„Maar dat is onbegrijpelijk!” riep de vreemdeling uit. „Ik ben die

Frans, die de wijde wereld inging en die nu, na twintig jaren weg te

zijn geweest, rijk teruggekomen ben en sedert maanden naar mijn zuster

Leida zoek, wier adres ik maar niet kan uitvinden. Slechts dit heb ik

kunnen opsporen, dat ze zich ergens in deze streken moet ophouden;

indien ze ten minste nog leeft.”

„Frans!” riep nu Annes moeder uit, terwijl ze opstond en den vreemdeling

de hand reikte, „Frans, mijn verloren broeder! Ik ben je zuster Leida,

die jaren lang smachtend naar je verlangd heb.”

„Lieve, lieve Leida!” riep Frans, en drukte zijn zuster in de armen.

„Oom Frans!” zeide Anne. „O, moeder heeft zooveel jaren naar u verlangd,

en ik ook!”

„En jij heet Anne, evenals onze dierbare moeder?” riep oom Frans uit.

„Naar mijn grootmoeder,” zeide Anne, die door haar oom in de armen

gesloten werd.

Natuurlijk bleef oom Frans dien geheelen dag bij zuster en nichtje. Daar

was wat te vertellen van weerskanten, en er werd dien dag weinig

uitgevoerd, behalve dat Anne voor een goed middagmaal zorgde.

Oom Frans had vrij wat lotgevallen gehad in die twintig jaren; doch nu

hij rijk geworden was, dreef hem zijn verlangen naar het vaderland

terug. In zijn geboortestad gekomen, had hij vreemden in ’t ouderlijke

huis gevonden en vernomen, dat zijn vader gestorven en zijn zuster

naar elders verhuisd was. Bij toeval was hij er achter gekomen, dat

hun oudtante haar in huis had genomen. Toen reisde hij derwaarts; doch

ook de oudtante was al sedert jaren dood en niemand kon hem iets

bepaalds van zijn zuster zeggen; slechts een voormalige dienstmeid

herinnerde zich, dat ze met een timmerman getrouwd was, die ergens op

een dorp in Gelderland moest wonen. Den naam echter van den timmerman

en van het dorp herinnerde zij zich niet. Reeds had oom Frans

verscheidene dorpen bezocht en bij de burgemeesters aanzoek gedaan, om

het bevolkingsregister te mogen naslaan, om te zien, of hij daar ook

den naam zijner zuster zou vinden; doch tevergeefs. Wel had hij op een

paar registers een naam gevonden, geheel gelijk aan dien, welken hij

zocht, maar bij nader onderzoek was hem gebleken, dat de bedoelde

persoon niet zij was, welke hij zocht. En zoo was hij gisterenavond

hier gekomen en had zijn intrek genomen in ’t logement. Juist was hij

op weg naar den burgemeester, toen ’t gezang van den kanarievogel hem

deed stilstaan en — hij zijn zoo lang gezochte zuster vond.

Het eind onzer geschiedenis is gauw verteld. Oom Frans kocht een

allerliefst huisje, dat toevallig leeg stond, en trok daarin met Anne en

haar moeder, die nu niet meer voor de lui behoefden te naaien, maar

zich bezighielden met de bezorging van ooms huishouding. Het huis werd

knap gemeubeld en de tuin van bloemen voorzien. Maar wie in ’t nieuwe

huis een eereplaats kreeg, ge kunt het wel begrijpen, was

ANNES KANARIE.

[Illustratie]

HET VERDWAALDE KIND.

I.

WAARIN WE KENNIS MET LOTJE MAKEN.

Lotje was een alleraardigst meisje van negen jaren. Zeker zoudt ge van

haar gehouden hebben, als ge ze gekend hadt. Daar ge haar nu niet kent,

wil ik u wat meer van haar vertellen, opdat ge belang in haar moogt

stellen.

