"'k Weet 't niet precies, .... 'n paar honderd gulden," zei zijn vrouw.
Daar werd gescheld! Anna zei, dat 't de post was. De meid kwam weer naar
boven, klopte bedeesd, en Anna ging naar de deur en nam den brief aan.
"Van Margreet," zei ze alleen, en lei den brief op tafel.
De moeder nam 'm op. Ja, daar stond 't, keurig geschreven:
"Den WelEdelen Heer Wouter Rubrecht, E. V."....
Ze wachtten weer....
Eindelijk! daar sloeg de deur dicht.... "Daar is hij!" riep moeder
Rubrecht, blij opvliegend, kijkend naar de deur die opengaan zou. Ook de
vader draaide zijn dikke hoofd om naar de deur en Anna keek er half
afgewend naar. Hij kwam de trap op, hij was op 't portaal, .... hij liep
voorbij, naar boven!....
Zijn moeder nam de brief en ging hem achterna.
"Wouter!.... waar ben je geweest? .... we waren zoo vreeselijk
ongerust!"
"Ongerust? .... om mij?...." vroeg hij bitter..........................
.....................................................................
"Hier is de brief!"
"O! dank u...."
Hij bekeek het adres, .... brak den brief open.... Zij bleef staan bij
de deur.
"Och, moeder! .... toe, laat me nou alleen!"
"Ik wou zoo graag bij je blijven om je te troosten, .... maar als je
liever hebt, dat ik wegga...."
"Ja! ja!"
"Goed .... goed!...." En zij ging ... ze ging op de trap zitten. Ze
hoorde niets dan nu en dan wat gekraak of 'n kuch.... Na een uur ging ze
weer naar boven, zonder gedruisch, en klopte aan zijn deur.
"Binnen!" hoorde ze zacht zeggen.
Ze kwam de kamer in. "Wouter", zei ze, "ik ben niet gerust, voor ik met
je gesproken heb...."
Hij lag met z'n hoofd op de houten tafel, .... z'n armen er om heen,
.... de brief naast hem.
Hij gaf geen antwoord.
"Wouter!...."
"Wouter!...."
Daar keek hij op. Hij keek haar aan. "O, moeder, moeder! hoe hebt u dat
kunnen doen!" zei hij. En die blik! die blik van dof smartelijk verwijt.
Zij rilde! o God, o God! Neen, zoo verschrikkelijk had ze 't zich niet
voorgesteld. Ze kon niet spreken.
Ze greep zich stevig vast aan de leuning van een stoel om zich weer
meester te worden. Eindelijk, met een schor geluid: "'t Was heusch om
jou alleen, Wouter, waarachtig, alleen voor jou.... Maar ik begrijp wel,
dat je dat nu niet inziet nog .... later wel .... later wèl!"
"Voor mij! voor mij!" riep hij uit, met krijschende wanhoop,.... "Och!
moeder, ga nou weg...., laat me nu met rust! .... o laat ik nu niets
meer zeggen! .... laat ik nu zwijgen!" Ze ging, maar bleef nog bij de
deur staan, aarzelend, niet een laatste hoop, dat hij haar terug zou
roepen.
Hij had zijn hoofd weer op de tafel laten vallen. Dof, toonloos hoorde
ze 'm mompelen: "'k Wou 'k dood was." En toen weer opkijkend,
krachtiger: "Och, laat me nou toch met rust .... laat me nou toch
alleen!"