XXI.

Voor zijn moeder was die middag één lange marteling. Waar was hij

heen?.... Waarom kwam hij niet thuis?....

Zij liep naar Smit, hoorde hoe 't daar gegaan was. Toen weer naar

huis!.... Neen, hij was er nog niet....

Waar dan?.... Denken dorst ze niet.... O, die angst, die

hartverschroeiende angst!....

De grachten liep ze langs en in het park dwaalde ze rond. Ze schrok

hevig toen ze 'n troep menschen ergens aan den waterkant zag staan. Weer

kwam ze thuis .... en, in wanhoop, wou ze ook weer dadelijk weggaan,

maar Anna, die vermoedde wat er gebeurd was, smeekte haar huilend thuis

te blijven; ze was immers ook veel te moe....

Ja, 't was waar, ze was wel moe, wel moe!....

Toen kwam Rubrecht van kantoor en in korte afgebroken zinnen en zonder

hem aan te zien, zei ze 'm alles. Hij was één en al verbazing, hij zat

met open mond te luisteren, hij begreep er niets van.... Wouter schuld!

Zijn engagement af!.... Ze wisten niet waar hij was!.... Maar dat was

verschrikkelijk!.... Ach, waarom moest hij dat nog allemaal beleven op

zijn ouden dag....

Inéén gedoken, voorover, zijn groot rond hoofd wiegend op zijn halsboord

zat hij suf te kijken, te staren, te mompelen.

Moeder Rubrecht was ook op een stoel neergevallen, stil snikkend en

bijtend op haar zakdoek met wijdopen oogen. Anna stond bij het raam en

keek uit.

De meid kwam zeggen, dat het eten op tafel was.

Ze letten er niet op.

Ze zwegen, ze wachtten.

De vreemde plant · 第 28 / 47 题