Vooreerst wil ik u dan mededeelen, dat Lotje in een groot dorp woonde en

dat ze dus geen stadsjuffertje was. Daarom was ze echter geen boerin en

zag ze er niet minder lief uit, — dat behoeft ge niet te denken. Ze had

een allerliefst, fijn besneden gezichtje, een paar helder blauwe oogen,

een paar roode wangen en een blonden krullebol, die haar allerliefst

stond. Ze was echter geen eenig kind, o neen, volstrekt niet, maar wel

’t eenige dochtertje. Vooreerst had ze een ouderen broer, Anton, een

jongen van bijna twaalf jaren, een stevigen kerel, die als ’t op

vechten aankwam, zijn vijand stond. Overigens was hij een lobbes van een

jongen en Lotje vooral zijn lieveling; zeker omdat zij zijn eenig zusje

was, kon zij alles van hem gedaan krijgen. En dat wist de slimmerd ook

wel; daarom kwam ze, als ze wat hebben wou, altijd bij Anton, van wien

ze dan trouwens ook veel hield, dat moet ik zeggen. Dan had Lotje nog

drie broertjes, een van zeven, die Karel heette, een aardig kereltje,

dat al aan de hand van Lotje mee naar de dorpsschool ging en al wat

flink leerde lezen; verder Jakob, die pas vijf jaren oud was, en dan het

kleine driejarige Pietje.

Van dat jongste ventje hield Lotje al heel veel en ze kon tusschenbeide

net met hem doen, alsof ze zijn moedertje was. En Pietje hield ook veel

van Lot, zooals hij haar noemde. Dragen mocht Lotje hem echter niet: dat

was haar volstrekt verboden; want er is niets gevaarlijker, dan wanneer

kleine meisjes haar broertjes of zusjes dragen. Vooreerst voor de

kinderen, want kleine meisjes hebben geen kracht genoeg om hen recht te

houden, en als ze zwikken, zijn ze soms voor hun leven ongelukkig. En

welk lief meisje zou er graag de schuld van zijn, dat haar broertje of

zusje, als het door haar schuld mank ging, of een bochel had, later tot

haar zeide: „’t Is jou schuld, dat ik zoo ongelukkig ben. Als je moeder

gehoorzaamd hadt, dan zou je mij niet gedragen hebben, dan was ik niet

gezwikt en voor mijn leven misvormd geworden.” En ten tweede is het

dragen van kinderen zeer gevaarlijk voor de kleine meisjes zelf. Ik ken

er, die er zelf door gezwikt zijn en nu aan beide kanten mank gaan, en

anderen die er scheef door geworden zijn. Laat u dus raden en draagt

nooit kleine kinderen!

Lotje dan deed het nooit. Als ze met Pietje in den tuin speelde, die

achter hun huis was, en ’t kleine ventje werd moe en riep: „Draag, Lot!”

dan zei Lotje: „Wel zeker, mannetje! We zullen een koetsje voor je

bestellen, hoor!” En dan zette ze hem op een grasperk neder, ging naast

hem zitten, en plukte gras en gooide hem daarmee, en dan had het kleine

kereltje een plezier, dat het omverrolde, met zijn kleine mollige

beentjes in de hoogte, welke Lotje dan greep, terwijl hij zich zoo

dapper verweerde en zoo hartelijk lachte, dat Lotje met hem mee moest

lachen. Gewoonlijk als hij dan lang genoeg gespeeld had, kwam zijn

moeder of de meid hem halen, want hij was dan te moê, om naar huis te

loopen; hij had ook zulke kleine beentjes, en die moesten zoo’n zwaar

lichaampje dragen. Want ons Pietje was een kleine dikkerd. Soms was

Pietje wel eens wat knorrig, en dan wist Lotje wel hoe laat het was. Dan

ging ze met hem op het gras zitten, nam hem op haar schoot, hield hem in

haar armen en zong:

„Slaap, kindje! slaap!

Daar buiten loopt een schaap!

Een schaap met witte voetjes,

Dat drinkt zijn melk zoo zoetjes,

Een schaap met witte wol, wol, wol!

Dat drinkt zijn buikje vol!”

En dan viel Pietje op haar schoot in slaap en bleef zij geduldig met hem

zitten, totdat haar mama of de meid het slapende kind kwam halen, ’t

heel voorzichtig optilde en zoo zacht mogelijk in zijn wiegje legde, om

zijn tukje te voleindigen. Dikwijls gebeurde het, dat Lotje dan bij zijn

wiegje bleef zitten, tot hij weer wakker werd. Kleine Pietje was voor

Lotje een groote pop; maar een levende pop, waar ze mee speelde. En

evenals een meisje niet altijd met een pop speelt, zoo was Lotje ook

natuurlijk niet altijd met Pietje bezig.

