Een ongewone drukte dien Zondagmiddag in 't stille Rubrechtshuis. Tien
menschen om de ronde tafel in de achterkamer, waar anders de oude
boekhouder en zijn vrouw met hun twee kinderen alleen zaten. Druk
gepraat en gelach, waar anders zoo nu en dan maar 's wat werd verteld
door Wouter of door Anna om de stilte te breken en 't middagmaal een
beetje te rekken, dat 't niet zoo erg gauw afgeloopen was. Druk gepraat
en gelach van Smit vooral, den stevigen boekdrukker, die rechts naast
mevrouw Rubrecht zat en met zijn forsche figuur en zijn joviaal gezicht,
rood en baardig, de tafel beheerschte, vroolijkheid uitstralend; van oom
Frits ook, die, zittend aan de andere zij van zijn zuster, zich als den
voornaamsten gast en als het meest gedistingeerde element van het
gezelschap beschouwde, altijd even interessant met zijn bleek gezicht en
zwarte haren, zijn ietwat lijdend type, zoo door-en-door sympathiek. Hij
praatte veel, coquetteerend met zijn beschaafde uitspraak en met de
weeke gebaren van zijn witte handen, waarheen een paar flonkerende
diamanten de blikken trokken.
Zijn vrouw, een lief, blond schepseltje, soms innemend schuchter, soms
zielig-onderworpen van houding zat rechts van den boekdrukker, naast
haar Wouter en dan zijn meisje, die tusschen Wouter en zijn vader
geplaatst was, zoodat de gastheer--zooals dat hoort--vlak over zijn
vrouw was komen te zitten. Rechts had hij zijn gewaardeerden Wim, die
trotsch scheen op zijn plaats en de kleine Anna naast hem door 't
gewicht van zijn figuur als verpletterde. Tusschen haar en oom Frits
troonde de sport belichaamd in den jongenheer Willem Smit, wiens basstem
voortdurend met de woorden: fiets, trainen, racen, football en zoo meer
jongleerde. En te midden van al die drukke menschen die haar vriendelijk
prezen, haar en haar keukenmeid, om 't lekkere eten, zat moeder
Rubrecht, vermoeid, soms weemoedig glimlachend, soms als verbijsterd,
met dofdwalende oogen, een vreemd gewas, verdwaald in een
burgermansbloembed met veel geel, oranje en hardpaars.
Over haar hoofd heen spraken Smit en oom Frits elkaar toe en waren 't in
den regel niet eens. Nu beweerde de boekdrukker, die zijn gastheer iets
aangenaams zeggen wou, dat je in zaken de administratieve koppen toch
maar niet missen kon en won zich daarmee niet alleen het hart van den
ouden Rubrecht, die zat te glimmen van louter genoegen, maar ook dat van
Wim, die houterig boog over zijn soep en zei, dat in een zaak als die
van meneer Smit technische kennis toch wel de eerste vereischte zijn
zou, maar oom Frits merkte zeer bescheiden op dat boekhouden en dat
soort van bekwaamheid altijd voor geld te koop was, maar talent, meneer!
talent, ziedaar 't eenige noodige, en dat was niet te koop! dat was
aangeboren!.... Dan weer gaf Van Plaswijk zijn ergernis lucht over die
menschen, die Wagner's muziek niet mooi vinden en toen Smit gullachend
bekende tot "die menschen" te behooren--want dat hij er "geen laars" van
begreep--pakte oom Frits die gelegenheid aan om een "verklaring" van die
muziek te geven, een verklaring die bestond in een aaneenschakeling
zonder samenhang van woorden en phrasen, die hij hier en daar gelezen
had, en hij bracht zooveel kunsttermen te voorschijn dat 't den
boekdrukker begon te duizelen. De goede dikkerd maakte er een eind aan
door een luide en langdurige schaterbui, waarna Van Plaswijk, geërgerd
en verward, over 't onderwerp zweeg en zich met den jongen Smit in de
geheimen van het race-roeien begon te verdiepen. Moeder Rubrecht, 'n
beetje ongerust door die luidruchtige woordenwisselingen keek angstig
rechts en links zoodat Wouter medelijden met haar kreeg en haar
bemoedigend toeknikte, waarvoor hij beloond werd met een blik zoo
weemoedig-dankbaar, dat hij, in zijn hooge stemming, ontroerde. Tranen
sprongen in zijn oogen en hij boog zich snel over zijn bord, dat zijn
meisje 't niet zien zou. Maar Margreet, blozend van opgewonden
vroolijkheid, zich zalig bewust van haar bekoring, stralend van trots op
haar beteekenis aan die tafel, Margreet zag 't niet. Zij lachte juist
helder op, om iets wat oom Frits zei; haar mooi welluidend lachen rees
en daalde zonder trilling.
