"Nee! .... meneer Smit, ik zie 't niet te zwart in...., heusch niet! Al
zoo menigmaal heb ik op 't punt gestaan om naar u toe te komen om er
over te spreken, maar och! .... dan zei ik altijd maar weer tegen me
zelf: Je ziet 't te donker in, je bent 'n melancholiek mensch, je ziet
alles, alles in 't donker. Maar nu moet 't, waarachtig! Weet u hoe ze 'm
gisterenmiddag ontvangen heeft?.... En 's avonds heeft ze 'm heelemaal
niet willen zien!...."
"Ze had hoofdpijn!...."
"Ja, ja," zei Wouter's moeder met een droevigen glimlach, "ze had
hoofdpijn."
Beiden zwegen. Zij ging weer zitten, hij ook--stil, in elkaar gezakt,
met z'n handen op z'n knieën. De anders altijd drukke bewegelijke man
was als geslagen.... "Wat zullen we doen?" vroeg hij, toen 't zwijgen
pijnlijk werd, met weifelende stem.
"Laat haar nu hier komen, meneer Smit, laten we met haar praten."
"Nu? .... nou dadelijk?" vroeg hij, opziende tegen de scène.
"Ik geloof werkelijk, dat dat 't beste is," antwoordde zij.