De Rubrechts dan bewoonden een bovenhuis op een smalle gracht, een
gracht van den derden rang, stil, oud, heel oud. 't Was een huis met
een donkeren geölieden gevel, een trapgevel en zoo waren al de huizen
aan weerszijden. Moe stonden ze tegen elkaar aan en voorover te hangen.
Twee sombere rijen.
Zwaar helden over het water, dat stil stond tusschen de steile wallen,
de dikke boomkolossen, de een scheever dan de ander, al de stammen
grillig gespleten en gebocheld, vreemde gedaanten. Hier en daar ontbrak
er een, eindelijk bezweken onder den last van zijn kruin en neergeploft
in 't vieze water, en op zoo'n leege plek was dan een lummelig jong
boompje gezet met een banaal keurig hekje er om van geverfd ijzer, een
boompje als uit een speelgoeddoos, onuitstaanbaar wijsneuzig.
De Rubrechts woonden boven 'n kantoor en links en rechts waren kantoren
met bovenhuizen. Maar de oude Rubrecht had niets te maken met het
kantoor beneden, want hij was eerste boekhouder bij Jan Blok, een
groote firma ergens op 'n veel voornamer gracht. Hij woonde daar alleen
maar omdat 't er zoo goedkoop en toch zoo door en door fatsoenlijk was.
En goedkoop en toch fatsoenlijk, dat was alles wat hij wenschte.
't Was op een Zondagmorgen. Die kant van de oude gracht waar de
Rubrechts woonden lag in de hitte, die fel brandde op de keisteenen voor
het huis, maar 't stilstaande water in de schaduw van den overkant en
van de boomen, vuilzwart en donkergroen, bedorven.
't Kantoor beneden was gesloten met hardgele luiken, die brutaal blonken
in de zon. Maar boven zag alles er rustig en fatsoenlijk uit. De
gordijnen in de beneden voorkamer, de "mooie" kamer, de dikke
roomkleurige ophaalgordijnen, ouderwetsche, met plooien en de witte
opengewerkte overgordijnen, voor alle drie de ramen even hoog en even
breed, lieten precies gelijke zeskante stukjes raam vrij voor het licht.
De buitenjalouzieën aan de tweede verdieping en het gordijn van het
zolderraam hingen strak neer in hun volle lengte, 't Oude hijschblok
reikte somber in de ruimte, zijn schaduw werpend op het huis.
Dit was een Zondagmorgen als iedere andere, als de vorige en als
verleden jaar en als voor tien jaar. Niemand had die gracht ooit anders
gezien op Zondag.
Toch was er juist aan het Rubrechtshuis iets zeer buitengewoons te zien
dien morgen en tuurden de overburen over hun vensterbanken en tusschen
de takken van de boomen door verbaasd naar de ramen van de
benedenvoorkamer. 't Was al ongewoon dat de gordijnen niet heelemaal
gesloten waren in de zon, maar het allervreemdst was, dat op het ronde
tafeltje voor het middelste raam, waar anders altijd de zilveren
inktkoker glansde onder de glazen stolp (altijd tenminste nadat Rubrecht
zijn jubileum had gevierd bij Jan Blok)--nu stond een mandje bloemen.
Een elegant rond mandje met een deksel, die half openstond en waar de
witte en roode rozen onderuitdrongen in gloeienden overvloed. Rozen ook
om het hengsel en een wit lint, eindend in een lossen strik. Een
buitengemeen mooi mandje, zeker het sierlijkste voorwerp wat nog ooit
bij Rubrecht te zien geweest was en toch nog maar een voorbode, een
inleiding....
Want Wouters meisje, Wouters mooi meisje zou haar intree komen vieren in
Wouters ouderlijk huis!....
