haar ondergoed aan, nam ’t verdere op den arm en was juist op ’t punt,
om de deur uit te gaan, toen ze eensklaps bleef stilstaan, terugtrok en
uitriep:
„O, Moe! mijn kanarietje! Als dat maar niet verbrandt!”
„Nu, dan zullen we ’t meenemen,” zeide de steeds angstige moeder, kreeg
’t kooitje van den spijker en snelde met Anne de trap af. Weldra waren
zij beneden en daar zagen zij, hoe het huis van den burgemeester in
lichtlaaie vlam stond.
„Maar, Moe,” zeide Anne, „waarom is u toch zoo bang? De brand is immers
nog ver genoeg van ons vandaan.”
„Op ’t oogenblik nog wel,” antwoordde haar moeder, „maar je kunt niet
weten; ’t is droog weer en de wind is juist dezen kant op.”
„Waar is vader toch?” vroeg Anne, verwonderd, dat zij hem niet zag.
„O, vader is al lang weg, om mee te helpen blusschen, Anne. Je begrijpt,
dat ieder nu mee moet doen,” antwoordde haar moeder.
„Ja, Moe, dat begrijp ik,” zeide Anne. „Ik hoop, dat Emmie en de andere
broertjes en zusjes maar gered worden, en de kanarietjes ook. Wat zou ik
bedroefd zijn, als mijn vogeltje moest verbranden,” voegde zij er bij,
terwijl zij haar vinger tusschen de traliën stak en het diertje over
zijn kop aaide.
„Maar de kanarietjes zijn toch het ergste niet,” merkte haar moeder
glimlachend aan. „Hé, zie eens, daar komt oude Betje ook aan. Moet je
ook eens kijken naar den brand?” vroeg zij aan het oude moedertje, dat
juist binnenkwam.
„Wel, wel, is het bij een klant van uw man?” zeide deze hoofdschuddend.
„Nu, aan den eenen kant is het goed, dan krijgt hij ten minste weer
groot werk. Want dat zeg ik maar, een timmerman kun je altijd goed
gebruiken.”
„Burgemeester is wel een klant van ons,” antwoordde Annes moeder, die
niet bemerkte, dat de oude vrouw haar verkeerd verstond. „Maar ik vind
het toch met dat al maar een angstig ding, die brand in het dorp. Hoe
licht vallen er stukken vuur!”
„’t Kwam aan in de schuur?” vroeg Betje. „Ja zie je, ik wou graag het
naadje van de kous weten en daarom kwam ik eens even overloopen. Zeker
heeft de tuinman een vonk uit zijn pijp in de schuur laten vallen. Ik
zeg maar, een mensch kan niet te voorzichtig wezen!”
„We weten niet, of de brand in de schuur aangekomen is,” riep Anne nu
zoo hard ze kon. „Vader is er naar toe om te helpen blusschen; als hij
weeromkomt, zullen we alles wel nader hooren.”
„Zoo!” antwoordde Betje, die nu verstond wat Anne had gezegd. „Als u er
dan niet tegen hebt, buurvrouw, dan wacht ik zoolang tot uw man komt.”
„Heel goed,” riep Annes moeder, met het hoofd knikkende, „ga dan maar
zoolang op een stoel zitten.”
„Och moe, wat ben ik ongerust over Emmie,” zeide Anne na een poosje. „Ik
zou zoo graag eens gaan kijken, of zij wel gered is!”
„’t Zou wat moois zijn, zoo’n klein meisje met die drukte op straat,”
antwoordde haar moeder. „Wel, je zoudt misschien overreden worden door
de brandspuiten. Neen, Anneke, blijf jij maar stilletjes bij mij.”
„Dat zal ik ook doen, Moe, maar ik verlang al dat vader thuis komt,”
antwoordde Anne. „Misschien brengt hij Emmie wel mee,” voegde zij er
bij.
Er verliep een half uurtje en ’t scheen, dat men den brand meester was,
want de vlammen verminderden. Na verloop van dien tijd kwam Annes vader
in huis.
„Wel, man, hoe is het met den brand?” vroeg Annes moeder. „’t Schijnt
wel, dat hij vermindert; ten minste ik zou zeggen, dat de vlammen
bedaren.”
„Ja, vrouw, dat is zoo, en daarom kom ik eens even thuis. Foei! is dat
werken!” voegde hij er bij, terwijl hij met de mouw van zijn jas het
voorhoofd afveegde.
