XXX.

En eens op een laten avond--Rubrecht zat te dutten over de krant--werd

heel zacht de buitendeur dicht getrokken. 't Was 'n stille avond. De

maan scheen.

Moeder Rubrecht liep vlug over de stille gracht. Ze kwam een jongen man

tegen, lang, krachtig gebouwd. Ze stak de straat over, recht op hem af.

De onbekende bleef staan, verbaasd. "Ben jij 't Wouter," fluisterde ze,

"goed .... goed .... ga maar gauw naar huis, vader zit zoo alleen ....

ik ga naar de tuin...."

"Je hebt de verkeerde voor, juffrouw," riep de ander, "zoek je je

zoon?...."

"Me zoon?" zei ze, peinzend, "me zoon? o ja! .... o ja! .... heb je 'm

niet gezien?"

"Nee, hoor! .... niet gezien!....." zei de jongeman en stapte door.

"Zeker gek!" mompelde hij.

Ze liep door tot aan een smal zijsteegje. Daar ging ze in. 't Liep dood,

dat steegje, 't liep dood op een andere gracht. Heel aan 't eind stond

een lantaarn, daar juist neergezet dat de menschen zien zouden, dat 't

doodliep op 't water en er niet invallen.

Ze ging op den steenen walkant zitten en keek in 't zwarte water.

Verderop scheen de maan, maar voor haar lag 't in de schaduw van de

huizen.

Toen begon ze zacht te zingen een oud, oud kinderdeuntje:

"'n Karretje over den zandweg reed,

De maan scheen helder, de weg was breed,

De voerman lag te rusten...."

Verder kwam ze niet. En zoo zacht liet ze zich afglijden, dat er geen

plomp was in 't water.

Nog wat kreunend geworstel alleen....

En één lange, bange kreet!....

Stilte toen....

* * * * *

De Uitgevers-Maatschappy "Elsevier" geeft uit en debiteert met klimmend

succes

De vreemde plant · 第 38 / 47 题