't Liep naar den winter, de dagen werden al korter en korter. En somber,
somber werd 't op de oude smalle gracht; de regen droop van de
bladerlooze boomen, zolderluiken klepperden in woeste windvlagen.
En meestal sinds Anna trouwde zat de moeder in de voorkamer aan het
middelste raam, aan dat tafeltje waar toen dat mandje bloemen op gestaan
had, naar buiten te kijken, naar de grauwe wolkmonsters, de staag
stuwende wolkgevaarten en naar het vuile groenbruine water in de gracht.
Als Rubrecht thuis kwam, in de schemering, vond hij haar daar nog
zitten, onzichtbaar bijna in de schaduw van het penant tusschen de
ramen. Dan placht hij zacht op haar te knorren, te zeggen, dat 't niet
goed was, jezelf zoo melancholiek te maken door zoo in 't donker te
blijven zitten, dan deed hij soms nog wel 's zijn best haar wat op te
vroolijken, vertellend 't een of ander wat hij gehoord had op kantoor.
Maar hij zag dan wel, dat ze toch niet luisterde .... en dan hield hij
maar op met een zucht.
Nu en dan kwam Anna 's middags en 'n enkele maal ging de moeder ook nog
wel 's naar haar en Wim. Anna was gauw gewend aan haar nieuwe leven, aan
die nieuwe straat; ze had kennis gemaakt met de buren en onderhield
conversatie met de vrouw van den jongen bakker op de hoek en met de
dochters van een hoofdinspecteur van politie. Ze was altijd vol verhalen
over al die menschen.
't Beviel haar allemaal uitstekend.
En ál minder begreep ze haar moeder, ál meer vervreemdde ze van haar. En
over Wouter dacht ze haast nooit....
Wèl zei ze soms, dat ze zoo verlangde naar een kind, want dat 't zoo'n
"vervulling" zou zijn. "Met de lange avonden ook, ziet u, je weet niet
wat je aldoor doen moet...." Wim verlangde er ook zoo naar....
Dan glimlachte de moeder en zei niets. En Anna zag niet de oneindige
treurigheid van dien glimlach.