Dat zou ze ook niet hebben kunnen doen. Vooreerst toch ging Lotje op

school en daar had ze haar vriendinnetjes, met wie ze soms op het

kerkhof touwtje sprong of naloopertje speelde. Op het kerkhof, vraagt

ge? Dat is een rare plaats om te spelen. Maar ’t was niet het kerkhof,

waar de menschen van het dorp begraven werden. Dat was voor jaren wel

het geval geweest, maar nu sinds een onheuglijken tijd niet meer. Het

kerkhof was een ruime hof of plaats om de kerk van het dorp, voor een

groot deel met een muurtje omgeven en waarop hooge, dikke populieren

stonden en gras groeide. O, ’t was daar zoo prettig om stuivertje

wisselen te doen; want de boomen stonden heel geregeld. En

schuilevinkje! Dat was ’t niet minder; want er stond aan den achterkant

van ’t kerkhof heel dicht struikgewas, waarachter men zich kon

verschuilen, en dan waren er de beeren van de kerk, van die groote

schuins toeloopende steenklompen. Ik verzeker u, dat Lotje en haar

kornuitjes daar pret genoeg konden maken; en Lotje was niet de minst

dolle, dat verzeker ik u. ’t Gebeurde dan ook dikwijls, dat ze thuis

kwam met haar hoed in de hand, haar krullebol in wanorde, zoodat die

veel van een raagbol had, een kleur als bloed en een paar oogen

glinsterend van de pret. Dan zei haar moeder wel eens: „Lot! Lot! Wat

ben je weer aan ’t ravotten geweest!” en dan antwoordde Lotje: „O, Moe!

ik heb zoo’n pret gehad; dat weet u niet half!” Dikwijls echter kwam ze

met een winkelhaak of een scheur in haar jurk thuis, die ze in ’t

kreupelboschje had opgedaan of was haar jurk bij ’t „kruipdoor

sluipdoor” van achteren geheel uit de plooien getrokken. Maar als dat

het geval was, dan liep het niet zoo af; want Lotjes moeder mocht wel

eens de zon in het water zien schijnen; maar ze was er toch op gesteld,

dat Lotje haar goede jurken wat ontzag. Dan kreeg Lotje knorren en

beloofde zij, dat ze voortaan voorzichtiger zou zijn; maar ’t

onbedachtzame meisje hield die belofte niet lang: want, al nam ze zich

ook nog zoo stellig voor, om voorzichtig te zijn, — in ’t vuur van ’t

spelen vergat ze haar belofte ten eenen male. Nu, dat gebeurt wel meer

meisjes van mijn kennis!

Dat spelen ging echter alleen in den zomertijd en bij mooi weer; in den

winter moest ze zich thuis vermaken, en dan speelde ze ’t liefst met

haar broer Anton. Maar die was zoo groot en had gewoonlijk zooveel werk

voor zijn meester (want behalve dat hij de school bezocht, kreeg hij nog

extra lessen), dat hij niet veel tijd had om met Lotje te spelen, en dan

moest ze zich maar met den zevenjarigen Karel vergenoegen, met wien ze

paardje of andere jongensachtige spelen deed. Nu moet ge niet denken,

dat Lotje zoo’n halve jongen was, — ’t geen wel het geval had kunnen

zijn, daar ze één meisje onder vier jongens was. Daar had haar

moeder voor gezorgd: want die verzocht van tijd tot tijd een paar

vriendinnetjes bij haar, en die brachten haar poppen mee, waarmede men

speelde. En dan mocht Lotje uit haar lieve, kleine serviesje koffie

schenken en liet moeder van die aardige kleine broodjes bakken, die zoo

goed op de bordjes van haar serviesje pasten. Dan moesten de poppen ook

aan tafel zitten, en kregen meer knorren, omdat ze niet recht zaten, of

omdat ze zoo stuursch keken, dan eten of drinken, — want dat kregen ze

in ’t geheel niet; waar ze trouwens ook niet rouwig om waren, om de

eenvoudige reden, dat ze toch niet eten of drinken konden.

