer
zakken. — „Ik zal haar in ’t rijtuig nemen,” zeide ik en tilde haar op.
„’t Is zeker een kind van ons dorp, dat te ver geloopen en hier in slaap
gevallen is.” — Dit zeggende, nam ik het slapende kind op en droeg het
naar ’t rijtuig. Doch eer ik er het kind inlegde, hield ik het dicht bij
een der lantaarns van ’t rijtuig, om te zien, of ik ’t ook kende.
Verbeeldt u, hoe verbaasd ik opkeek, toen ik daar mijn lieve Lotje zag,
ofschoon met blauwe lippen en blauwe vingers, die mij verrieden, dat ze
aan ’t boschbessen plukken geweest was. Nu maakte ik haar wakker. En
toen ze mij herkende en de armpjes om mijn hals sloeg, om mij met haar
blauwe bekje te kussen, week alle slaap uit haar oogen. Ik zette haar nu
in ’t rijtuig, nam haar op mijn schoot en nu moest ze me vertellen, hoe
ze hier gekomen en wat haar al zoo gebeurd was; en dat mag ze straks nog
eens aan u allen doen. Doch eerst moet ik mijn vertelling afmaken. Ik
beval nu den koetsier, om aan den Gouden Valk stil te houden. — „Hemel!
kapitein,” riep de kasteleines uit. „U hier! En Lotje bij u! Nu, dat is
een geluk! Uw vrouw heeft al door ’t heele dorp naar haar laten zoeken
en is mooi in angst.” — „Kom, dan zullen we eens een grap hebben.
Vooreerst, juffrouw, moest je eens even de blauwe dame schoonmaken; en
dan, kastelein, heb je geen leege champagnemand, waar ze in kan? Dan
rijd ik naar huis, en laat jij de mand voorzichtig door een paar mannen
aan huis brengen. Als ze te gelijk met mij de deur uitgaan, zijn ze er
juist op hun tijd.” — De kastelein vond die verrassing zoo aardig, dat
hij spoedig met een leege mand kwam aandragen. Nu vertelde ik Lotje, dat
ze heel zoet in de mand moest gaan liggen en vooral heel stil zijn, als
ze bij Moe in de kamer kwam; en ’t kleine ding heeft zich goed gehouden.
Heeft ze niet, Moe?”
„Nu, dat zou ik zeggen!” zeide Lotjes moeder, terwijl ze haar lieveling
nog eens aan haar hart drukte.
„En nu,” zei de kapitein, zijn glas opnemende, „nu op mijn terugkomst en
de gelukkige terugvinding van onze lieve Lotje!”
„Daar drinken we volgaarne op,” zei tante Eef. „En dat je nooit weer in
de noodzakelijkheid moogt komen, om je vrouw zulke presenten uit de
Oost mee te brengen!”
„Dat wensch ik van harte!” zei de kapitein lachende.
„Maar nu is de beurt aan Lotje, om te vertellen,” vervolgde hij, nadat
men gedronken had. „En als je haar gehoord hebt, zul je moeten
toestemmen, dat het kleine ding geducht bijdehand is! Was ze dat niet
geweest, dan zat ze misschien nog midden in ’t bosch te slapen, en dan
konden we met een aantal fakkeldragers haar gaan opzoeken. Door haar
gevatheid heeft ze gemaakt, dat mijn thuiskomst een dubbel feest is.”
Lotje vertelde nu, wat ze haar vader reeds verhaald had, en wat we ook
alreeds weten.
„Hoe slim, niet waar?” zei de kapitein, toen Lotje haar vertelling
gedaan had, „om ondanks haar verdriet en angst dat oude wijf in de verte
te volgen en toen door dik en dun regelrecht op den rijweg af te gaan en
te wachten tot de klok sloeg, om geen verkeerden kant in te slaan.”
„Maar ’t was niet slim van je, Lot, dat je gingt slapen,” zeide Anton.
„Ik had zoo’n slaap en ik was zoo moe,” zei Lotje heel onnoozel.
„En zouden we niets kunnen doen, om haar belletjes en haar ketting terug
te krijgen?” vroeg haar moeder.
