XXII.

De dagen verliepen in grijze treurigheid in 't Rubrechtshuis. Wim kwam

geregeld 's avonds. Maar hij was er heelemaal de man niet naar om de

menschen wat op te beuren. Met een gewichtig gezicht en hoofdschuddend

hoorde hij alles aan en zei alleen maar nu en dan: "sjonge jonge, 't is

toch jammer, hoor!...." of: "ja, ik zeg maar: beter ten halve gekeerd

dan ten heele gedwaald, dat zeg ik maar!"

En hij was nog veel eigenwijzer en pedanter dan vroeger, want hij

verbeeldde zich nu hoog boven Wouter te staan. Hij was toch maar zijn

betrekking niet kwijt, alles behalve! hij kreeg met één Mei weer honderd

gulden opslag, had de patroon hem beloofd, en zijn engagement! .... wel,

hoe zou dat ooit af kunnen gaan!.... Hij had nooit wat met Annetje! ....

en over 'n maand of wat zouden ze trouwen! Dat 's wat anders!

De oude man zat meestal te suffen en liet zijn pijp soms uitgaan, wat

vroeger nooit gebeurde.

Moeder Rubrecht leefde van uur tot uur in onrust door. Zij was altijd

weer bang als Wouter uitging. Maar geen oogenblik had ze spijt van wat

ze gedaan had. "Als ik niet wist, dat 'k me plicht had gedaan," zei ze

tegen Anna, "dan zou ik zeker sterven van verdriet."

Wouter zat meestal op zijn kamertje te soezen of in kranten te kijken,

soms schreef hij een brief of ging hij iemand spreken. Als hij

binnenkwam om te eten, zei hij niets dan 't hoognoodige. Hij vermeed

vooral zijn moeder toe te spreken.

Zoo verliepen acht dagen. Toen, op een avond, stond de oude Rubrecht in

ééns op en lei zijn pijp neer en ging de kamer uit en de anderen hoorden

vol verwondering, dat hij naar boven ging, naar Wouter. Hij bleef 'r wel

een uur. Toen hij weer beneden kwam had hij iets vergenoegds over zich.

Hij ging naar zijn vrouw en fluisterde: "'t Is maar tweehonderdtwintig

gulden, ik heb ze hem gegeven," en hij knipoogde, bijna vroolijk. Zij

stak hem 'n hand toe en begon te huilen. Toen knipoogde hij sterker en

ging weer in zijn stoel zitten knikkebollen, maar hij schoof zich 'n

beetje van 't licht af.

De vreemde plant · 第 30 / 47 题