Ik denk, dat ge nu ons Lotje genoegzaam hebt leeren kennen en ’t wel een

heel aardig meisje zult vinden, dat u zeker wel bevallen zal en waarmee

ge gaarne zoudt omgaan. Ik moet u toch nog in ’t voorbijgaan zeggen, dat

Lotje, al was ze pas negen jaren, heel goed leerde en ook veel lust en

ijver bezat, waarom de meester haar dikwijls prees. Dat is zeker: nooit

zou ze gaan spelen, vóór ze haar lessen kende of haar werk voor de

school gemaakt had; want moeder had haar reeds vroeg geleerd, dat er

niets verkeerder is dan uitstellen, dat er dikwerf van uitstel afstel

komt, en dat het allerpleizierigste is, als men zijn werk achter den rug

heeft, vóór men gaat spelen.

En nu wil ik u eens vertellen, wat Lotjes vader was. Lotjes vader was

kapitein op een koopvaardijschip, en daarom dikwijls maanden lang van

huis. Vroeger hadden ze in een zeestad gewoond; maar om de gezondheid

van vrouw en kinderen had hij hier een woning gehuurd. ’t Kon hem dan

ook eigenlijk weinig schelen, waar hij woonde: want een groot deel van

’t jaar was hij op reis. Zijn vrouw echter vond het buiten heel

pleizierig, vooral des zomers. Maar, daar haar man altijd zoo lang van

huis was, vond ze het toch wel wat eentonig altijd onder kinderen te

zijn en nooit eens een groot mensch te zien om, vooral wanneer de

kinderen naar bed waren, een toespraak aan te hebben. Daarom had ze,

zoodra ze buiten gingen wonen, een jongere, ongetrouwde zuster bij zich

in huis genomen, die haar niet alleen tot een allerpleizierigst

gezelschap verstrekte, maar haar ook in ’t huishouden een trouwe hulp

was. Die zuster, een allerliefst mensch, die veel van kinderen en nog

meer van de kinderen van haar zuster hield, heette Eva en werd door hen

bij verkorting tante Eef genoemd. ’t Was een lieve tante, die tante Eef,

en al de kinderen hielden veel van haar, vooral Lotje, die dan ook haar

lievelingetje was en die veel van haar gedaan kon krijgen, waarom ze

tante nog al eens in den arm nam.

De reden, waarom tante Eef zooveel van Lotje hield, was niet alleen,

omdat zij het eenige meisje onder vier jongens was, maar ook omdat er

eens iets gebeurd was, toen Lotje nog heel klein was en dat ik u wil

vertellen. Zooals ge weet, woonden zij vroeger in een zeestad, en daar

kan het erg druk zijn met allerlei vreemde matrozen en ander volk. Toen

ter tijde was tante Eef nog niet in huis bij Lotjes moeder, maar

logeerde er nu en dan een poosje. Nu moet ge echter niet denken, dat die

stad, waarin zij woonden, vlak aan zee lag. Jongens neen, men moest nog

wel een half uurtje door een rivier varen, alvorens men aan zee kwam. Ge

begrijpt wel, dat bijna al de menschen die daar woonden een eigen

roeibootje hadden, want dat was pleizierig en gemakkelijk meteen. Als ’t

nu zomeravonds mooi weer was, dan krioelde het op de rivier van bootjes,

met menschen natuurlijk er in. Lotjes vader had ook zoo’n bootje

gekocht, en als hij op reis was, en dus zijn familie niet zelf kon

roeien, dan werd er een stevige, groote man aangenomen, die dat voor een

kleinigheidje deed. Zijn vrouw echter was altijd wel een beetje angstig

op het water, vooral als de kleine peuzels er bij waren, en daarom ging

zij dan ook niet dikwijls met hem uit roeien. Tante Eef echter was

dapperder, en dus kwamen de kinderen altijd maar bij haar bedelen, als

zij graag geroeid willen worden. Lotje was destijds vier jaren en Anton

zeven. Op een dag kwam de laatste bij haar en vroeg: „Och tante, gaat u

eens met ons roeien, ’t is zulk mooi weer?”

„Hoor eens, jongens,” antwoordde tante Eef, „dat zou ik wel willen doen,

maar ’t zal zoo vol zijn op de rivier, en je weet moe heeft het niet

graag.”

„Roeien, tante, roeien,” riep nu de kleine Lotje. „Lotje graag roeit!”

„Wel, kinderen,” zeide nu tante Eef, die door het vleiende stemmetje van

Lotje bijna overgehaald was, „’k Wou zelf ook graag. Nu, dan zal ik het

eens vragen!”