„Ik vrees, dat alles tevergeefs zal zijn,” antwoordde de kapitein. „De
dievegge zal wel zorgen, dat ze vooreerst niet hier op het dorp komt;
want Lotje heeft haar gezegd, waar ze woonde; — dus dat weet ze. En waar
zul je ’t wijf vinden, dat waarschijnlijk een landloopster is en ’t
gestolen goed zoo gauw mogelijk van de hand zal doen. Ze zijn nu eenmaal
weg, en ’t is geen doodwond. Laat ons er dus maar geen moeite voor
doen. — Lot krijgt van mij andere belletjes en een anderen ketting,
zoodra ik naar Amsterdam moet, hetgeen over een paar dagen ’t geval zal
zijn, als mijn schip in ’t Oosterdok ligt. Laat ons maar tevreden zijn,
dat we ons lieve kind gezond en ongedeerd weer hebben! Beter de
belletjes en de ketting weg, dan mijn Lotje.”
Toen de eerste verrukking een weinig bedaard was, herinnerde Lotje zich
het gesprek, dat zij met Keetje had gehad, en zij besloot nu dadelijk
met haar verzoek voor den dag te komen. Zij bedacht zich even en zette,
terwijl ze dat deed, zulk een ernstig gezichtje, dat de kapitein
uitriep: „Wel, Lot, waar zit je zoo vreeselijk ernstig over te denken?
Je zet een gezicht, alsof je weer naar het bosch moest.”
„Pa, ik wou u wel eens wat vragen,” zeide Lotje bedeesd, „en ik zou zoo
heel graag willen, dat u het deed.”
„Wat is dat een geheimzinnig begin,” zeide haar vader lachend. „Ik kan
toch vooruit niet beloven, dat ik doen zal wat je wilt. Wie weet, welke
dwaze gedachten er in dat kleine hoofdje huizen!”
„Neen, Pa, ’t is heusch niet dwaas,” beweerde Lotje ernstig.
„Kom, biecht dan maar op,” zeide Anton vroolijk. „Wie weet, welke slimme
gedachten Lot in het bosch gekregen heeft!”
„Jongen, je begrijpt er niets van,” antwoordde Lotje. „En ik zou het wel
aan uw oor willen vragen, Pa,” voegde zij er vleiend bij. „Nu, kom dan
maar hier, op mijn knie,” zeide de kapitein. „En vertel mij dan eens,
wat voor vreeselijke zaken je te zeggen hebt.” Lotje zat nu op haar
vaders knie, sloeg haar beide armpjes liefkoozend om zijn hals en legde
haar wang tegen zijn baard, terwijl zij fluisterde:
„Als u weer naar zee gaat, Paatje, dan moet u ons allemaal mee op ’t
schip nemen.”
„Jullie allemaal meenemen!” riep de kapitein uit, die groote oogen
opzette. „Lot, hoe kom je aan dat dwaze denkbeeld? Begrijp eens,” voegde
hij er tot de anderen bij, „Lotje wil, dat ik jullie allemaal mee op ’t
schip neem, als ik weer op reis ga!”
„O, hoe kom je daaraan?” riep haar moeder lachend uit. „Nu, man, je
zoudt een schip vol krijgen.”
„Lotje is zeker bang, dat zij weer verdwalen zal,” merkte Anton nu aan,
„en ze denkt, dat we haar op het schip gauwer zullen vinden.”
„Vindt u het dan zoo heel gek?” vroeg Lotje onschuldig. „Wij konden dan
allemaal bij elkander blijven, en Moe zou niet meer huilen, als het zoo
hard waait.”
„Ik zou het ook wel prettig vinden, als wij bij elkander konden
blijven,” antwoordde de kapitein, terwijl hij haar over haar krullebol
streelde. „Maar op zee zou ik jullie toch liefst niet bij mij hebben; ik
zou maar bang zijn, dat je in het water vielt of zeeziek werdt.”
„En, Lot, hoe moest het dan met je schoolgaan?” vroeg Anton. „Of zou je
het leeren er maar aan geven?”
„Wel neen, Pa moest een meester mee aan boord nemen, en dan was het
toch even zoo goed alsof wij schoolgingen: we konden dan immers ook
leeren,” zeide Lotje.
„’t Is heel aardig van je bedacht, Lotje; en ’t zou voor mij heel
gezellig wezen, maar het zou je aan boord volstrekt niet bevallen. We
zullen de zaken dus maar laten, zooals ze zijn; en daar heb je een
lekkere wafel, eet die nu maar eens smakelijk op.”
Lotje was de heldin van dien avond. Maar dit beloofde ze, dat ze nooit
weer met een of meer van haar vriendinnetjes blauwbessen in het bosch
zou gaan plukken. Als ze het dan wou doen, zou ze vragen, of vader of
moeder of tante Eef meeging.
Den volgenden ochtend ging Lotje weer naar school. Zoodra zij op de
plaats voor het schoolhuis kwam, werd zij aan alle kanten met vragen
bestormd, want het was nog een minuut of tien te vroeg, en dus stonden
de meisjes buiten een beetje met elkander te praten.