„Ik heb wat koffie gezet,” zeide zijn vrouw nu. „Daar zul je zeker wel
trek in hebben, en buurvrouw ook?”
„Wat graag,” antwoordde haar man. „Ik ben dorstig geworden.”
„Vader, is Emmie gered?” vroeg Anne, toen haar vader zijn kopje leeg had
gedronken.
„Jawel, Anneke. Iedereen is gered. De brand heeft zich gelukkig bepaald
tot de schuren en een zijvleugel. Wij waren er te gauw bij!” zeide haar
vader.
„Komaan, dat is een zegen,” riep Annes moeder uit.
„Nu behoeft mijn kleine meisje niet zoo ongerust meer te zijn.”
Een poosje daarna ging Annes vader weer naar buiten, om eens te zien hoe
het er mee stond. Hij hielp nu nog zooveel mogelijk meubelen en kostbare
zaken redden, en aangevuurd door zijn voorbeeld deden de andere mannen
ook hun best. Eensklaps stond de burgemeester tusschen hen in.
„Wel, mannen,” zeide hij, „dank, hartelijk dank, voor ’t geen ge
vannacht voor mij gedaan hebt!”
„Wij willen er geen dank voor hebben, burgemeester,” antwoordde Annes
vader, „’t Spijt ons maar, dat wij niet meer hebben kunnen redden.”
„Komt nu allen eens bij mij binnen,” hernam de burgemeester; „wij hebben
’t een en ander klaargemaakt, om u te verkwikken.”
Zij gingen naar binnen, en hier vonden zij de vrouw van den
burgemeester, die hen ook hartelijk bedankte voor de verleende hulp.
Daarna gingen de mannen, die zoo moedig geholpen hadden, naar huis; dus
ook Annes vader, wiens vrouw en dochtertje recht blij waren, toen ze hem
zagen.
Er zullen zoo wat acht dagen na den brand zijn voorbijgegaan, toen Annes
vader er over klaagde, dat hij zoo’n pijn aan zijn rechterhand had.
„Ik begrijp niet wat het is,” zeide hij. „Sinds den nacht van den brand
klopt en gloeit die hand mij van belang. Als er maar geen splinter of
zoo iets in is.”
„Laat mij de hand eens zien,” zeide zijn vrouw. „Neen, ik zie er niets
bijzonders aan, maar men kan niet weten. Zou je er den dokter niet eens
bij laten komen?”
„Kom, vrouw, zoo erg is het niet,” antwoordde hij. „Misschien heb ik
haar wat verrekt of gestooten; ik zal er vanavond eens een kompres van
water en azijn op leggen.”
Maar wat Annes vader er aan deed, niets hielp, zoodat hij ten laatste
wel verplicht was er den dokter bij te halen. Deze trok een bedenkelijk
gezicht en zeide:
„Ik geloof waarlijk, dat er een splinter inzit, en dat is gevaarlijk,
vooral daar je zoo lang gewacht hebt om mij te laten halen. Ik raad u
echter de hand goed te laten pappen, want ’t gaat natuurlijk zweren.”
Zij deden nu trouw wat de dokter zeide, maar ’t scheen wel of niets
hielp, ten minste de ongelukkige hand wou maar niet beter worden.
Eindelijk zeide de dokter:
„’t Spijt mij, dat ik u zulk een treurmare moet mededeelen, maar ik houd
het er voor, dat als de wond genezen is, de hand stijf blijft.”
Dat was een schrik voor Anne en haar moeder, zooals ge kunt begrijpen.
Vaders hand stijf en dat van een timmerman! In ’t eerste oogenblik
schreiden allen naar hartelust, maar eindelijk bedaarden zij, en nu zei
de vader:
„Hoort eens, moeder en Anne, we moeten zoo gauw den moed niet laten
zinken. Komaan, ’t zal alles nog wel schikken. Ik kan wel is waar niet
meer zoo goed werken, maar de goede God zal wel zorgen, dat wij geen
gebrek lijden.”
„Ja, man, dat is wel zoo,” antwoordde Annes moeder, „maar je hebt al
zooveel klanten verloren in dien tijd, en die nieuwe timmerman op het
dorp doet ons zooveel nadeel. Waar zullen wij van leven?”
