droomde ze ’s nachts wel van kanarietjes. En toen ze ’s morgens wakker
werd en haar oogjes opsloeg, was ’t eerste wat ze zag, haar kleine
lieveling, die haar met zijn „pie! pie!” goedenmorgen toeriep. Ze
praatte met haar diertje, en dan was ’t net, alsof het haar antwoord
gaf!
Van dien dag af verveelde Anne zich niet meer, en vlogen de dagen om,
want elk oogenblik ontdekte zij nieuwe deugden in haar vogeltje, die zij
dan aan haar moeder of aan de oude Betje ging vertellen.
II.
HOE ANNES KANARIETJE HET MAAKTE.
Annes ouders woonden op een dorp, waar haar vader timmerman was.
Ofschoon een timmerman op een dorp niet zooveel verdient als in een
stad, had hij toch een fatsoenlijk bestaan en woonden ze in een lief
huis, waaraan de werkplaats in een groote houten schuur was gebouwd. Een
aardig klein tuintje lag achter het huis, en in dat tuintje kon Anne
zich best amuseeren, vooral des zomers, als er mooie bloemen in stonden.
Annes kamertje zag op dien tuin uit, en ’s morgens scheen het zonnetje
door haar raam, en als ze het dan openzette, hoorde ze de vogeltjes in
de boomen kwinkeleeren.
Maar ’t liefste van alle vogeltjes was haar kanarietje, dat haar elken
morgen begroette, en nu niet meer met zijn „pie! pie!” O, neen, ’t begon
langzamerhand al wat te zingen, nog wel niet veel en lang na elkander,
maar toch van week op week al mooier. Haar vader zei, dat het diertje
heel mooi zou zingen, als het oud genoeg was, en werkelijk deed het er
zijn best genoeg toe om zich te oefenen en ’t was soms, als luisterde
het naar de in den grooten boom bij ’t huis zingende vogels, om te
hooren, hoe die het wel deden.
Van al haar speelgoed was haar kanarietje haar toch het liefst, en haar
moeder had haar geleerd, hoe ze het kooitje schoonmaken moest, ’t water
uit het fonteintje doen, en er versch ingieten, en hoe ze het zaadbakje
schudden en afblazen en er weer nieuw zaad bijvoegen moest. En ’t was,
alsof het diertje haar kende, want het deed niet zooals andere kanaries,
die als men ze schoonmaakt blazen en bijten en hun veeren opzetten, — o,
neen ’t was, alsof het zich dankbaar betoonde, dat Anne zijn kooitje
weer zoo lekker frisch maakte en ’t versch water en nieuw zaad gaf.
Eenmaal ’t weeks en wel des Zaterdags maakte zij het schoon, en moeder
had een vasten dag daarvoor gesteld, opdat ze ’t niet vergeten zou. Dan
kreeg ze ook van moeder een klontje witte suiker, en daar was ons
kanarietje zoo mee in zijn schik; daar pikte het in en dan was ’t net,
alsof hij met zijn kopje knikte, en of hij zei: „Dank je wel, lieve
Anna! O, wat ben je toch goed op mij!”
Maar ’t werd hoog tijd, dat Anne wat zou leeren en naar de dorpsschool
zou gaan.
Anne was er, zooals wij weten, wat mee in haar schik, want zoo’n heelen
dag spelen beviel haar al lang niet meer, en ze zou nu met de andere
meisjes van haar leeftijd naar school gaan en bij haar zitten. En moeder
vond het ook heel prettig, want ze merkte wel, dat Anne zich van tijd
tot tijd begon te vervelen. Geen wonder ook voor een meisje van zeven,
bijna acht jaren, dat geen broertje of zusje heeft om mee te spelen. ’t
Werd voor haar een toer, om den geheelen dag door te brengen, en daarom
was ze heel blij, toen haar vader tot haar zeide: „Anne, je gaat morgen
naar school!”
„O, dat vind ik heerlijk, Pa!” zeide zij. „Ik heb er al naar verlangd.
Dan zal ik vragen of Suze en Keetje en Betje mij ’s morgens komen halen;
en wat zal dat aardig zijn, als ik daar dan bij al de meisjes van ons
dorp zit, en lezen en schrijven leer.”
