Om twee uur 's nachts kwam Wouter thuis. Zijn moeder hoorde hem zacht
stommelend de trap opkomen. Toen liet ze zich 't bed uitglijden en sloop
naar 't portaal, waar ze hem opwachtte. 't Was er donker. Alleen viel
langs de deur van haar slaapkamer, die ze op een kier had gelaten, een
smalle streep schemerlicht op den gekalkten muur. Daar ging ze staan,
zoodat hij haar zag toen hij de tweede trap opkwam. Hij huiverde van
schrik. "Ben je daar, Wouter," zei ze, "Goddank!" "Moeder, u zult kou
vatten, gauw naar binnen!" "Ben je bij haar geweest? hoe heeft ze je
ontvangen?" fluisterde ze. "Ze heeft me heelemaal niet ontvangen," zei
hij somber, .... "ze kon niet .... ze was naar bed gegaan met hoofdpijn,
zei meneer...." "En wat heb jij dan gedaan den heelen avond?" "Ik? ....
'k weet niet...., 'k heb geloopen...., overal rondgeboemeld.... Toe,
moeder, ga nou naar binnen! ga nou slapen!.... Vader zal wakker worden
.... nacht moeder!" En hij liep langzaam door naar zijn kamertje. Zij
hoorde hem naar binnen gaan, de deur sluiten, nog wat
rondstommelen--toen werd alles stil....
Ze ging naar binnen en terug in 't groote bed, waar Rubrecht sliep,
achterover liggend, zwaar ronkend als oude mannen doen. Huiverend trok
ze haar deken om zich heen en ging scherp liggen denken aan morgen, wat
ze zeggen zou. En plotseling trof 't haar met een schok dat ze Margreet
haatte, met staalharden haat, en zij voelde zich sterk en vol
strijdlust; zij voelde zich een tijgerin, die haar jong moest verdedigen
tegen een vijand....
"Ze zal 'm niet hebben! .... nooit!" mompelde ze.