„Kom, geen zorgen voor den tijd; kleine karweitjes kan ik nog wel
waarnemen,” antwoordde haar man; „en dan zullen wij later wel zien, wat
wij moeten beginnen.”
Nu moeten mijn lezers weten, dat er sedert een korten tijd nog een
timmerman op het dorp was komen wonen, die Annes vader veel schade deed.
Ge zult wel zeggen, dat het niet heel mooi van de dorpelingen was om
Annes vader, die altijd zoo goed voor hen gewerkt had, de klandizie te
onthouden en naar een ander te gaan; maar och! dat gebeurt zoo dikwijls.
Het spreekwoord, nieuwe bezems vegen schoon is er niet tevergeefs, en
vooral op een dorp is dat dikwijls het geval. Als Annes vader nu maar
geld genoeg had gehad om een tijdlang te kunnen leven, zonder dat hij
werk kreeg, dan zou alles wel terecht zijn gekomen; want als het eerste
nieuwtje er af was, zouden de oude klanten wel terugkomen. Maar
ongelukkig had de goede man volstrekt geen geld en moest leven van ’t
geen hij verdiende. Dus werd het al schraler en schraler in huis, en
verdiende hij nog maar op zijn best zooveel, dat zij rond konden komen.
Nu zult ge wel zeggen: waarom vroeg hij den burgemeester niet om hulp?
Hij had hem met den brand toch zoo geholpen. Maar och, dat deed hij ook
niet graag, en de burgemeester wist niet, dat de timmerman het zoo hard
te verantwoorden had. Dus leefden zij zuinig en bijna armoedig voort.
Annes vader trok het zich op ’t laatst zoo erg aan, dat hij begon te
sukkelen. Hij kreeg anderendaagschen koorts, en hoeveel koortskruiden
hij dronk, niets hielp. Toen de dokter kwam, zag hij wel, dat er voor
den man geen kruid gewassen was, en op een morgen vond Annes moeder hem
ingeslapen om nooit weer te ontwaken.
Dat was een heele droefheid in huis, zooals ge kunt begrijpen.
„Moeder,” zeide Anne den dag daarna, „waar zullen wij nu van leven?”
„We zullen dit huis, waar wij in wonen, verkoopen, Annelief,” antwoordde
haar moeder, „en dan zal ik zien om naaiwerk te krijgen; dan zullen wij
er ons, hoop ik, wel doorslaan.”
„En dan gaan wij zeker op een kamertje wonen, niet waar, moederlief?”
vroeg Anne. „Dan neem ik den kanarie mee, en hang dien in ’t zonnetje;
dan vroolijkt hij ons op door zijn gezang, en dat is toch nog een
gedachtenis aan vader.”
„Zeker, Anne, we zullen veel van het diertje houden; want ’t is niet
alleen een gedachtenis van vader, maar ook een mooi, lief beestje,”
antwoordde haar moeder.
Zij deden zooals zij gezegd hadden, verkochten hun huis, en nu besloot
Annes moeder haar brood met naaien te verdienen. Eerst betaalde zij den
dokter, en nu bleef er maar een heel klein beetje over, dat zij voor
slechte tijden bewaarde.
V.
HOE DE KANARIE EEN GROOTE ROL IN ANNES LOT SPEELT.
Sedert dien tijd is er ruim anderhalf jaar verloopen; Anne is nu een
meisje van twaalf jaren en heeft de school verlaten, om haar moeder
behulpzaam te zijn. Ze wonen in een heel klein huisje, met slechts een
kamer en een klein zolderkamertje; want ze hebben ’t vrij armoedig.
Toen Annes vader begraven was, bleven ze nog voorloopig bij de doove
buurvrouw, die er niet van wilde hooren, dat ze naar een ander zouden
gaan, maar haar wilde houden, tot ze zelf een huisje gehuurd hadden. De
burgemeester en de notaris, die erg met Anne en haar moeder te doen
hadden, namen op zich, haar zaken te regelen. Van de meubelen hadden zij
slechts enkele gehouden.
Met behulp nu van den burgemeester en den notaris had Annes moeder dit
onaanzienlijk huisje gehuurd, waarvoor zij jaarlijks een heel kleine
huur betaalde; en zij leefden van het weinige, dat haar overgeschoten
was, terwijl de weduwe van de notabelen van het dorp naaiwerk kreeg, om
verder in de behoeften van zich en haar dochtertje te voorzien. En zoo
hadden ze tot hiertoe tamelijk onbekrompen geleefd, en thans was Anne
van school gekomen, om haar moeder te helpen.