Den eersten dag vond ze het toch al heel vreemd op school; want, al
kende ze ook de meesten der dorpsmeisjes, ze zat, omdat ze nog geen _a_
voor een _b_ kende, onder veel kleinere kinderen dan zij was. ’t Kwam
omdat ze zoo achteruit was. Maar Anne was een slim en vlug kind. Ze
vroeg aan den meester, om het leerboek mee naar huis te nemen en toen
verzocht ze haar moeder, om bij haar te mogen opzeggen en de volgende
les te leeren. Als ze dan op school kwam, zei ze tegen den meester:
„Meester, ik ken die les al,” en dan was de man er geducht over
verwonderd. Het gevolg daarvan was, dat ze heel spoedig zoover was, dat
ze in een andere klasse werd overgeplaatst en nu bij meisjes zat, die
meer met haar in leeftijd overeenkwamen. Dat vond ze recht pleizierig;
en, nu ze eens begonnen was, met zoo haar best te doen, kon ’t niet
anders of ze bleef goed vorderen, zoodat ze zeker een van de beste
leerlingen der school was.
Maar met al haar leeren vergat ze toch haar kanarievogeltje niet. Dat
bleef vóór en na den schooltijd haar uitspanning en genoegen. Niet
alleen, dat het beestje prachtig zong, zoodat kenners haar vader
verzekerd hadden, dat het zeven gulden waard was, maar het diertje was
zoo mak, dat ze zijn kooitje openzette. Dan kwam het er uit en ging op
haar hand zitten en pikte de kruimeltjes brood of de zaadjes er uit, en
als het dan genoeg gegeten had, dan sprong het op haar schouder en
beloonde haar met een alleraardigst deuntje. Ze hield dan ook zooveel
van het diertje, dat ze het voor alles ter wereld niet zou hebben willen
missen. ’t Zal u dan ook zeker niet verwonderen, dat ze er alle zorg
voor droeg en dat het nooit aan iets gebrek had.
Onder de menigte vriendinnetjes, die zij op school gemaakt had, behoorde
ook Emmie, het dochtertje van den burgemeester. Van haar hield Anne het
meest van allen, en dikwijls, als ze samen van school kwamen en ze vóór
haars vaders deur stonden, moest Emmie mee naar boven, om haar
kanarievogeltje te zien. En dat deed Emmie graag, want ze hield ook veel
van dieren. Maar zulk een lief kanarievogeltje had ze nog nooit gezien.
Ze hadden thuis wel een paar kanarievogels, die heel mooi zongen, maar
dat waren zulke nijdige dieren. Als men maar bij hun kooi kwam, dan
zetten ze hun veeren op en waren erg boos. En als de meid hen schoon
wilde maken, dan beten ze haar, net alsof ze hun kwaad wou doen, en toch
meende ze ’t goed met hen.
„O, o, wat is je kanarietje toch een lief dier!” zeide Emmie. „Ik heb er
nog nooit zoo’n lief gezien.”
„Ja, Emmie,” zeide Anne. „Je zult er ook op de geheele wereld geen zoo
vinden. En hoe aardig, dat het diertje voor jou ook niet bang is. Maar
dat komt, omdat je zoo’n lief meisje bent. Dat weten die diertjes ook
wel.”
„Maar het wil toch niet op mijn hand gaan zitten,” zeide Emmie.
„Nu, dat is ook geen wonder,” hernam Anne. „Al is hij niet bang voor je,
dan kan hij toch zoo familiaar niet met jou zijn als met mij. Want ik
ben zijn beste vriendin en daarenboven zijn meesteres.”
„Ik zou zoo graag ook zulk een kanarievogeltje hebben,” hernam Emmie.
„Mama zegt echter: we hebben al genoeg aan twee. Nu, als ze aan ’t
zingen zijn, kunnen ze ook leven genoeg maken, dat verzeker ik je!”
Zoo praatten onze beide vriendinnetjes meermalen over Annes kanarietje;
ook anderen die het zagen vonden het een allerliefst beestje, en
natuurlijk deed dit Anne goed, want ze had graag, dat men het prees. En
wie heeft dat niet gaarne van een diertje, dat hij liefheeft!
Toen nu de winter aankwam, zei Annes vader, dat het op haar kamertje
voor haar kanarietje te koud zou worden, en dat ze het dus in de
huiskamer moest hangen. En Anne, die niet eigenwijs was zooals sommige
kinderen, begreep zeer goed, dat haar vader gelijk had.