En nu ging tante Eef naar haar zuster toe en bepleitte de zaak der

kinderen. Hoewel ongaarne, gaf deze eindelijk haar toestemming en in een

wip was Anton weg, om den man die hen roeien zou te gaan roepen. Lotje

liep dansende door de kamer en zong: „Lotje mag roeien; o, wat een

pret!”

„Maar, Eef,” zeide nu Lotjes moeder, „ik vind toch, dat je Lotje niet

mee moet nemen, want ze is nog zoo klein en zoo wild. Als het maar goed

afloopt.”

Nu was de pret van het kleine meisje heelemaal over en liet zij haar

lipje hangen, hoewel zij niet ondeugend werd. Traantjes sprongen er uit

haar oogjes, haar lippen trilden en zij keek Moes en tante Eef zoo

smeekend aan, dat beiden overwonnen werden.

„Och, zuster,” zeide tante Eef, „ik zal goed op haar passen; laat haar

meegaan!”

Lotjes gezichtje helderde op, en zij drong zich tegen haar moeder aan,

terwijl zij zeide:

„Lotje zal zoet zijn, Moes! Heel zoet zijn!”

Nu gaf moeder eindelijk haar toestemming, en maakten zij zich gereed om

heen te gaan.

Toen zij het huis uitgingen, riep moeder hen nog na, om vooral goed op

te passen en gehoorzaam te zijn.

Vroolijk gingen zij met hun drieën naar de rivier, waar het bootje al

gereedlag. Tante Eef hield Lotje stevig vast, en toen stapten zij er in.

Anton kwam daarna, en een oogenblik later stiet de roeier van wal.

Zij voeren heel pleizierig een poosje de rivier op, maar toen zij

weeromgingen, kwamen zij verscheidene bootjes tegen, die stroomopwaarts

roeiden, en ’t werd eindelijk zoo vol, dat zij slechts langzaam vooruit

konden komen. ’t Werd ook al wat donkerder, en dus zeide tante Eef aan

den roeier, dat hij gauw moest maken dat zij thuis kwamen. De man deed

zijn best, maar juist door de haast die hij maakte stootten een paar

bootjes tegen elkaar. Het kleine Lotje verloor haar evenwicht en viel in

het water!

Ge kunt u de vreeselijke schrik en onsteltenis van tante Eef en Anton

voorstellen. Lang bedenken kwam hier niet te pas; er moest gehandeld

worden. Gelukkig echter zonk Lotje niet dadelijk, maar bleef met haar

jurk aan de pin, die van buiten in de boot zat, haken. Tante Eef greep

haar, maar ongelukkig scheurde de jurk door Lotjes zwaarte verder af,

zoodat zij hoe langer hoe dieper zonk. Op dit gevaarlijke oogenblik boog

tante Eef zich echter over haar heen, stak beide armen in het water en

had het geluk, het kleine meisje om het middel te vatten en haar dus op

te halen.

Lotje schreide erg, zooals ge kunt begrijpen, maar had echter geen

letsel bekomen. Weldra waren zij thuis en nu nam de man, die hen geroeid

had, het kleine meisje op den arm en droeg haar naar binnen. Het eerste

wat zij riep, toen zij bij haar moeder kwam, was: „Lotje is zoet

geweest, Moe. Heusch zoet geweest!”

Nu vertelde tante Eef de toedracht der zaak en werd Lotje uitgekleed en

warmpjes in haar bedje gestopt. Gelukkig liep alles goed af en kon

Lotje den volgenden dag weer opstaan, en behalve een kleine verkoudheid

wist zij er later niets van af.

Ge kunt echter begrijpen, dat na dit voorval tante Eef nog veel meer van

Lotje ging houden, en deze, die wel wist, welke armen haar uit het water

hadden gehaald, hing met haar geheele hart aan haar lieve tante Eef.

Verder moet ik u nog zeggen, dat er vlak bij het dorp een groot bosch

was, waardoor een rijweg liep, die van naburige steden of dorpen naar

het dorp van Lotjes ouders voerde. Dat bosch was heel groot, en behalve

den rijweg had men er nog verscheidene voetpaden in; zoodat hij, die er

niet in bekend was, er gemakkelijk in kon verdwalen.