Wat Annes kanarietje aangaat, dat zong nog steeds even fraai en helder,
en ’t was een troost voor moeder en dochter, die er dikwijls over
spraken, hoe haar lieve vader er haar voor vier jaren mee was komen
verrassen.
„Ik zou het voor geen geld ter wereld willen missen,” zeide Anne dan
dikwijls.
„Zoudt ge wel willen gelooven, dat je kanarie mij dikwijls een anderen
herinnert, dien we thuis hadden, toen mijn moeder nog leefde?” zei Annes
moeder eens.
„Och, Moe! is ’t mogelijk?”
„Dat beest zong net zoo prachtig als dit,” antwoordde de moeder. „En
evenals dit at het uit moeders hand en zette ’t zich op haar schouder.
En wat wonderlijk was: toen moeder gestorven was, begon het kanarietje
te treuren, kwijnde weg en stierf een half jaar later.”
„O, dat moet ook een allerliefst dier geweest zijn,” zeide Anne. „Zeker
net zoo lief als mijn snoesje.”
Om haar kanarietje pleizier te doen, bracht Anne het alle dagen naar ’t
kleine bovenkamertje, waar ze, toen ze nog school ging, haar lessen
leerde en haar werk maakte, want dan zat het in ’t zonnetje, en dat vond
het zoo prettig en dan zong het nog eens zoo hard. En zoo leefden moeder
en dochter gelukkig samen, toen ze op eens de eerste zware koortsen
kreeg, en de dokter moest gehaald worden. Deze oordeelde de koortsen
niet gevaarlijk, maar vreesde slechts, dat ze nog al lang zouden duren
en haar vreeselijk verzwakken. En dat was een heele beproeving voor Anne
en haar moeder; want nu kon de goede vrouw geen geld verdienen, en Anne
was nog te weinig gevorderd in het naaien, dan dat ze ’t werk van haar
moeder had kunnen doen. Na een week of vier verliet haar de koorts, maar
de zieke was zoo verzwakt, dat ze nog niets kon uitvoeren, en de dokter
beval versterkende middelen aan.
Toen Annes moeder ziek was geworden, had ze Anne gewezen, waar ’t geld
lag om huis van te houden, en Anne had dat zoo zuinig gebruikt, als
mogelijk was. Maar zieken vorderen bijzondere uitgaven, en dus was ’t
geld, dat er nog in kas was, op en zou Anne haar lieve moeder geen
versterking kunnen geven, en dan zou de goede vrouw haar krachten niet
kunnen terugkrijgen. Wat moest Anne doen? Ze had dezen dag het laatste
geld uitgegeven; hoe zou ze ’t morgen maken? Terwijl ze daar naast haar
moeder wakker lag, die gerust sliep, en zij den slaap niet vatten kon,
kwam haar eensklaps een denkbeeld voor den geest. Sedert ze op de
kostschool was, had Emmie, die daar andere vriendinnen gevonden had,
minder werk van haar gemaakt, en nu ze tot armoede vervallen was, scheen
de vriendschap geheel en al te zijn opgehouden. Nu wil ik niet zeggen,
dat de schuld geheel en al bij Emmie lag; Anne, die gevoelde hoezeer ze
nu bij haar vroegere vriendin in stand verschilde, had zich ook wel wat
teruggetrokken. Intusschen, wanneer Emmie haar ontmoette, was ze altijd
even vriendelijk jegens haar; maar ’t was niet meer die innige
hartelijkheid van vroeger. In één ding was Emmie niet veranderd, en dat
was in haar bewondering van Annes kanarievogel; en als ze voorbijkwam en
de kanarie stond voor ’t open bovenraam, dan bleef ze altijd luisteren,
en als Anne haar dan zag, zeide ze: „Ik gaf tien gulden, als ik zoo’n
vogel had!” — „Tien gulden voor mijn kanarievogel!” dacht Anne. „Als ik
tien gulden had, dan kon ik moeder de noodige versterking verschaffen.