„De kanaries,” zeide hij, „zijn oorspronkelijk geen vogels die in dit
klimaat thuis behooren; vandaar, dat men ze ook nooit hier in ’t wild
vindt, zooals de musschen, vinken, sijsjes, meezen en andere vogels.
Lang, heel lang geleden zijn ze van de Kanarische eilanden, dicht bij de
kust van Afrika, hier te lande gebracht, en sedert zijn ze hier
langzamerhand zóó aan het klimaat gewend, dat ze ook in deze koudere
luchtstreek gezond blijven. Maar tegen een vinnige kou zouden ze slecht
kunnen. En daarom is ’t veel beter, dat je je kanarietje van den winter
in de huiskamer brengt, waar ’t voortdurend warm is.”
Anne kwam dus, zoodra het koud begon te worden, met haar vogeltje
beneden, en haar vader hing het kooitje daar aan den wand. ’t Was Anne
wel een heel gemis, dat ze haar lieve kanarie niet meer op haar kamertje
had, en ’t was haar in den beginne of ze minder pleizierig wakker werd,
nu ’t lieve diertje haar geen vroolijken morgenzang toezong, maar
spoedig was ze er aan gewoon en haastte ze zich om zich te wasschen en
aan te kleeden. En als ze dan in de huiskamer kwam, dan was ’t alsof
haar vogeltje haar bemerkte, want dan begon het terstond uit volle borst
te zingen en wel zoo schel, dat men elkander schier niet verstaan kon.
En dat duurde dan zoolang, totdat Anne op een stoel klom, het kooitje
opendeed en het er uitliet, waarna het op haar hand kwam zitten en de
kruimeltjes van haar ontbijt oppikte. Als het dan genoeg gegeten had,
plaatste ’t zich op haar schouder en dan hief ’t een zijner schoonste
liederen aan.
Daarna sloot ze het weer in zijn kooitje en begaf ze zich naar school,
waar ze nog maar altijd even braaf en vlijtig leerde en daarbij zoo goed
met de andere meisjes kon omgaan, dat allen veel van haar hielden. En
dat was vooral pleizierig voor haar, omdat ze geen broer of zuster had,
met wie ze spelen kon. Daar was ze wel eens verdrietig over, want hoe
goed vriendinnetjes ook zijn, — ze zijn niet te vergelijken met broeders
of zusters, die van den morgen tot den avond bij ons zijn, en ons lief
en ons leed met ons deelen. Ze was echter nog te jong, om dat in zijn
geheele uitgestrektheid te gevoelen, en daarom treurde ze er ook niet
over en gevoelde zich heel gelukkig in de liefde harer ouders en in de
toegenegenheid harer vriendinnen.
Zoo ging er een gedeelte van den winter om, en ’t was een koude winter
ook, zoodat Anne maar heel blij was, dat ze haar kanarietje in de
huiskamer gebracht had. ’t Beestje bleef dan ook heel frisch en gezond
en steeds even vroolijk. Doch toen ’t voorjaar aankwam, begon ’t minder
lustig te zingen en zette het tusschenbeide zijn veertjes op. Anne
bemerkte dat en maakte er zich vrij ongerust over. Ze vroeg er haar
vader naar.
„Maak je maar niet ongerust, lieve Anne,” zeide hij. „Je kanarietje is
aan ’t ruien, en dat is nu voor ’t eerst; daarom is het heel erg. We
zullen een roestigen spijker in zijn drinkglas leggen; dat is er goed
voor, zooals ik wel eens gehoord heb.”
„Maar zou ’t geen kwaad kunnen, Pa?” vroeg Anne.
„Geen nood, kindlief! Alle vogels ruien om dezen tijd, dat wil zeggen,
ze verliezen wat van hun oude veeren en krijgen er nieuwe.”
„O, dat is aardig,” zei Anne.
„Ja, wel aardig en zeer opmerkelijk,” zeide Annes vader. „Zoo krijgen ze
van moeder natuur alle jaren een nieuw rokje, en blijven altijd even
mooi en keurig; want, in plaats van de oude vederen die zij verliezen,
krijgen zij er nieuwe voor in de plaats.”