Aan weerszijden van het kleine tafeltje stond een leuningstoel en op de
linksche zat de oude Rubrecht en keek naar 't mandje. Dat was zijn
eenige bezigheid maar niet het doel van zijn zitten daar, want al
dadelijk toen 't gekomen was had hij 't aan alle kanten bekeken en
beroken, 'n half uur lang. Het doel was negatief: hij wilde zich niet
"vuil maken." En al scheen daartoe weinig gelegenheid in de zorgvuldig
afgestofte kamer, 't veiligst was toch maar onbewegelijk te blijven
zitten. Zijn gekleede jas zonder kreukje, zonder stofje, zijn witte das
recht als die van 'n dominee op zijn portret, zijn breede laarzen
glimmend, zat hij daar en keek en wachtte. Zijn dikke doezelkop 'n
beetje naar voren en meest naar voren de onderlip. Een glad geschoren
egaal-rood gezicht, alleen zijn kale kruin wat blanker en heel wit de
dunne haren langs de slapen en de zware wenkbrauwen. Goedige kleine
oogen starend langs de dikke neus en onder de oogen groote blazen. De
vleezige wangen zakkend in de onderkin.
Alleen de oogen bewogen nu en dan, opkijkend van het mandje naar de
bloemen van 't gekalkte plafond, naar de "schilderijen" aan den wand,
premieplaten van zoogenaamde prachtwerken, leelijke ouderwetsche
staalgravuren, of naar de helder gewreven bonheur, 't cadeau van zijn
ouders bij zijn huwelijk, nog altijd ontzien, gevreesd bijna als een
voorwerp van buitensporige pracht en weelde. De overige meubelen waren
eenvoudig. Een ronde tafel op één gedraaide poot, acht stoelen en een
kanapee met zwarte trijpen zittingen.
Op den schoorsteenmantel een ander voorwerp van luxe, ook een cadeau,
een vergulde pendule, met een vergulde Ceres en vergulde korenschoven er
op, onder een stolp en aan de eene zij een porseleinen herder, met 'n
poeslief gezichtje, zijn jasje kleurig gebloemd en een luciferstandaard
van geel koper, en aan de andere zij een porseleinen herderin en een
geelkoperen aschbak. Deze vijf stukken op gelijke afstanden en de herder
en herderin wat naar elkaar toegedraaid uit hartelijkheid. 'n Goed kind,
die Anna!
Schielijk ging de deur open en kwam mevrouw Rubrecht de kamer in. Klein
nietig vrouwtje in 't zwart, stemmig dofzwart, 'n ernstig, wasbleek
gezichtje, ovaal, regelmatig als 'n Mariakop, in een kap van gladweg
gekamd donkerblond haar, waarop ze 'n donker dofgrijs tulen mutsje
droeg, wat haar ouder deed schijnen dan ze was. Om den schralen hals lag
povertjes 'n smal wit kraagje en wat zwarte kant viel uit de mouwen over
de magere polsen.
Ze kwam haastig binnen, liet de deur achter zich open. "Daar is Wim,"
zei ze. En ook kwam kort daarna, veel bedaarder, een jongmensch naar
binnen en stapte op Rubrecht toe. De oude man draaide zich half om.
"Zoo! dag Wim," zei hij. "Goeiemorgen, meneer," groette Wim hem de hand
reikend, "hoe maakt u 't?... Hé!--wat 'n mooie bloemen!"--Rubrecht
grinnikte vergenoegd. "Ja, ja!--Woutertje weet 't wel, vindt je niet?"
Mevrouw schoof gejaagd met 'n stofdoek langs de leuning van een stoel.
"Ik zal Anna 's even roepen," zei ze. "Ze is nog aan 'r toilet bezig....
ze heeft je misschien niet gehoord".... En ze liep de kamer weer uit
zonder naar Wim te luisteren, die nog riep: "Doet u geen moeite! Ze zal
wel komen!"....
"Ga zitten, Wim," zei de oude Rubrecht.
Toen nam de heer Willem Teunisse--genaamd Wim--voorzichtig tusschen
iedere duim en voorste vinger een pand van zijn gekleede jas en liet
zich langzaam en vol waardigheid neer op den anderen leuningstoel.