Maar ach! dan moet ik afscheid nemen van mijn lieveling! Dan moet ik de
eenige nagedachtenis van mijn lieven vader vaarwelzeggen! Doch moeder
kan toch niet zonder versterking blijven! De dokter heeft het zoo
bevolen! En is moeder mij niet meer waard dan alle kanarievogels ter
wereld! Daarenboven — hij krijgt een goed huis en een lieve meesteres,
die niet minder van hem zal houden, dan ik van hem hield! ’t Moet, — het
kan niet anders.”
En met deze gedachte sliep ze in.
Den volgenden morgen, terwijl haar moeder nog sliep, volvoerde zij haar
plan.
„Nu, lieveling!” zei ze, „je krijgt een andere meesteres, maar een
vriendin, die veel van je houdt en bij wie je ’t goed zult hebben.”
Dit zeggende, pakte ze de kooi in een rooden zakdoek, dien haar vader
nog gebruikt had, droogde haar tranen en stapte moedig en vastberaden
naar ’t huis van den burgemeester, waar zij vroeg om juffrouw Emmie te
spreken.
De meid kwam met de boodschap terug, dat Anne maar in de huiskamer moest
komen, waar de familie aan ’t ontbijt zat. Anne had daar wel niet veel
lust in, maar ze kon het toch niet weigeren.
Beleefd groette ze allen, toen Emmie naar haar toe kwam.
„Wel, Anne! wat kom je al zoo vroeg doen, en hoe is ’t met je moeder?”
„Moeder begint beter te worden; maar ze is nog zwak en moet versterking
hebben, zegt de dokter.”
„Wel, wel! dat heeft zich gelukkig geschikt,” zei Emmies mama.
„Ja, mevrouw! Wel gelukkig geschikt!” antwoordde Anne. „Want wat ik
zonder moeder op de wereld zou begonnen hebben, weet ik waarlijk
niet. — Emmie,” vervolgde ze tot deze, „je hebt altijd zooveel zin in
mijn kanarievogel gehad en dikwijls gezegd, dat je er tien gulden voor
woudt geven. Is je dat ernst geweest, dan kun je hem er voor krijgen.”
Meer kon ze niet zeggen; want de tranen schoten haar in de oogen. Ze
deed den doek van de kooi af, en daar zat hij, de prachtige gele vogel,
wiens gezang ’t geheele dorp in verrukking bracht, zoodat de
voorbijgangers, als hij voor ’t open raam stond, dikwerf bleven staan
luisteren.
„Maar, Anne,” zeide Emmie, „dat kan je geen ernst zijn? Een
kanarievogel, waaraan je zoo gehecht bent, het laatste geschenk van je
vader kun je niet verkoopen.”
„’t Is mij volle ernst,” antwoordde Anne. „Ik zou hem dan ook aan
niemand verkoopen dan aan u, die even goed voor hem zult zijn, als ik ’t
altijd geweest ben.”
Emmie keek haar papa aan, en deze gaf haar een wenk, dat zij het doen
moest.
„Och, papa! leen mij eens even de tien gulden!” zeide ze.
De burgemeester gaf haar vier rijksdaalders, welke Emmie aan Anne ter
hand stelde. Zonder verder een woord te spreken haastte Anne zich om weg
te komen, want ze voelde het, dat ze ’t niet langer kon uithouden. Toen
ze dan ook op straat gekomen was, barstte ze in tranen los: de
opoffering van haar kanarie was haar schier te groot. Doch toen ze thuis
kwam en haar moeder juist wakker werd, had zij zich reeds weer hersteld
en haar tranen gedroogd, en het denkbeeld, dat ze nu geld had, om voor
haar lieve moeder versterking te koopen, maakte, dat ze zich troostte
over ’t verlies van haar kanarievogel.
Dien dag bemerkte haar moeder ’t verdwijnen van Annes lieveling niet;
doch toen ze hem ’s avonds niet, volgens haar gewoonte, naar beneden
haalde, vroeg ze haar, waarom ze dat niet deed.
„Och, Moe! ’t is warm genoeg voor hem om boven te blijven. Hij zingt ’s
morgens zoo vroeg, en dan ben ik altijd zoo bang, dat hij u wakker zal
maken. De dokter heeft gezegd, dat gij zooveel slaap noodig hebt en dat
die u versterkt.”
„Maar hoe komt het, dat ik hem den geheelen dag niet heb hooren zingen,
Anne? Scheelt hem wat?”