„Nu, dat is goedkooper dan wij,” zeide Anne. „Want als onze kleederen
versleten zijn, moeten wij er nieuwe koopen en nog maken ook.”
Langzamerhand verloor Annes kanarietje minder veeren en zat het minder
bol; spoedig begon het weer te zingen en ’t was toen, of het zijn scha
wenschte in te halen en nog eens zoo mooi als vroeger zong. En toen de
winter over was en de lieve, zachte lente weer aankwam, bracht Anne haar
lieveling weer op haar kamertje en werd ze ’s morgens weer wakker van
zijn luid gezang, dat hij even opgewekt en prettig als vroeger deed
hooren.
„O, Moe,” zeide ze, „wat ben ik gelukkig, dat mijn lieve diertje nu weer
geheel beter is. Ik was wezenlijk zoo bang, dat het sterven zou.”
„Je ziet, dat je vader gelijk had,” zeide haar moeder. „Oudere menschen
weten veel meer van die zaken dan kinderen. Daarom moet je ons ook
altijd gelooven.”
„Doe ik dit dan niet, Moe?” vroeg ze haar vleiend.
„Ja, dat doe je, en dat is heel verstandig. Blijf het altijd doen, en je
zult er je steeds goed bij bevinden. Eigenwijze kinderen komen doorgaans
verkeerd terecht; daar kunnen ze op rekenen.”
Nu, eigenwijs was Anne niet, en dat was ook heel verstandig van haar.
III.
WAT ANNES MOEDER HAAR VAN OOM FRANS VERTELDE.
Zoo gingen er twee jaren om; Anne was intusschen tien en Emmie, de
dochter van den burgemeester, elf jaren geworden. De burgemeester, een
man die veel geld had en graag wenschte dat zijn dochtertje nog wat meer
leerde dan ’t geen ze op de dorpsschool kon te weten komen, had
besloten, dat Emmie naar een kostschool zou gaan. Reeds lang had Emmie
dat geweten en ’t aan Anne verteld, en ze zag er wel tegen op om het
dorp en ’t huis harer ouders te verlaten en onder vreemde menschen te
gaan.
„O, Anne!” zeide zij meermalen, „wat zal het mij raar zijn, als ik daar
bij die vreemde menschen ben, als ik daar ’s avonds naar bed ga, zonder
Pa en Ma een nachtzoen te geven en ’s morgens hun bij ’t opstaan geen
goedenmorgen kan zeggen.”
„O, ik zou ’t verschrikkelijk vinden!” riep Anne uit. „Ik zou ’t niet
uithouden, dat kan ik je verzekeren. Trouwens, vader en moeder zouden ’t
ook niet lang kunnen uithouden; ze zouden mij zeker gauw terughalen.”
„Geen wonder: jij bent ook hun eenig dochtertje, ja hun eenig kind, dus
alles wat ze hebben. Wanneer ik Pa en Ma verlaat, dan houden ze nog mijn
broertjes en zusjes over; dat maakt groot verschil. Maar weet je, wat ik
nog erger vind, Anne! ’t Is, dat ik jelui verlaten moet en onder vreemde
meisjes zal komen, die me niet kennen en me misschien uitlachen om mijn
boersche manieren. Want de meesten zijn meisjes uit de stad en misschien
wel erge nuffen.”
„O, je zult wel spoedig vriendinnen met elkander zijn,” zeide Anne. „En
als je daar onder je nieuwe kornuiten bent, zul je je oude vriendinnen
wel gauw vergeten en onder die deftige stadsdametjes zullen de
boerendeerntjes van ons dorp weldra niet meer in tel bij je zijn.”
„Neen, Anne, daar hoef je niet bang voor te zijn,” zeide Emmie. „Ik zal
jou en mijn lieve dorpsvriendinnetjes niet vergeten. Daarenboven kom ik
tweemaal in ’t jaar over, — eens in de groote en eens in de
kerstvacantie, en dan zoek ik je allen weer op, en dan zullen we, vooral
’s zomers, weer een heelen boel pret hebben, net als tegenwoordig.”
„Nu, dan verlang ik nu al naar de zomervacantie, ofschoon ik daar nog
bijna een jaar op moet wachten; want je gaat juist na die vacantie naar
de kostschool, niet waar?”