Rubrecht's aanstaande schoonzoon was boekhouder; hij was een degelijk,
solied jongeling, knap in zijn vak, bescheiden tegenover oudere
boekhouders, nederig en eerbiedig als hij van zijn patroon sprak; hij
zou een schoonzoon worden zooals Rubrecht er zich zeker een gedroomd zou
hebben, als hij ooit gedroomd had. 't Was iemand, die zijn plaats in de
wereld begreep en die niet, als zoovelen tot hun ongeluk, streefde naar
onafhankelijkheid, roem, eer of schatten. Zijn eer lag in de brandkast
van zijn patroon, zijn roem was honderd gulden verhooging van salaris en
zijn eenige schat was op 't oogenblik aan haar toilet bezig. Zoo hoorde
't! Daarbij kwam dat de heer Wim iemand was van onbesproken
levenswandel, zevenentwintig jaar oud, schutter, 'n weinig mottig maar
toch niet opvallend leelijk, en eigenaar van 'n miniem erfenisje en 'n
gering spaarduitje, samen vormend een ruggesteuntje, dat 'n zekeren roep
van welgesteldheid van hem deed uitgaan onder zijn kennissen. Deze heer
had dus alle recht zich langzaam en met waardigheid te bewegen.
"Lekker weer, hè Wim," zei Rubrecht.
"Bizonder lekker weer, meneer," zei Wim, "bepaald zeer mooi weer, ziet
u, haast te mooi voor den tijd van 't jaar! Wat blijft 't lang droog,
vindt u ook niet?"
"Wees maar niet bang; voor we 't kwartaal afsluiten zal de regen z'n
debet wel aanzuiveren," zei de oude boekhouder, en beide lachten met
deftigen kraaklach om die aardigheid.
Mevrouw Rubrecht kwam weer binnen en kwam ook bij het tafeltje staan.
"Ze komt dadelijk," zei ze, zenuwachtig glimlachend met 'n verstrooiden
blik in 't rond. En toen tot Wim: "Vindt je die bloemen niet
prachtig?--die Wouter!--goeie, royale vent, hè?--Ja, maar hij heeft nu
ook 'n mooie positie!--en 't moet zoo'n lief meisje zijn, Wim--o, zoo'n
lief meisje!--ja, zet nu maar niet zoo'n ongeloovig gezicht,--dacht jij
misschien, dat ze wat .... wat oppervlakkig was, 'n beetje luchthartig
misschien?---O, nee, Wim!--nee! dan zou Wouter nooit zooveel van 'r
zijn gaan houden--heusch niet!--dat is niets voor Wouter!--Wouter is
ernstig, bedaard! Hij is er de jongen niet na' om zich door 't eerste 't
beste mooie gezichtje te laten inpakken!--nee! dan ken je Wouter
niet!--"
"Maar mevrouw, ik...."
"Nou ja, ik weet wel, Wim, je meent 't goed .... maar, zie je,
Wouter!...."
En de moeder begon met een wijden blik, die ver over de hoofden van de
twee boekhouders heen aan een heerlijk lichtbeeld scheen te hangen, de
moeder begon te praten over haar zoon, haar eenige, haar alles! Hij had
nu een goede positie, maar hij verdiende dat ook ten volle, je moest
zijn patroon, zijn aanstaanden compagnon, haar knappen broer Frits maar
over hem hooren. Neen, dat stond vast, Wouter had zich een vrouw
gekozen, die hem waard was! Niet dat hij dat zelf zeggen zou!--pedant
was hij heelemaal niet!--Maar 't was zoo!--Wouter met zijn juisten
blik, met zijn menschenkennis!
"Nee, heusch, Wim," zoo ging ze al maar door, ofschoon haar aanstaande
schoonzoon al lang overtuigd scheen, "'t _is_ een engel van 'n
meisje!--Weet je, dat ze zoo jong haar moeder verloren heeft!--net als
ik,--treurig, hè?--Haar vader heeft er heel veel van geweten!--goeie
man, haar vader!--goeie man!--hij werd gevoelig toen hij er over
sprak.--Mevrouwtje, zei hij, je haalt 't zonnetje uit m'n huis!.... Toen
me lieve vrouw dood was, is zij hier in huis het middelpunt geworden
.... zonder haar zal 't hier uitgestorven lijken.... 't Is misschien
niet goed zooveel van 'n kind te houden, zei hij, maar zooals zij ook
altijd met me omging, zoo innig lief, zoo aanhankelijk...."
Mevrouw Rubrecht beet zich op de onderlip en snoof een traan op.
Wim keek haar verwonderd aan.
