Wouter moest er nu al twee maanden zijn. En er was nog geen brief.
Rubrecht's patroon informeerde bij een handelsvriend in Johannesburg en
vrij gauw kwam er antwoord. Zeker, de jonge Rubrecht was daar bekend,
hij was bediende aan een groote handelsinrichting, een goede betrekking.
Blij met dat bericht, trotsch op zijn zoon die daar toch maar weer zoo
gauw een goede positie had gekregen, schreef de oude Rubrecht hem
dadelijk zes zijdjes vol. Het verwonderde hem, dat zijn vrouw niet zoo
blij scheen; hij vroeg of zij niet een briefje bij den zijnen wou doen.
Zij deed 't. Ze schreef een korten brief:
"Vader heeft je 't weinige verteld wat hier gebeurt," schreef ze, "maar
waarom heb jij ons niet geschreven? O, Wouter, als je wist hoe ik
verlang naar een brief van je! Waarom? waarom schreef je nog niet? Hoe
voel je je nu? Hoe leef je, wat doe je? O, schrijf, dat je gelukkig
bent, ik verlang er zoo naar, 't zal me zoo goed doen! Mijn lieve
jongen, ik wil je geen verwijt maken .... maar och! waarom schreef je
nog niet?"
Anna's uitzet gaf veel drukte en afleiding. Dag in dag uit zaten moeder
en dochter te naaien .... te zoomen.... En toen kwam de drukte van het
trouwen zelf.
Maar een brief van Wouter kwam er niet....
In een roes van veel doen voor Anna en Wim trachtte moeder Rubrecht dat
vlijmend leed te vergeten, maar iederen morgen was 't toch 't eerste
weer waar ze aan dacht: Nog geen brief van Wouter.
Eindelijk trouwden ze. 't Ging alles heel eenvoudig en burgerlijk toe.
De familie van Wim bestond uit kleine winkeliers, kommiezen en klerken.
Er was een dansavond waar veel werd gezongen en gezoend.... Maar op den
trouwdag werd er niet rondgereden, dat had moeder Rubrecht niet gewild;
Wim had 't land tegenover zijn familie.
Ze gingen wonen ergens in een nieuwe buurt, in een aartsvervelende
rechte straat; bovenhuizen, benedenhuizen, alle gelijk, twee en twintig
huizen onder één gevel. 't Was een heel eind van de oude gracht naar
die nieuwe straat....
Er was nog altijd geen brief.