„Ja, en dat is over veertien dagen,” zeide Emmie. „’t Is dus al heel
gauw, dat we van elkander scheiden zullen! Nog maar veertien dagen! En
die zijn zoo gauw om!”
En ze waren gauw om, die veertien dagen, en Anne was heel bedroefd, toen
Emmie haar voor de laatste maal bezocht, en ze klaagde haar verdriet aan
haar kanarievogeltje, en ’t klonk haar net in de ooren, of het diertje
veel treuriger zong. Maar dat was slechts in haar verbeelding; want hoe
zou een vogel er gevoel van hebben, als de vriendin harer meesteres haar
verlaat? Of zoudt ge misschien denken, dat de kanarie het aan Anne zag,
dat ze bedroefd was? Een hond moge dat merken, en ik geloof, dat die wel
’t eenige beest is, hetwelk dit doen kan; maar van een kanarie, — nu,
dat zou toch ook wel wat veel gevergd zijn.
Intusschen, Anne verbeeldde ’t zich, en dat was genoeg.
„Ja, lieveling,” zeide ze, „nu is Emmie weg, die zooveel van je hield
en die je zoo graag hoorde zingen. Je zult ze in lang niet weer zien, de
lieve Emmie; want ze komt in een heelen tijd niet terug!”
En ’t was haar, of haar kanarietje haar verstond, zoo keek het haar aan.
Anne was dien heelen dag niet in haar schik, en ’t was alsof haar ’t
eten minder smaakte dan anders. Toen ze ’s avonds alleen bij haar moeder
zat, want haar vader was nog op den winkel, waar ’t heel druk was, zag
deze wel, dat Anne bijzonder stil was en in ’t geheel niet zoo opgewekt
als anders.
„Lieve Anne,” vroeg ze, „wat scheelt je toch? Je bent zoo stil. Voel je
je niet wel?”
„O, lieve Moe!” antwoordde Anne, „mij deert niets.”
„Dat moet je nu niet zeggen, kind! Ik heb het al den heelen dag aan je
gemerkt; ook vanmiddag at je niet met zoo’n smaak als anders. Ik wou er
je toen niet naar vragen, omdat vader zich dan maar ongerust maakt. Maar
nu we alleen zijn, moet je ’t me eens vertellen, wat er aan scheelt.”
„Ach, Moe!” zeide Anne, — en de waterlanders kwamen voor den dag, — „ik
ben zoo bedroefd, omdat Emmie naar de kostschool vertrokken is. Ze was
zoo’n lief vriendinnetje voor mij.”
„Nu, je hebt toch nog vriendinnetjes genoeg onder de dorpsmeisjes,” zei
Annes moeder. „Daar heb je Truitje en Keetje, en . . . . .”
„Maar geen een, van wie ik zooveel houd als van Emmie,” zeide Anne.
„Kom, kom, dat verdriet zal wel slijten, Anne,” zeide haar moeder. „En
als Emmie dan eens met de vacantie overkomt, is het des te pleizieriger
voor je.”
„Dat is wel waar, Moe,” antwoordde Anne. „’t Zou zeker erger zijn, als
ik haar nooit terugzag.”
„Dat zou het,” antwoordde haar moeder. „Als ’t je bijvoorbeeld eens
ging, zooals mij. Ik had een broer, die twee jaren ouder was dan ik, een
allerliefsten jongen en van wien ik veel hield. Die is eens weggegaan,
en nooit hebben we weer iets van hem gehoord; zoodat we niet weten, of
hij leeft dan of hij dood is.”
„O, Moe! daar hebt ge me nog nooit iets van gezegd,” zeide Anne.
„Hoe kwam dat?”
„Hoe dat kwam? ’t Is een treurige geschiedenis, Anne, maar ik wil je
haar vertellen. Je moet weten, dat toen ik twaalf en mijn broer Frans
veertien jaren oud was, we onze lieve moeder verloren. Dat was een heele
slag voor vader en voor ons. Maar vooral voor Frans, die een
levenslustige jongen was en dien ze met een vriendelijk woord kon
regeeren.”
„Dan zal hij wel heel bedroefd geweest zijn, toen zijn lieve moeder
stierf,” zeide Anne.
„Dat was hij,” hervatte Annes moeder. „Hij had ook zooveel van haar
gehouden. En ’t zou zoo gelukkig voor hem geweest zijn, als hij haar
behouden had.”