En nu denk ik, dat ge alles weet, wat ge noodig hebt, om ’t vervolg van

mijn verhaal te verstaan, hetwelk ik hoop, dat u wel bevallen zal.

II.

DE VREEMDE KUNSTENMAKERS.

„Kom, Lot! dat moeten we gauw gaan zien,” zeide Keetje, Lotjes

schoolvriendinnetje en buurmeisje tot haar, toen de school uitging. „Ik

hoor, dat er op het plein voor den Gouden Valk kunstenmakers bezig zijn

hun kunsten te vertoonen.”

„Och, kom!” zeide Lotje ongeloovig. „Nu hou je me zeker voor den gek.

Kunstenmakers! Die komen hier nooit dan met de kermis.”

„Ik weet het niet,” antwoordde Keetje. „Ik hoorde het van de meid, die

Henriëtte kwam halen, en die ’t mij vertelde.”

„Nu, dat moeten we dan eens gauw gaan zien,” zeide Lotje. „Maar lang

durf ik niet; want Moe wacht me straks met eten.”

„Een kijkje kunnen we toch wel even nemen,” zei Keetje. „Zóó lang zal

dat niet duren.”

„Laat ons dan maar geen tijd verliezen,” zei Lotje.

En veel harder dan anders liepen onze beide vriendinnetjes naar ’t plein

voor den Gouden Valk. Ze kwamen echter te laat en maar juist bijtijds

genoeg, om de heele kunstenmakersfamilie de herberg te zien binnengaan,

waar ze zeker haar middagmaal zouden gebruiken.

„Kijk eens,” zei Lotje. „Die man is bijna geheel naakt!”

„Ben je dwaas!” antwoordde Keetje. „Die man heeft een gebreid

vleeschkleurig pak aan, en dat noemt men tricot. Die juffrouwen met haar

korte rokjes hebben ook geen bloote beenen, maar broeken van tricot aan.

Alleen haar armen zijn bloot.”

„Nu, dat is grappig,” zei Lotje. „Ik dacht al, dat is niet heel

fatsoenlijk, om zoo naakt langs de straat te loopen.”

„Kom, laat ons gauw naar huis gaan en eten,” hernam Keetje. „Na den eten

zullen ze wel weer beginnen; want zie, ze hebben al hun boel buiten

laten staan, en daar past die kleine jongen op.”

„Zou die dan niet moeten eten?” vroeg Lotje.

„Wel zeker: ze zullen hem ’t eten wel brengen, of anders zal er een

vooruit eten, om hem te vervangen,” antwoordde Keetje.

Daaromtrent gerustgesteld, ging Lotje met haar buurmeisje naar huis.

„Nu, tot straks,” zeide deze. „Ik zal dadelijk aan moeder vragen, of ik

na den eten eens mag gaan kijken.”

„Ik ook,” zeide Lotje. „Moeder zal het mij zeker wel toestaan.”

„Ik zou niet weten, waarom niet,” zeide Keetje. „’t Was iets anders, als

je zelf kunsten moest doen.”

Lotje moest lachen om die aanmerking van Keetje.

„Nu, dat zou me mooi afgaan,” zeide ze. „Adieu! tot straks.”

En met deze woorden deed ze de voordeur open en stapte haar huis in.

Ze vond hier alles in vroolijke opgewondenheid, en vroeg Anton naar de

reden daarvan.

„Dat zal ik je zeggen, Lot. Vanmorgen, terwijl we in school waren, is er

een brief van vader gekomen, met het bericht dat zijn schip te

Nieuwediep is binnengeloopen en dat hij hoopt nog vanavond thuis te

zijn.”

„O, dat is heerlijk!” zeide Lotje. „Die goede, lieve Pa! Ik verlang al

om hem te zien! En wat zal moeder blij zijn!”

„Dat kun je begrijpen!” zeide Anton. „Nu, ’t zal vanavond een recht

feest zijn!”

„Heb je de kunstenmakers al gezien, die op ’t plein voor den Gouden Valk

hun kunsten verrichten?” vroeg Lotje.

„Kunstenmakers? Neen!” antwoordde Anton. „Ik ben regelrecht van school

hier naar toe gekomen en daar ik er niets van wist, ben ik niet naar den

Gouden Valk gegaan.”