Nu kon Anne zich niet langer achter uitvluchten verschuilen. Eensklaps
sprongen haar de tranen in de oogen en bekende ze wat ze gedaan had.
„Maar, Anne! ’t liefste, wat je hebt, verkoopen!” riep haar moeder met
tranen in de oogen uit.
„U is me duizendmaal liever dan mijn kanarie!” zeide Anne, terwijl ze
zich weenend aan haar borst wierp. „Er was geen geld meer in huis en de
dokter had gezegd, dat gij versterking moest hebben.”
„Lief kind!” zeide haar moeder. „Maar ik verkies dat offer niet. Ga
terstond naar den burgemeester, geef de tien gulden terug en breng je
kanarie weer mee.”
„Dat kan ik niet meer doen, Moe!” antwoordde Anne. „Ik heb reeds van dat
geld uitgegeven en kan het dus niet terugbrengen. Daarenboven — we
moeten immers geld hebben; anders kunnen we niet leven. En dan, mijn
kanarietje is in goede handen, en van tijd tot tijd zal ik ’t wel eens
mogen zien.”
Annes moeder drukte het lieve meisje aan haar borst.
„Je bent een goed, braaf kind!” zeide zij. „God zal je zegenen voor ’t
geen je gedaan hebt.”
„En u gauw beter maken, lieve moeder,” voegde Anne er bij.
Hoe gewillig Anne ook haar offer gebracht had, ’t was haar den volgenden
ochtend toch heel treurig te moede, toen ze geen morgengroet van haar
kanarie ontving. Terwijl haar moeder nog sliep, redderde zij den boel
wat op; toen ging zij naar ’t bovenkamertje, om daar ’t raam open te
zetten.
Maar wat zat daar in de vensterbank op ’t opengaan van ’t venster te
wachten? Droomde ze, of was ze wakker? ’t Was een kanarie, haar kanarie!
Ja, ’t was geen andere; want toen ze ’t raam had opengeschoven, sprong
het diertje op haar vinger, en toen op haar schouder; waarop het een
zijner mooiste deuntjes aanhief.
Anne was zoo gelukkig, dat ze het lieve beestje wel aan haar hart had
willen drukken. Doch eensklaps bedacht zij zich.
[Illustratie]
„Je bent mijn eigendom niet meer, lieveling, en als ik je hield, zou ik
een diefstal begaan. Emmie heeft je eerlijk van mij gekocht, en ’t is
zeker bij ongeluk, dat je weggevlogen bent. Hoe lief ik je ook heb, — ik
mag je niet houden!”
Dit zeggende, deed ze den kanarie weer in den rooden zakdoek en snelde
er mee naar ’t huis van den burgemeester, waar ze weder in de
ontbijtkamer moest komen. Daar zag ze het ledige kooitje of tafel staan.
„Emmie,” zeide ze, „mijn — neen, uw kanarievogel is bij mij komen
invliegen. Ik breng je hem hier terug. Een geluk, dat hij juist bij mij
is gekomen; anders was hij misschien weg geweest.”
„Mijn zusje had zijn kooi opengezet, terwijl ’t raam openstond, en
toen is hij weggevlogen,” zeide Emmie. „Ik was al bang, dat het lieve
dier weg zou zijn en nooit weerom zou komen.”
„’t Zat bij ons in de vensterbank tegen de ruiten te pikken,” zeide
Anne. „Zoodra ik ’t raam opendeed, sprong ’t op mijn vinger en toen op
mijn schouder. Maar hier is de lieveling. Eigenlijk moest hij knorren
hebben, dat hij zoo stout is geweest; maar je moet het hem maar
vergeven. En je zusje mag wel oppassen; want hij had wel eens weg kunnen
zijn, of door de een of andere kat gepakt zijn geworden.”
Dit zeggende, zette ze den kanarie in het kooitje, sloot het, en wilde
heengaan.
„Neen, Anne,” zeide Emmie, „dat gaat zoo niet. Ik weet zeer goed, waarom
je je kanarietje verkocht hebt. Ik heb ’t je betaald, en ’t was mijn
rechtmatig eigendom. Maar nu ik het toch kwijt was, al was het dan ook
door onvoorzichtigheid van een ander, — wil ik het niet terug hebben.
Het is naar jou toegevlogen en heeft daardoor te kennen gegeven, bij wie
’t het liefst is. Thans is het jou eigendom.”