"En weet je, wat haar vader ook zei," ging ze weer door, "dat is iets
voor jou Wim!--Hij zei, dat ze zoo'n knap huishoudstertje is.... In 't
laatste jaar heeft zij de kas gehouden, de huishoudkas, .... keurig,
keurig! .... 't klopt altijd prompt!"
Wim glimlachte. "Aan diversen zooveel," zei hij.
"Waarom zeg je dat nu weer, Wim? Kan dat nu weer niet, dat 'n meisje
zulke dingen goed doet?...."
"Zeker, zeker!" zei Wim, knikkend met zijn gewichtig hoofd, zoodat zijn
glimmende gekamde haren, op en weer wipten in zijn nek, "maar uit een
volle beurs is 't makkelijk kas houden!...."
"Wat bedoel je daarmee, Wim?--je dacht toch niet dat Wouter haar om 't
geld....? O, Wim, wat ken je Wouter weinig, foei!"
En vader Rubrecht, die tot nu toe al maar goedig glimlachend voor zich
uit had zitten kijken zonder 'n woord te zeggen, schraapte zich nu de
keel en zei: "Nee, Wim, nee!--dat is niks voor Wouter!...."
"Wie zegt dat dan ook!" zei Wim, "ik denk er niet aan...."
Maar Anna was binnen gekomen. Wim stond bedaard op, liep haar drie
stappen tegemoet en gaf haar een kus op iedere wang. Ze kwam ook naar de
bloemen kijken en berook de mand aan alle kanten en zei dat 't jammer
was dat rozen zoo weinig geur gaven, 't Was of 't haar troostte! Wat ook
wel zoo geweest zal zijn, want zelf was ze maar 'n simpel muurbloempje
en heel blij dat ze toch geplukt zou worden, al was 't dan maar door 'n
boekhouder, die 'n weinig mottig was.
Ze leek op haar vader, ze was een leelijk meisje, met fletse oogen en
iets paffigs in haar gezicht.
De moeder liep de kamer weer uit.
"Je ma schijnt in 'r schik, vandaag," zei Wim tot zijn meisje,--"maar
wat is ze zenuwachtig!"
"Gelukkig, dat ze zoo is," zei Anna--wat korzel door dat ze zoo laat
was--"en niet in 'n melancholieke bui zooals eergisteren nog--en zooals
zoo dikwijls."
"Zoo, zoo!--Meer dan vroeger?"
De oude Rubrecht keek op, niet meer glimlachend, 'n beetje wrevelig.
"Wel nee!"--bromde hij--"niet meer dan vroeger--je moet daar niet zoo
over praten, Anna,--je weet, 't zit in ma's gestel!--nee! niet meer dan
vroeger--niet meer dan vroeger!"
"Waar ze nu heen geloopen is?" zei Wim, op zijn horloge kijkend, "'t is
half één, Wouter en z'n meisje kunnen ieder oogenblik komen."
"Ik wed, dat ze boven uit 't raam uitkijkt, of ze 'r al aankomen,"
antwoordde Anna. En dat scheen 't ook te zijn geweest, want 'n paar
minuten later kwam moeder Rubrecht weer binnen, even maar, om
blij-gejaagd te roepen: "Daar komen ze, daar komen ze!" En meteen was
ze weer weg om zelf open te doen.
De oude heer zette zich in postuur, werd nog rooder dan anders en
hoestte herhaaldelijk. Wim knipte zich 'n paar stofjes van de jas, stond
op, kuchte ook en was blijkbaar wat verlegen met zijn stijve figuur.
Anna ging in de gang over de leuning van de trap staan kijken.
En ze kwamen. 't Moedertje kuste beiden met tranen in de oogen zoodra ze
in huis waren. Vroolijk pratend kwamen ze de trap op, Anna tegemoet, die
haar aanstaande schoonzuster op iedere wang een klapzoen gaf. Toen ze
binnen kwamen zette vader Rubrecht zich geheel overeind, maar bij bleef
bij zijn stoel staan en stak 'n hand uit. "Welkom hier," zei hij,
"welkom, welkom!" En Margreetje vatte de hand en drukte haar lippen even
op 'n licht plekje van 't roode gezicht. Met stralende oogen ging de
oude man weer zitten. En toen kwam ook Wim haar sterk blozend
begroeten.
