IV.

Een van Wouters eerste bezoeken na zijn terugkeer had den man gegolden

die hem met de handgrepen van zijn vak vertrouwd gemaakt had, die hem,

'n jongen van zestien jaar, zóó van de lagere school, in de leer genomen

had, den bekenden boekdrukker Smit. Een goedig-ruwe, luidruchtig

vroolijke man, vol levenslust en werkkracht. Wouter had veel van hem

gehouden, hij was een van de menschen geweest die invloed gehad hadden

op zijn manier van denken en van doen, op zijn gansche optreden; hij zou

hem nooit kunnen vergeten. En ook de drukker, die trotsch was op zijn

vak, die er voor gloeide en 't er ver in gebracht had, hield van den

leergragen jongen en was blij toen hij 'm weer zag. Vroolijk stak hij

hem de groote roode hand toe. "Dat 's goed van je, dat je je ouwen baas

éris op komt zoeken, hoor! .... dat 's goed! .... dat 's heel goed! ....

kom 's gauw mee naar de zetterij .... kijk 's wat ik heb laten

verbouwen!.... Mooi, hè?.... Ja, kijk maar 's goed rond, er is hier heel

wat veranderd!.... Twee groote nieuwe persen zul je vinden in de

drukkerij .... maar nou eerst mee naar boven, want je moet 'n borrel met

me drinken.... En vertel nou 's, wat ga je nu doen hier?...." Zoo

praatte hij door, druk, telkens hartelijk lachend tusschen zijn woorden.

En dan bekeek hij Wouter weer van top tot teen. "Kerel, wat ben jij 'n

mannetjesvent geworden! 'k Zou je toch herkend hebben! Waarachtig! Al

had je er nog een sappeursbaard bij gehad!"

En hij de kamer uit en roepen aan de trap: "Komen jelie 's even hier,

Margreet, Willem, waar zijn jelie?"

Want ze moesten ook zien wat 'n mannetjesvent Wouter Rubrecht geworden

was. Eerst kwam Willem beneden, een echte sportjongen, vier jaar jonger

dan Wouter, die hem ternauwernood herkende, die niet op hem gelet had

vroeger, en wien hij nu ook vrijwel onverschillig was, want hij stond

juist op 't punt om te gaan footballen. "Dag pa! .... bonjour meneer

Rubrecht!...." En daarna Margreetje, die hem heel goed herkende en dat

ook dadelijk zei met een lieven blos. Maar toen haar vader in zijn ruwe

luidruchtigheid platweg vroeg: "Nou .... en .... wat zeg je van 'm ....

is 't niet een knappe jongen geworden?" lachte ze maar 's en zei niets,

maar bloosde nog sterker. Wouter herinnerde zich Margreet ook nog wel,

maar vóór ze was binnengekomen had hij haar in zijn gedachten zóó voor

zich gezien: een frisch kind van twaalf jaar met loshangende blonde

haren en mooie groote kinderoogen, in een lichtblauwe katoenen jurk,

stijf gestreken, met een hoog wit boezelaar er voor en twee tengere

bloote armen slaphangend langs het slanke kinderlijf. Jurk en boezelaar

tot op de weeke knieën en daar onderuit in helwitte kousen de stevige

kuiten en dan de blinkende rijglaarzen in volle glorie!.... En inplaats

van dat kind was een jonge vrouw binnengekomen--hij was even

verbaasd--maar 't haar was nog even zachtblond en de oogen nog even mooi

en groot en kinderlijk brutaal. Wouter werd verlegen en verward, was

maar blij toen hij weer met zijn ouden baas in de drukkerij stond en

naar de nieuwe machines keek en luisterde naar die vroolijke stem die

hem in de ooren klonk als een oude lievelingsmelodie: "Ja, ja! jongen,

werken maar, dan kom je er wel!.... Al dat geleuter van slechte

tijden!.... Gekheid, hoor!.... Wat had ik toen ik begon, niets! niet dat

wat op me hand ligt! ziedaar!" En hij blies op zijn vlakke hand bij

wijze van illustratie.

Maar hoeveel lichter Wouter zich ook gevoeld had, toen hij de kamer uit

was, waar Margreet hem tegemoet was gekomen met haar lieven lach en dien

blos van herkenning, den anderen dag wou hij er wéér wel heen. Maar dat

ging natuurlijk niet, hij wachtte behoorlijk een week. En meneer Smit

was weer even blij en hartelijk; hij moest 's komen eten! Ook Margreetje

scheen niet ontstemd door de haastige herhaling van zijn bezoek. En hij

kwam eten, en nog 's, en dikwijls en werd erg verliefd. En hij vroeg

haar. En zij zei: ja! En de vader was verrukt; er was geen enkel

bezwaar! 't Ging alles heel gewoon!....

En Wouter hield van zijn Margreet zooals een eenvoudig man als hij houdt

van de vrouw, die voor hem 't ideaal is en die hem liefde gegeven en

trouw beloofd heeft. Zijn gevoel was niet bizonder gedistingeerd, niet

gecompliceerd, niet exotisch, hij was er trouwens de man niet naar

geweest zich daarvan rekenschap te geven. Hij was eenvoudig dol op haar,

de gedachte aan zijn meisje vulde hem gansch en al met warme

levensvreugde, met welwillende goedheid en trots; hij droomde zich geen

ander geluk dan voor haar te werken, te zorgen, voor haar en met haar te

leven, zijn heele leven, o, dat 't lang mocht zijn en zonder rampen!

En zij hield ook veel van hem--heel veel! Zij vond hem een knappen

jongen en zoo goedhartig. En vooral dat hij zooveel gezien had van de

wereld en zoo'n prettige man was om mee uit te gaan, dat beviel

haar!.... En dat hij zoo'n mooie positie krijgen zou.... En zij vond 't

heerlijk om geëngageerd te zijn, zij was de eerste van haar kransje; ze

was pas achttien!

De vreemde plant · 第 9 / 47 题