„Gij waart toch ook zeker wel erg bedroefd over haar dood?” vroeg Anne.
„Dat kun je begrijpen. Daarenboven was mijn arme vader sedert moeders
dood zoo terneergeslagen, dat hij steeds in sombere droefheid verzonken
was. Hij kon zijn verlies maar niet verzetten! Hij had ook zooveel van
haar gehouden! Daar ik nog te jong was, om zijn huishouden waar te
nemen, nam hij een huishoudster. We troffen ’t slecht. Ze was geen
pleizierige vrouw, juist het tegenbeeld van onze lieve moeder. Nooit
kregen we een goed woord van haar, altijd bromde en knorde ze, en dat
verveelde mijn broer Frans geducht, die nu zoo weinig mogelijk thuis
kwam. Vader, die den geheelen dag in den winkel zat, — hij was
horlogemaker, — merkte daar weinig van, vooral omdat ze jegens hem
altijd vriendelijk was. Daarenboven, sedert moeders dood was hij zoo in
zichzelf gekeerd, dat hij zich weinig of niet met ons bemoeide.”
„Die arme grootvader!” zeide Anne. „Was hij zoo bedroefd?”
„Ja, en ’t ergst van alles was, dat hij in ’t geheel niet op Frans
lette, die nu langzamerhand kameraden kreeg, welke niet voor hem
deugden. Ik wist daar niets van; anders had ik hem wel gebeden en
gesmeekt, om die slechte kameraden te laten loopen; want het spreekwoord
zegt niet tevergeefs: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet. Had vader
op hem gelet en had de huishoudster ’t hem in ons huis pleizierig
gemaakt, — het was nooit zoover met hem gekomen.”
„’t Was dan ook wel ongelukkig voor hem,” zeide Anne. „Maar klaagde oom
Frans dan nooit bij zijn vader?”
„Hij had dit wel eens gedaan en ik ook; maar ’t hielp niet, en de
ondeugende vrouw wist er altijd zooveel tegen in te brengen, dat vader
haar wel moest gelooven en wij steeds de schuld kregen. Daar we nu
zagen, dat het ons toch niet baatte en we altijd ongelijk kregen en
daarbij bemerkten, dat vader er maar verdrietig onder werd, besloten we,
niet weder te klagen en zwegen. ’t Ware te wenschen geweest, dat hij
naar onze klachten geluisterd en ons geloofd had, — hij zou zich en mij
vrij wat leed en verdriet gespaard hebben.”
„Die arme oom Frans!” riep Anne uit. „Hij moet daar vrij wat verdriet
over gehad hebben.”
„’t Verdriet was nog het ergste niet, wel de omgang met zijn slechte
kameraads,” hernam de moeder. „Had vader niet in zulk een treurige
gemoedsgesteldheid verkeerd, zeker zou hij er op gelet hebben. Hoe ’t
zij, op zekeren avond kwam je oom niet thuis. Vol onrust en angst
wachtte ik den geheelen nacht; maar wie er verscheen, Frans niet. Later
hoorden we, dat hij iets heel verkeerds gedaan had en uit angst voor de
politie gevlucht was. Sedert hebben we nooit weer van hem gehoord.”
„En wat had hij gedaan, moeder?” vroeg Anne.
„’t Was geen zaak van zooveel belang,” antwoordde de moeder, „maar ze
hadden hem bang gemaakt voor ernstige gevolgen, en toen was hij
gevlucht. We hebben er nooit achter kunnen komen waarheen, hoeveel
moeite vader ook heeft aangewend. Ach! ware hij slechts
teruggekeerd; — alles zou met een kleine moeite zijn afgeloopen, en de
zaak zou misschien tot zijn verbetering gestrekt hebben!”
„En wat zei grootvader toen wel?”
„De goede man was er wanhopig over, en zag nu maar al te goed in, dat
hij zich door zijn droefheid te veel had laten beheerschen en meer acht
op Frans had moeten geven. Maar ’t was nu te laat en er was niets meer
aan te doen. Ik treurde nacht en dag over hem. Hij was inderdaad mijn
eenige troost geweest in ’t verdrietelijke leven, hetwelk ik leidde, en
dat nu des te verdrietelijker werd, omdat ik niemand had, aan wien ik
mijn smart kon toevertrouwen.”
