Oom Frits--Wouter's toekomstige compagnon--was een man van talent. Toen
zijn vader bankroet ging en de tijding tot hem kwam in Parijs, waar hij
studeerde aan 't conservatoire, had hij zich eerst volkomen overgegeven
aan zijn droefheid; hij had zichzelf diep beklaagd en zich laten
beklagen door zijn vrinden; hij had zijn lange haren vóór over zijn
gezicht gehaald en voor zich uitgestaard met wanhoopsblikken. Maar toen
hij dan eindelijk goed begon te begrijpen, dat 't nu uit was met zijn
lekker-lui leventje--zoogenaamd voor de kunst--met languit liggen op
sofa's en gedichten maken op mooie meisjes en gloeiende feesten, met
droomerig neerzitten voor een half-af schilderstuk, zacht tokkelend op
de snaren van een viool--want hij deed aan alles: muziekmaken, dichten,
schilderen--toen was 't hem of hij voor 't eerst in zijn leven goed
wakker was! Zijn innerlijk ik, die al die kunst heel aardig vond, maar
toch 't meest behoefte had aan lekker eten en drinken en een zacht bed
dreef hem voort--weg uit Parijs .... terug naar zijn geboortestad! En
hij ging aan 't zoeken! Hij schreef op allerlei advertenties; hij liep
zijn oude kennissen af, smeekend om hulp, want zijn innerlijk ik
versmaadde weinig middelen!
Zoo was hij gekomen, als "aankomend bediende" op kantoor bij een
graankooper, een eenvoudig man, dien hij zoo handig wist in te palmen
door zijn slim gekozen woorden en zijn fijnbeschaafde manieren en ook
door zijn leepheid in 't zaken doen, dat hij in korten tijd van
"aankomend bediende" procuratiehouder werd, bij zijn patroon ontvangen,
aan zijn dochter voorgesteld en .... twee jaar later de zaak van zijn
schoonvader overnam. Hij had den altijd bezigen ouden man net zoolang
aan het hoofd gemaald van "welverdiende rust" en "kalmen ouden dag" en
zoo meer, tot hij zich teruggetrokken had op een vervelend buitentje. En
toen werden 'n paar nieuwe bedienden aangesteld, de viool en 't penseel
weer ter hand genomen en 't ontijdig afgebroken lekker-lui leventje
voortgezet. Zijn schoonvader--die den slag niet had van 't
rentenieren--ergerde zich dagelijks erger, en dat was heel gevaarlijk
voor hem, want hij was een dik, volbloedig man. De gevolgen bleven dan
ook niet uit .... een beroerte .... en Louise en haar Frits kregen de
erfenis thuis. Nu werd de zaak aan kant gedaan, bij 't huis werd een
stal gebouwd, in de opera werd een loge gehuurd. Er kwamen veel gasten,
goede, welmeenende vrienden, bewonderaars van oom Frits' talenten.
Tot plotseling bleek dat de zaak toch wel wat al te vroeg aan kant
gedaan was, dat er wel wat al te veel verteerd was, dat 't ook al te
laat was om in te krimpen wat te veel was uitgezet.... Er kwam een nare
tijd van gejaagdheid en zorg en roezemoes voor dien armen oom Frits.
Maar de ramp dreigde en trof en bleef niet alleen. Alles werd verkocht,
tot de viool toe, en tante Louise stierf. Kinderen waren er gelukkig
niet. Zoo stond dan Frits van Plaswijk op een donkeren najaarsmorgen
weer heel alleen, was hij weer even ver als twintig jaar geleden en had
hij zich weer de oogen uit te wrijven om ten tweeden male te ontwaken.
Maar toen was zijn familie, vervuld van bewondering voor zijn talenten
en ingenomenheid voor zijn sympathieke persoon, hem te hulp gekomen. Er
was--'n idee van hem natuurlijk!--een stoomwasscherij opgericht onder
zijn directeurschap. Ooms en tantes, neven en nichten namen aandeelen en
zonden hun wasschen. De inrichting was kranig, vooral het kantoor van
den directeur, waar niets ontbrak. Daar werden ook de
bestuursvergaderingen gehouden die heel gezellig waren en altijd werden
gevolgd door een fijn dinétje, voor rekening van de nieuwe maatschappij.
Aan 't dessert werd dan warme hulde gebracht aan den genialen stichter
van deze waschinrichting.
In 't begin ging alles goed, telkens sloten zich nieuwe familieleden en
goede vrienden aan. Maar toen kwam er stremming, de neefjes en vrindjes
waren op. En 't "groote publiek" bleek nog niet rijp voor Van Plaswijks
ideeën. Hij besteedde een paar duizend gulden aan reclame, maar 't hielp
niet veel. 't Was treurig--maar 't was eenmaal zoo! Men kon toch niet
van hem eischen dat hij de menschen zou gaan vragen om hun vuil linnen?