„Welkom in het leven, Lot!” riep Truitje uit.
„Lot, waar heb je gisteren toch gezeten?” riep Keetje.
„We dachten, dat je verongelukt waart,” zeide een ander.
„Of door de kunstenmakers meegepakt!” zeide Truitje.
„Meisjes, weest nu eens stil, dan zal ik jelui op de hoogte brengen,”
zeide Lotje.
„Maar waar was je toch, Lot?” vroeg nu Keetje weer.
„Ik mag wel vragen, waar jelui waart,” antwoordde Lotje. „’t Is wat
moois, om mij in den steek te laten. Ik heb jullie geroepen en
geschreeuwd van belang, want ik had zoo’n heerlijk plekje gevonden! ’t
Stond er vol blauwbessen; ik kon ze allemaal niet opeten. En ze waren
zoo lekker rijp! Jullie hebben wat gemist!”
„Maar waar heb je toch gezeten, Lot?” herhaalde Keetje. „Iedereen is
doodelijk ongerust over je geweest.”
„Ik was verdwaald,” antwoordde Lotje en vertelde nu in kleuren, hoe
alles zich had toegedragen. Toen zij aan die ontmoeting met de dievegge
kwam, zeide Keetje:
„Hoe jammer, dat je je belletjes en kralen kwijt bent! Heb je knorren
gehad?”
„Wel neen, Keetje, volstrekt niet. Moe was veel te blij, dat ze me
weerom had,” antwoordde Lotje. „En Pa gaat gauw naar Amsterdam en zal
dan nieuwe voor mij koopen.”
„Nu, dat is prettig,” riep Truitje uit. „Maar daar slaat het negen uren;
kom, ga mee naar binnen.”
Een dag of wat later ging de kapitein met Anton naar Amsterdam en
bracht, behalve verschillende cadeaux, voor Lotje een klein pakje mede,
waarin een paar oorbelletjes en een bloedkoralen ketting met gouden slot
waren; en op dat pakje stond met groote letters: Voor
HET VERDWAALDE KIND.
INHOUD.
1. JANSJE DE SLODDERVOS.
bladz.
I. Jansje en haar moeder 7
II. Wat er van den tocht naar den kersenboomgaard kwam 17
III. Vaders gedachtenis 26
2. ANNES KANARIETJE.
I. Hoe Anne aan haar kanarievogeltje kwam 49
II. Hoe Annes kanarietje ’t maakte 60
III. Wat Annes moeder haar van oom Frans vertelde 68
IV. Wat er op zekeren nacht gebeurde 76
V. Hoe de kanarie een groote rol in Annes lot speelt 84
3. HET VERDWAALDE KIND.
I. Waarin we kennis met Lotje maken 97
II. De vreemde kunstenmakers 107
III. Het verdwaalde kind 121
IV. Hoe ’t bij Lotje aan huis was 129
CORRECTIES
aanhalingsteken toegevoegd of verwijderd
komma toegevoegd of verwijderd
punt toegevoegd
‘ze’ toegevoegd (toen ze opeens de)
! toegevoegd
‘een’ toegevoegd (Daar ’t pas een kwartier over eenen was)
zie => zei (voor den spiegel en zei)
achterstvoren => achterstevoren (haar achterstevoren voor den spiegel)
laaste => laatste (te vinden dan de laatste)
kamerje => kamertje (en dan op ’t kamertje)
aande => aan de (ook de boekenplank aan de)
. => :
een => eens (Hoor eens, Jans,)
hatelijk => hatelijke (een hatelijke en afzichtelijke ondeugd)
langzamerhad => langzamerhand (maar langzamerhand vond ze het)
haud => hand (waarna het op haar hand)
intuschen => intusschen (Anne was intusschen)
vrindinnetje => vriendinnetje (zoo’n lief vriendinnetje)
angsting => angstig (maar een angstig ding)
antwoorde => antwoordde (vader thuis komt,” antwoordde Anne.)
plinter => splinter (dat er een splinter inzit)
daar => haar (zich en haar dochtertje)
verassen => verrassen (mee was komen verrassen)
. => ?
den => dan (liever dan mijn kanarie)
kenissen => kennissen (hun kennissen verteld had)
volstekt => volstrekt (o neen, volstrekt niet)
ge makkelijk => gemakkelijk (pleizierig en gemakkelijk)
’k wou => ’k Wou (’k Wou zelf ook graag)
. => ,
eensklap => eensklaps (eensklaps uit)
anstig => angstig (angstig te worden)
anstige => angstige (haar angstige verbeelding)