En ze kwam.
Ze liep, vriendelijk glimlachend als altijd, naar mevrouw Rubrecht toe.
"Hé! zoo vroeg al? .... hoe gaat 't u, mevrouw?"
Maar eer ze nog 't kleine vrouwtje 'n hand reiken kon, vroeg haar vader,
kortaf, 'n beetje bar om zijn weekheid te verbergen: "Je hebt geld
geleend aan Wouter?"
Ze schrok van die vreemde stem. Ze keerde zich naar hem om. Ze werd
bleek. "Ja! .... ja, pa!" zei ze.
"Veel?"
"'n Hondervijftig gulden is 't zoowat bij elkaar!...."
"Zoowat? Weet je 't niet precies?"
"Nee--, ik weet 't niet precies."
"Weet je 't niet precies?" vroeg hij nog eens, zich over die kleinigheid
opwindend. "Hoe komt 't, dat je 't niet weet? Schrijf je zulke dingen
niet op?...."
"Och! meneer Smit," viel toen moeder Rubrecht in, op zeer kalmen, bijna
plechtigen toon,--want ze was zich nu heelemaal meester, nu ze haar
vijandin tegenover zich zag--, "laten we daar nu niet over praten! Mag
ik 's wat aan Margreet vragen?"
"Zeker! .... zeker!...." bromde Smit.
Margreet durfde mevrouw Rubrecht niet aanzien. Zij trok een
onverschillig gezicht, liep naar 't raam en keek naar buiten. Toen stond
't vrouwtje op en ging ook 'n paar stappen naar 't raam, zoodat ze
achter Margreet stond. Ze steunde op de leuning van een stoel. "Ik heb
je _nog_ 's ééns gevraagd, wat ik je nu weer vragen zal; Margreet: houd
je wel genoeg van Wouter? Ik geloof, dat je me toen niet goed begrepen
hebt. Ik hoop, dat je me nu beter begrijpen zal. Luister goed.
Houd--je--wel--genoeg--van--Wouter? Is bij hem te zijn wel 't
heerlijkste wat er is voor je? Zou je alles wat je verder op de wereld
bezit willen missen om hem alleen?.... Zou je ellende, verachting,
alles, met hem willen dragen? Zou je jezelf vermoorden om hem te redden?
.... als je kinderen kreeg, zou je ze dan liefhebben omdat 't zijn
kinderen waren? .... en als je ze niet kreeg, zou dan toch je gansche
verdere leven, dat zoolang kan zijn, nog wel vijftig, nog wel zestig
jaar, zouden al die jaren gevuld worden door hem alleen?....
Margreet bleef staan. Ze tuurde aldoor naar buiten, ze verroerde zich
niet.
Haar vader liepen de tranen in z'n baard.
"Zeg, Margreet!" begon de moeder weer, "kan-je nu weer antwoorden zoo
als toen?"
Langzaam draaide 't meisje zich om. Ze was bleek, geelbleek, en er was
een zenuwachtig trekken om haar mond.
"Nee! ...." zei ze fluisterend, .... "eigenlijk geloof ik niet, dat
ik...."
"Maar Greetje!" riep de vader uit, zich afwendend om zijn aandoening
meester te worden, "hoe kom je nu zoo...."
"Je gelooft 't niet?.... Nee! je weet heel zeker, dat je _niet_ zooveel
van 'm houdt," ging nu moeder Rubrecht voort en haar stem kreeg weer dat
onaangenaam scherpe, "je moet 't al dikwijls gevoeld hebben, dat kan
toch niet anders!.... En toch heb je 'r nog geen eind aan gemaakt!....
Waarom dee-je dat niet? Om toch maar geëngageerd te zijn, toch maar uit
te gaan?...."
"Ik heb er nooit zoo ernstig over gedacht," zei ze, plotseling
uitbarstend in hoog snikken. "Maar 'k zal 't hem nu wel zeggen.... Want
ik wil 't ook niet langer...., ik _wil_ 't niet...., ik ben altijd
vroolijk geweest en zonder zorg en tegenwoordig zie ik op tegen elken
dag!.... Hij weet van niets dan zorgen, zorgen, altijd zorgen!.... Hij
zet haast nooit 's 'n vroolijk gezicht.... Me vrindinnen vragen wat of
hij heeft, of hij ziek is.... 't Is 'n akelige jongen! ik wil 'm niet
hebben .... nooit! .... nooit! ziedaar!" En ze stampte op den grond en
huilde luid en liet zich achterover vallen in een gemakkelijken stoel.
"Margreet!" riep de vader, nu heel boos, vuurrood in zijn gezicht, "ik
wil niet, dat je zoo spreekt! Hoe kom je zoo gek je 'r iets van aan te
trekken wat je vrindinnen zeggen?.... Je bent heel oppervlakkig ....
heel lichtzinnig!...."
"'t Is toch niet waar!" huilde 't meisje weer, "ik ben niet
lichtzinnig!.... Omdat ik nou vroolijk ben en levenslustig! .... daar
ben ik toch jong voor!.... Waarom, zou ik nu al altijd zuur moeten
kijken!.... En als ik te veel van plezier houd .... en uitgaan .... en
van mooie dingen koopen en zoo .... dan komt dat allemaal alleen doordat
u me verwend hebt!.... 't Is uw schuld!.... Ik kan nou niet anders
meer...., ik kan toch me zelf geen geweld aandoen!...."
Smit zweeg en zuchtte. Mevrouw Rubrecht ging naar hem toe, gaf hem 'n
hand en zei zacht: "Ik dank u wel voor uw hulp, meneer Smit...., en ik
laat 't nu verder aan u over...., spreekt u met haar .... en laat ze
Wouter .... laat ze Wouter .... ja, 't zal 't beste zijn, dat ze hem
afschrijft. Want als hij haar weer ziet of spreekt .... misschien...."
"Goed!.... Goed!.... zei Smit, "ik zal met haar praten...."
Toen ging de moeder weg, zonder zelfs meer om te kijken naar 't meisje
dat daar op dien stoel lag.