Laat ons trachten, zoo dacht toen oom Frits, de inrichting tot nog
grooter volkomenheid te brengen. En hij ging op reis naar Berlijn en
naar Parijs om daar stoomwasscherijen te bestudeeren. Maar dat duurde
niet lang. Een telegram van een der commissarissen deed hem hals over
kop terugkeeren. Zijn boekhouder, die zijn volle vertrouwen bezat, was
plotseling ook op reis gegaan om de stoomwasscherijen in Amerika te
bestudeeren en hij had de kas meegenomen uit voorzorg. Later schreef hij
nog een brief om hulde te brengen aan het inzicht van oom Frits, voor
wiens ideeën hij Amerika volkomen rijp bevonden had.
Intusschen kon Van Plaswijk's grootsche stichting 't verlies van haar
boekhouder en haar kas niet lijden. Men likwideerde, de familie berustte
in 't verlies en had niets dan medelijden voor hem, den man van talent,
slachtoffer van zijn genialiteit en te groot vertrouwen in een
medemensch!
En voor de derde maal moest Frits van Plaswijk zich wakker schudden en
al de gaven, die hem tot nog toe uit den brand geholpen hadden te zamen
grijpen en goed uitkijken en scherp denken. Ditmaal hield hij zijn
vrienden er buiten. Hij verkocht wat hij bezat en ging ergens in een
achterafbuurt wonen, heel eenvoudig. Een tijdlang zag hem niemand. Toen
hij zich weer vertoonde, was 't met hangend hoofd. Hij was nu
ongelukkiger dan ooit, zuchtte hij, en zijn mooie donkere oogen keken
dwalend rond. Hij was verliefd, en .... hopeloos! Zij was een lief,
jong weeuwtje .... ze zou hem uitlachen .... wat had ze hem noodig!....
Ze trachtten hem moed in te spreken, maar hij schudde 't hoofd. Ze
vreesden, dat hij zich van kant maken zou....
Maar daar kwam opeens de blijde tijding: hij was geëngageerd! Hij was de
gelukkigste mensch van de heele wereld!.... Want zij was een engel, hij
aanbad haar!.... En, o gelukkig toeval! zij was ver van onbemiddeld. Nu
belette ook niets hem meer een plan te verwezenlijken, dat altijd tot
zijn illusies behoord had, maar in den laatsten tijd tot rijpheid was
gekomen in zijn geest. Een nieuwe onderneming, die zeker slagen zou!
Juist iets voor hem,--als geknipt!--Men zou er algauw meer van hooren.
Hij trouwde en openbaarde den nieuwsgierigen familiekring zijn plannen.
Een groote drukkerij en uitgeverszaak zou hij oprichten. Dat was iets
in den geest van den tijd. Immers door het meer en meer verbreide
onderwijs groeide dagelijks het publiek voor wetenschap en litteraire
kunst. 't Zou een schitterende onderneming worden. Wel had hij
persoonlijk geen ondervinding van zulke zaken maar daarom zou hij zijn
neef Wouter er bij halen, die er een piet in was. Hij zelf zou zich
uitsluitend bezighouden met het hoogere hersenwerk, 't uitdenken van
grootsche uitgeversplannen, 't confereeren met geleerden, schrijvers,
illustrators, 't bijwonen van letterkundige congressen .... en wat dies
meer zij.... De firma zou als eerste uitgaaf zijn eigen gedichten doen
verschijnen op geschept papier.............................
.....................................................................
En hij schreef aan Wouter dat zijn toekomst verzekerd was, als hij maar
gauw overkwam. Want Wouter was toen in Londen. Hij zou beginnen als
procuratiehouder, maar--wanneer alles goed ging--over een jaar lid van
de firma worden. Wouter, die veel wist van zijn vak en er van hield, die
anderhalf jaar in verschillende drukkerijen in Leipzig en Parijs gewerkt
had en nu in Londen, waar hij zich gelukkig en thuis voelde--hij hield
veel van Engelschen--Wouter had er eerst weinig zin in. 't Plan kwam hem
te onbekookt voor en zijn ooms brieven deden hem onwillekeurig aan
Holloway en Beecham denken. Maar de brieven bleven aandringen en alle
bezwaren wegredeneeren--'t begon hem te duizelen--, zijn moeder ried 't
hem ook aan--en ze schreef dat ze 't zoo heerlijk vinden zou haar
lieveling weer voorgoed bij zich te hebben....
Zoo was hij dan toch gekomen en terstond daarop was een begin gemaakt
met de toebereidselen, het inkoopen van machines, letters, het
aanstellen van personeel. En alles ging uit een ruime beurs, zoodat 't
Wouter wel moest bevallen.... En 't beviel hem dan ook .... zeker ....
o, zeker!....