„En dus denkt gij, dat oom Frans dood is, moeder?” zeide Anne. „Als hij
nog geleefd had, zou hij toch ten minste wel eens aan u geschreven
hebben.”
„Ik zeg je, dat we nooit weer iets van hem gehoord hebben,” hervatte
Annes moeder. „En toch is ’t mogelijk, dat hij nog wel eens geschreven
heeft, maar dat zijn brieven niet terechtgekomen zijn. Want een half
jaar na ’t verdwijnen van Frans stierf mijn vader, wien deze nieuwe slag
vreeselijk had aangedaan, aan een kwijnende ziekte, en nu stond ik
alleen op de wereld. Een oudtante van moeders kant, die in een andere
stad woonde, nam mij nu tot zich, en dus is ’t heel wel mogelijk, dat er
nog brieven van Frans gekomen zijn, die niet bezorgd zijn. Ofschoon — ik
geloof het niet en houd het er voor, dat de jongen dood is. ’t Is nu
bijna twintig jaren geleden, sedert hij ons verliet. En al kwam hij
ooit terug; — wie zal hem zeggen, waar ik woon. We hadden in mijn
geboortestad slechts verre neven en nichten, en die weten niet, waar ik
gebleven ben. ’t Zou hem dus niet licht mogelijk zijn, mij te vinden.
Maar hij zal wel nooit terugkomen.”
’t Waren treurige herinneringen voor Annes moeder geweest, en Anne vond,
dat zij al heel weinig reden had, om bedroefd te zijn over ’t vertrek
van Emmie, waar haar moeder van zulk een smartelijk verlies gesproken
had als dat van haar oom Frans.
„O, Moe!” zeide zij, „ik ben blij, dat u mij dat verteld heeft, en ik
zal mij troosten over ’t vertrek van Emmie. Want dat verlies komt in de
verste verte niet bij dat van mijn oom Frans. Ik zou zoo graag hebben,
dat hij nog eens terugkwam. Wat zou dat aardig zijn! Dan had ik een
oom!”
„Dat is nu niet anders, lieve,” hernam haar moeder. „En we moeten daarin
berusten.”
’t Binnenkomen van Annes vader maakte een einde aan dit gesprek. Anne
zelf was nu opgeruimder geworden. Doch ze kon dien nacht niet gauw in
slaap komen; want steeds stond die geschiedenis van oom Frans haar voor
den geest: ze zou zoo gaarne eens weten, wat er van haar oom geworden
was.
En toen ze ’s morgens wakker werd, vertelde ze de geheele geschiedenis
aan haar kanarietje, maar ’t beestje scheen er niet naar te luisteren,
want het zong even luid en schel als anders. Hoe zou ook een kanarie
luisteren naar de geschiedenis van een jongen, die uit zijn ouders huis
was weggeloopen!
Maar Anne stortte haar hart voor hem uit, en dat deed haar goed, al was
’t ook slechts aan een redeloos wezen gelijk haar kanarie, die haar niet
verstond. Doch moeder had haar verboden, er iets van tegen haar
schoolkameraadjes te zeggen, en ongehoorzaam zijn wou ze niet; dat zou
ze niet gedaan hebben, en daarom maakte ze haar kanarie maar tot haar
vertrouweling, die het wel aan niemand zou oververtellen.
IV.
WAT ER OP ZEKEREN NACHT GEBEURDE.
’t Was op zekeren nacht, ruim een half jaar na dit gesprek, dat Anne
rustig op haar kamertje lag te slapen. De winter was om, ’t schoone
voorjaar was weer aangekomen, en sedert eenige dagen had haar kanarie de
huiskamer weer verwisseld voor haar eigen kamertje. Hoelang ze reeds
geslapen had, wist ze niet, toen ze op eens verschrikt wakker werd door
de stem van haar moeder, die voor haar bed stond, haar wakker schudde en
uitriep:
„Gauw, Anne! sta op en doe je goed aan.”
Eensklaps was Anne opgerezen en schier even gauw het bed uitgesprongen.
„Wat is er, Moe?” vroeg ze.
„Hier schuins over is brand,” antwoordde de moeder. „Kom, trek gauw je
goed aan!”