XVIII.

't Was tien uur in den volgenden morgen toen mevrouw Rubrecht--nietig

vrouwtje in haar eenvoudig zwart manteltje, met haar simpel stroohoedje

op--voorzichtig de voordeur achter zich dicht trok zonder slag--en,

schichtig omkijkend, langs de huizen voortliep, op weg naar 't huis van

Smit. Wouter was nog niet beneden gekomen, hij was loom blijven liggen

in z'n bed, hij had geklaagd dat hij zoo moe was. De dikke drukker

ontstelde even toen hij 't bleeke vrouwtje zag--ze was dadelijk 't

kantoor binnengeloopen, "Hé, hé!" riep hij uit, en vroeg, 'n beetje

angstig: "er is toch geen onraad?"

"Nee .... nee! .... maar kan ik u even spreken, meneer Smit? ....

alleen?"

"Wel zeker, mevrouwtje, wel zeker," zei Smit, die een kleur kreeg, "gaat

u mee, .... gaat u mee naar boven!"

Ze gingen samen naar boven en hij liet haar in de voorkamer, en gaf haar

een stoel, aldoor met blijkbare verlegenheid pratend in kleine

uitroepjes: "Wel! .... wel! al zoo vroeg er op uit!.... Ja! zeker over

Wouter, hé? .... 'n lastig geval, mevrouwtje, jammer! .... jammer!"

"U meent dat hij bij me broer weg is .... ja! .... maar, ziet u .... dat

is toch eigenlijk zoo erg jammer niet!"

"Niet?" vroeg Smit, verwonderd.

"Nee .... och, .... als twee menschen nu eenmaal niet bij elkaar passen

moeten ze ook niet samen blijven, vindt u ook niet? .... en--u weet dat

misschien niet--maar de zaken schijnen daar niet zoo heel best te

gaan.... Ten minste Wouter verdiende niet veel! .... och! dat heeft 't

'm eigenlijk gedaan, hij had natuurlijk op beter toekomst gerekend...."

"Maar .... 'm gedaan? .... wat bedoelt u?"

En zij, op den man af: "Zeg me 's rond uit, meneer Smit, hebt u wel 's

gemerkt, dat Wouter schulden maakte?"

Hij dadelijk met heldere stem: "Nooit, mevrouw!.... Wouter

schulden!--Dat valt me niet mee van 'm!"

"Ik dacht wel, dat u 't niet weten zoudt! .... ziet u, zoo _heel_ veel

is 't nu ook niet, geloof ik, .... maar hij heeft toch geld geleend, van

mijn broer, .... van vrinden, .... van Margreet!"

"Van Margreet ook?" Smit werd onrustig en warm.

"Ja, van Margreet ook! .... ik weet niet hoeveel .... maar ik denk, dat

't nog al wat zal zijn."

"Maar! .... ik begrijp er niets van!.... Waarom deed hij dat! waar was

al dat geld voor?"

"Voor uitgaan .... comedies, concerten, voor cadeautjes aan haar!"

Smit stond op en liep een paar maal de kamer op en neer. "Maar dat is

heel verkeerd! heel verkeerd van Wouter en van Greetje!.... Vindt u goed

dat ik haar even roep?"

"Wacht u nog even, meneer Smit," zei ze vlug, met een zenuwachtige

beweging van haar hand naar haar hoofd? Ze wist niet hoe ze 't hem nu

verder zeggen zou, waarvoor ze gekomen was. Ze keek dwars rimpelend 't

blanke voorhoofdvel angstig voor zich en zweeg.

Hij kwam weer naar haar toe, maar ging niet zitten. Blijkbaar was hij

zeer ontsteld nu, hij wachtte strak op haar neerkijkend. Plotseling

wierp ze met een hartstochtelijken ruk haar hoofdje achterover en hem

aankijkend zei ze vlug achter elkaar, zenuwachtig vlug: "Meneer Smit,

.... och God! ik zal 't je maar zeggen, ik ben gekomen om 't af te

maken, ik kan 't niet langer aanzien zooals Wouter tegenwoordig leeft.

De jongen lijdt, meneer Smit, hij gaat gebukt onder den last van zijn

leven. En dat moet toch niet, hij is nog zoo jong, niet waar? Margreet

is niet de rechte vrouw voor hem, zij houdt te veel van de weelde en die

kan hij haar niet geven!.... Ik geloof ook niet, dat zij genoeg van 'm

houdt, .... dat is eigenlijk de hoofdzaak! Maar hij houdt vreeselijk

veel van haar, hij verafgoodt 'r letterlijk! .... daarom is 't ook zoo

hard, zoo bitter hard voor hem!.... Maar 't kan toch niet langer zoo,

meneer Smit, waarachtig, ik voel 't, 't kan zoo niet langer." (Ze stond

op, ging een stap dichter naar hem toe en keek hem smeekend aan.) "En

daarom, meneer Smit!--u houdt toch ook van Wouter, dat weet ik--doe met

mij wat u kunt om 'r een eind aan te maken.... Voor Margreet kan 't zoo

erg niet zijn, 't kan niet, 't kan niet, dat ze zooveel van hem houdt,

dan zou ze anders zijn.... Voor hem wél, voor hem zal 't verschrikkelijk

wezen, .... maar ik denk maar, ziet u, later, later zal hij wel inzien,

dat 't niet goedgegaan zou zijn. En, niet waar? hoeveel vreeselijker zou

het zijn, als hij, pas als ze getrouwd waren, zou merken dat ze niet

genoeg van hem hield...."

Ze zweeg weer. Smit sprongen tranen in de oogen. Hij kon niet dadelijk

wat zeggen. Haar stem was 't vooral die hem aangegrepen had; er was

zooveel diepe smart in haar stem, ja soms klonken haar woorden als

wanhoopskreten. Toch had ze zacht, bijna toonloos gesproken, zonder alle

zucht naar effect. Hij voelde, dat ze heelemaal waar was, dat er geen

zweem van aanstellerij, van mooi-doen was in haar.

De vreemde plant · 第 23 / 47 题