Wouter was eindelijk opgestaan, tegen twaalf uur, en naar beneden
gekomen. Hij vond zijn moeder alleen aan de gedekte koffietafel, bezig
met de koffie....; hij groette haar met 'n zacht vrindelijk "Morgen,
moedertje!" en ging op 'n stoel zitten, die ergens tegen den muur stond.
Z'n handen in z'n zakken, z'n beenen rechtuitgestoken zat hij daar
zwijgend voor zich te turen. Zij kwam naar hem toe, keek hem teeder aan
en gaf hem een zoen op z'n voorhoofd. "Hoe is 't nou, Wouter, voel je je
nog zoo moe? heb je geen hoofdpijn?"
"Nee!...."
"Mijn goeie arme jongen, _mijn_ jongen, je moet wat doorstaan dezer
dagen, .... maar je zult je er wel flink onder houden, hè?.... Je bent
immers altijd mijn flinke Wouter geweest!.... Beloof je 't me?"
"Zeker, moeder, zeker!" zei hij flauw glimlachend.
Ze zwegen weer. Ze zeurde wat in de kamer rond, keek nog 's in de
koffiekan, verzette 'n paar kopjes.
"Zeg moeder!"
"Wat is 't?"
"Dat plan van naar Margreet gaan hebt u toch uit 't hoofd gezet?"
Zij gaf geen antwoord. Zij keek den anderen kant op.
"Zeg, moeder!...."
"Waarom, Wouter?"
"Waarom? .... maar, moeder! waarom? .... wel omdat dat toch niet kan!
.... maar, .... God! moeder! wat is er? .... u bent er toch niet al heen
geweest?.... Hebt u haar gesproken? Wat zei ze? Moeder! zeg! .... hebt u
't toch willen afmaken?...." Hij was opgestaan, hij beefde, zijn stem
was heesch.
"Wouter! Wouter! In Godsnaam, wees nou bedaard! .... wees nou flink!....
Ja, ik ben er geweest en ik heb een eind gemaakt aan wat alleen op je
ongeluk uit kon loopen! Ik weet, dat ik er goed aan gedaan heb!.... Ze
zal je schrijven!...."
Hij luisterde niet meer. Hij viel weer neer op zijn stoel. Hij greep met
z'n rechterhand naar z'n hoofd, wreef zich over z'n kort geknipt haar
met onbewust gebaar, als een krankzinnige.
Zijn moeder kwam naar hem toe.
Toen vloog hij op, de deur uit.
"Wouter!" riep ze, "Wouter!" En in de gang: "Wouter!"
Maar de voordeur sloeg dicht.