„Maar de tien gulden . . . .” zeide Anne aarzelend.
„Die zijn voor jou, brave dochter,” zeide de burgemeester. „Ik zal die
aan Emmie teruggeven, omdat ze zoo edelmoedig is. ’t Is een geschenk,
hetwelk ik je doe, en dat ge den burgemeester niet moogt weigeren.”
„O, dank, dank! mijnheer de burgemeester! Dank, lieve Emmie!” riep Anne
met betraande oogen uit. Toen snelde ze met de kooi, waarin haar
lieveling was, naar huis, waar ze juichend het gebeurde aan haar moeder
vertelde. En ’t was, alsof de goede vrouw zich veel beter gevoelde op
die tijding en ze herhaalde de woorden, welke ze gisteren sprak:
„Heb ik ’t je niet gezegd, dat God je zou zegenen voor ’t geen je gedaan
hebt?”
Door de versterkende spijzen, welke Anne voor haar moeder gereedmaakte,
was deze spoedig weer in staat, het onvoltooide naaiwerk af te maken; en
daar Anne haar nu hielp, kwam er weldra weer geld in huis, hetgeen zeer
gelukkig was, want de tien gulden duurden zoo lang niet. En ’t was
zeker, dat de burgemeester of zijn vrouw of Emmie de zaak met den
kanarievogel aan hun kennissen verteld had; want Annes moeder kreeg een
paar nieuwe klanten, waardoor ze vrij wat meer werk hadden en dus meer
geld konden verdienen.
Zoo gingen er twee maanden voorbij, en Annes moeder was geheel beter,
terwijl de kanarievogel de lieveling van beiden bleef. Op zekeren dag
had Anne hem weer voor ’t raam van ’t bovenkamertje in de zon gehangen
en zong hij luidkeels zijn schoonste lied, toen een goed gekleede
vreemdeling voor het venster bleef staan en aandachtig naar dat gezang
luisterde. ’t Was alsof hij er niet vandaan kon komen, zoo boeide het
hem. Eindelijk trok hij zijn stoute schoenen aan en schelde. Anne deed
hem open.
„Lief meisje!” zeide de heer vriendelijk, „is dat uw kanarievogel?”
„Ja, mijnheer,” antwoordde Anne.
„Zou ik hem dan wel eens mogen zien?”
„Waarom niet? Ga als ’t u belieft maar binnen; dan zal ik hem van boven
halen.”
En ze liet den vreemden heer in de kamer, waar haar moeder bezig was met
naaien. De heer groette Annes moeder beleefd.
„Ik ben misschien heel brutaal, juffrouw,” zeide de vreemdeling; „maar
gij moet het mij niet kwalijk nemen. Ik kwam hier toevallig voorbij en
hoorde uw kanarievogel zingen. Dat schoone gezang herinnerde mij een
dergelijken vogel, dien we thuis in mijn jeugd hadden en die even mooi
kon zingen. ’t Was mij, als was ik weer in dien gelukkigen tijd, toen
mijn lieve moeder nog leefde, wier lieveling hij was. En daarom vroeg ik
uw dochtertje, of ik dien kanarievogel eens mocht zien.”
„Ga toch zitten, mijnheer,” zeide Annes moeder. „Anne zal wel terstond
met den vogel komen. ’t Is haar lieveling, vooral sedert hij haar een
gedachtenis is van haar lieven vader.”
Juist kwam Anne binnen en zette den kanarievogel op de tafel.
„Wilt gij eens zien, hoe mak hij is, mijnheer?” vroeg ze en deed het
kooitje open. De kanarie sprong op haar vinger, toen op haar schouder en
begon te zingen.
„O!” riep de vreemdeling uit. „Zoo deed ook de kanarie mijner lieve
moeder. En zoudt ge wel willen gelooven, dat het dier, toen zij stierf,
aan ’t kwijnen is gegaan en haar geen half jaar overleefde?”
Annes moeder keek den vreemdeling oplettend aan.
„Heette de zoon uwer moeder, die zoo bedroefd over haar dood was, soms
ook Frans?” vroeg zij.
„Hoe weet gij dat, juffrouw?” riep hij verwonderd uit.
„En ging hij niet op zestienjarigen leeftijd de wijde wereld in, zonder
ooit weer iets van zich te laten hooren?”