Zoo bleven dan vader Rubrecht en zijn vrouw alleen in het bovenhuis op
de smalle oude gracht. En altijd nog ging de oude boekhouder 's morgens
om kwart voor negen naar kantoor en kwart over vijven kwam hij thuis.
Hij klaagde soms over den last dien hij had van een jongmensch, dien
zijn patroon er bij genomen had tot zijn hulp, een wijsneuzig ventje dat
alles beter wou weten.... Waarvoor was die kwajongen noodig, hij kon 't
nog best alleen af!
's Avonds sufte hij met zijn pijp of dutte in. Om den anderen dag zei
hij 's: "Waarom of die Wouter toch nooit schrijft!...." maar daar bleef
't dan bij.
De arme moeder leed.... Waarom, waarom deed hij haar dat aan? Kon hij
dan niet vergeven? Begreep hij haar nog altijd niet? Hield hij niet meer
van haar? Of was hij werkelijk ongelukkig, nog altijd, voor goed
misschien?....