„Veel heb je er niet bij verloren,” zeide Lotje. „Ik hoorde het

toevallig van Keetje, aan wie de meid van Henriëtte ’t verteld had. We

zijn naar den Gouden Valk gegaan, maar kwamen net bijtijds, om de drie

laatsten binnen te zien gaan.”

„O, maar na den eten zullen ze wel weer hun kunsten vertoonen, en dan ga

ik er eens naar kijken. ’t Is gelukkig Woensdag en er is dus geen

middagschool.”

„En dan ga ik toch met je mee, Anton?” zeide Lotje. „Alleen zou ik

misschien niet mogen.”

„Wel zeker ga je met me mee,” zeide Anton. „Als Moe het ten minste wil

hebben.”

„Waarom zou Moe ’t niet hebben willen, vooral als jij bij me bent?”

vroeg Lotje.

„Dan moet je ’t straks maar vragen; dat is het beste, wat ik er op

weet,” zeide Anton. „En als je dan moogt, dan gaan we samen.”

Ditmaal deed Lotje iets tegen haar gewoonte: ze ging uit, eer ze haar

lessen geleerd en haar werk gemaakt had. Maar ’t was haar ook onmogelijk

te wachten, totdat ze dat afhad. Daarenboven had ze er nu geen hoofd

naar. Wie toch kan aan werk maken of lessen leeren denken, als daar

ginds een troep kunstenmakers hun toeren laten zien en we er naar toe

gaan kunnen. Daarbij zou Anton ook geen geduld gehad hebben om op haar

te wachten; want ook hij verlangde nu de kunstenmakers te zien, die een

bijzonderheid op het dorp waren en er waarlijk niet alle dagen

doorkwamen.

Lotje vroeg of zij mee mocht, en haar moeder had er niets tegen, want

zooals ik al gezegd heb, zij was een goede vrouw, die haar kinderen wat

graag een pleiziertje gunde. Nu zeide zij echter nog tot het kleine

meisje:

„Lot, denk er aan om niet te lang weg te blijven, want je weet wel, dat

vader elk oogenblik thuis kan komen, en je zoudt toch zeker niet graag

willen, dat je uit waart, als het rijtuig voor de deur stilhield.”

„Hè, moe, dat weet u wel beter,” antwoordde Lotje, terwijl haar

levendige kijkers glinsterden van genot bij de gedachte aan de

ontmoeting. „Neen, we moeten allemaal thuis zijn, als Pa komt, en dan

vlieg ik hem meteen om zijn hals!”

„Wel zoo, dus jij wilt de eerste begroeting hebben,” zeide Anton, haar

met den vinger dreigend. „’t Is wat moois, Lot, om zoo begeerig te

zijn.”

Op dit oogenblik kwam Jaantje binnen met het verzoek, of zij een paar

eieren uit den kelder mocht krijgen.

„Eieren?” vroeg Lotje nieuwsgierig. „Waarvoor moet Jaan eieren hebben,

Moe?”

„Wat ben je weer nieuwsgierig,” zeide haar moeder lachend. „Begrijp je

dan niet, dat wij vanavond toch wat bijzonders moeten hebben, om vaders

terugkomst luisterrijk te vieren?”

„Wat zal dat een heerlijke avond zijn,” antwoordde Lotje, met een zucht

van genot. „Is het een tulband, of bakt Jaan wafelen?”

„Dat moet je nu maar eens afwachten, juffrouw vraagal,” antwoordde haar

moeder.

„Kom, Lot, ga je nu mee?” vroeg Anton. „Anders heb je kans, dat ze hun

kunsten allemaal al gedaan hebben.”

„Ja, komaan dan,” antwoordde Lotje. „Ik ben wat verlangend, om al dat

moois eens te zien.”

„Hier heb je wat centen, kinderen,” zei Lotjes moeder, terwijl ze er

ieder een stuk of drie gaf. „Je begrijpt wel, dat die menschen hun

kunsten niet voor niemendal doen; daarom gaan ze eenige keeren met het

bakje rond en halen centen op, en ’t is niet meer dan billijk, dat

ieder, die toekijkt, hun wat geeft; want het kunsten maken is

allesbehalve gemakkelijk en daarenboven hun broodwinning.”

Uit Ons Dorp: Drie Verhalen voor Meisjes · 第 5 / 7 段