't Stilst was tante Amelie, 't jonge weeuwtje dat oom Frits tot den
gelukkigsten man der wereld maakte. Zij antwoordde als ze werd
aangesproken, met een enkel woord of een glimlach, en at heel weinig.
Zij scheen wel weg te willen zinken in het geroes om haar heen.
Werd 't een oogenblik stil aan tafel, dan keken de mannen naar Wouter
en zijn meisje en werden zij toegelachen en toegeknikt en geplaagd met
hun verliefdheid, een geesteloos welmeenend, goedmoedig burgerlijk,
vrindelijk kleinzielig geplaag met afgezaagde phrasen. Anna keek wat
spijtig omdat zij niet meer geplaagd werd, zij fluisterde met Wim en
gichelde om de aandacht te trekken, maar 't hielp niet.
Aan 't dessert werd getoost. Vader Rubrecht begon--zijn zwager had 'm al
een paar maal gewenkt met een gebaar van meerderheid--vader Rubrecht
begon kuchend en met een wijnrooden kop en zei, dat hij alleen maar even
op de jongelui wou drinken, dat hij geloofde dat Margreet een lief
meisje was en een lieve vrouw voor Wouter zou zijn. Hij hoopte maar dat
zij, die 't zoo goed gewoon was, de eenvoudige levenswijs van de
Rubrechts voor lief zou willen nemen. Hij was maar een pennelikker, zie
je!--maar och, nietwaar, die menschen moeten er toch ook zijn--en hij
en z'n vrouw, niet waar moeder?--hij en z'n vrouw .... úche, úche ....
nou ja, enfin, hij dronk op de jongelui. "Daar gaan ze."
Ze stonden allen op en klonken en Smit bleef staan en keek Wouter aan en
zei: "Woutertje, jongen, dat hadt je toch niet gedacht toen je bij mij
op de drukkerij kwam; weet je nog, dien eersten dag, toen ik je 'n lik
om je ooren gaf omdat je die zetplank op m'n eksteroogen liet vallen."
En toen draaide hij zich naar den vader en begon over Wouter te praten,
zijn leerling, die nu zijn schoonzoon zou worden, en hij zei, dat hij 'm
niet pedant wou maken, maar dat hij wel vertrouwde dat er voor hem 'n
toekomst was in 't vak, dat 'n mooi vak was, 'n nobel vak, al zei-ie 't
zelf! Hij hoopte van harte dat 't 'm voor den wind gaan zou, dat zijn
zaak zou bloeien, maar dat hij--en de stem van den zwaren man begon te
trillen--dat hij hem, zijn ouden baas, nooit vergeten zou. Oom Frits
scheen dezen toost als een compliment aan zijn adres te beschouwen, hij
bedankte allerminzaamst en begon met zijn zachte sympathieke stem vlug
te praten over zijn groote plannen, waarin Wouter zoo'n belangrijke rol
spelen zou. Hij beweerde Wouter oprecht te bewonderen, zoowel om zijn
smaak voor het schoone (met een minzaam glimlachend buiginkje naar
Margreet, die bloosde) als om zijn bekwaamheden, waartoe meneer Smit
zooveel had bijgedragen (met een licht knikje aan 't adres van den
drukker). Hij geloofde dat Wouter zeker nooit 't groote vertrouwen
beschamen zou, dat hij--oom Frits--in hem stelde. Daarvan hing ook voor
een groot deel het welslagen af van hun onderneming, waaraan trouwens
hij--oom Frits--niet twijfelde.
En Wim stond ook op en dronk op zijn aanstaande schoonouders en op den
hechten band, die naar hij hoopte hun kinderen steeds .... en zoo meer,
en zoo meer....
Eindelijk bedankte Wouter. Hij deed 't met groote inspanning; tranen
vielen op de hand die zijn glas omknelde. Hij sprak verward van dank en
vertrouwen en liefde .... en 't kostte hem zooveel moeite de woorden uit
te brengen dat de anderen medelijden met hem kregen. Smit wenkte dat hij
't er bij laten zou. Oom Frits wierp er geestigheden tusschen door,
Willem Smit proeste 't luid uit, Margreet had 'n beetje 't land en trok
Wouter zachtjes aan zijn mouw. Maar hij wilde 't toch tot 'n eind
brengen. Zijn moeder tuurde voor zich uit en hoorde 't niet, toen hij
eindelijk ophield met spreken en ging zitten. Zij zat in gepeins met het
hoofd naar voren, zacht weenend. Maar Smit stootte haar aan, en zei met
zijn ruw-vroolijke stem, nog harder dan anders, om zijn aandoening te
loochenen. "Kom, mevrouwtje, laten we 's klinken!" Toen schrok ze op,
glimlachte en veegde haar tranen weg.