Een kind, een mooi kind, frisch-jong, hel-blond, stralend van dartele
levenslust, van dol-vermetele vroolijkheid--zoo stond daar Wouters
meisje in het huis van zijn moeder. Ze was heel mooi. Ze had een slanke
figuur, zacht-ronde lippen, een gezond-veerkrachtige, fiere houding.
Lachend haar ongemeen bekoorlijken, welluidenden lach liet ze zich
kussen, mild met lieve blikken en warme woorden. Dadelijk was ze druk
aan 't praten; zij had een innemende stem, soms licht geaffecteerd, maar
't was niet hinderlijk, 't was alleen maar een beetje coquet. De bloemen
vond ze "beeldig," 't mandje "dol elegant." "Wat snoezig van je,
Wouter," zei ze, en opwippend op haar teenen--want ze was veel
kleiner--lei ze even tegen hem aan haar mooie lijf en gaf 'm een zoen!
Wouters goedig, onbehaard gezicht glom van innig genoegen. Hij lachte
kort, sprak weinig. Hij stond te wippen, keek nu eens vol trots naar
zijn meisje, dan weer naar ieder van de anderen, hij trok gekke
gezichten, bewegend zonder ophouden zijn wenkbrauwen en zijn mond. Er
was stille triomf in zijn houding. Blijkbaar was hij blij met den indruk
die zijn meisje maakte op zijn huisgenooten, blijkbaar was hij vol dolle
vreugde, had hij 't wel uit willen gillen, maar hield hij zijn
aandoening met veel kracht in bedwang. Hij leek op zijn moeder, wat
vooral zoo sterk uitkwam doordat hij baard noch snor droeg. Toch had hij
een echt mannelijk voorkomen, droog, streng, zeer gunstig, en in zijn
oogen een schat van gulle goedhartigheid.
Ze stonden een poosje te praten en te lachen. Moeder Rubrecht dribbelde
telkens de kamer uit en in en kwam eindelijk met een glanzend gezichtje
vragen "of de kinderen kwamen koffiedrinken." Toen trokken ze naar de
achterkamer met glimlachende monden, de oude vader achteraan. Hij was
wat slap in zijn knieën en hij wilde niet dat Margreet dat al dadelijk
merken zou.
Er was een zonnige stemming aan de koffietafel; Margreet was het
middelpunt, zij moest zonder ophouden haar mooi kopje draaien van rechts
naar links om iedereen te woord te staan. Anna was blij dat haar
elegante aanstaande schoonzuster zoo vriendelijk tegen haar was, zij
keek dankbaar op naar Wim--die naast haar zat--, alsof die 't helpen
kon. De moeder tuurde al maar naar dat meisje, dat mooie meisje, die een
fee geleek, een fee uit een sprookje en die toch Wouters meisje was,
zijn vrouw zou worden. Dat was ze dus, dat was ze dus! En ze keek naar
haar met groote oplettendheid, ze nam dat mooie beeld in zich op, niet
in ééns, maar minutieus, bekijkend de oogen, de neus, de lippen, de
kin, als iemand, die een portret teekent. Margreet bloosde onder dien
blik. En de moeder, die dat zag begon om toch door te kunnen kijken met
veel nauwkeurigheid en in logische volgorde te vragen naar Margreet's
familie, haar ooms en tantes, haar neven en nichten, van vaders zij en
van moeders zij. Voor iederen nieuwen naam had ze 'n uitroepje van
verwondering of medelijden en het meisje daardoor aangemoedigd vertelde
druk pratend door. Wouter lachte er om en plaagde zijn moeder een beetje
met die instructie, maar Anna verdedigde haar, zeggend dat zij vrouwen
nu eenmaal wat nieuwsgierig waren, ze hadden ook niet zulke gewichtige
dingen aan 't hoofd als de heeren. De oude man zei ook nu en dan een
paar woorden, maar werd doorgaans niet verstaan. Margreet boog zich dan
naar hem toe en vroeg heel vrindelijk wat hij gezegd had. Maar dan kwam
er alleen maar een grijns, die beduiden moest: Oolijkerd, je verstaat
me best, je houdt je maar zoo.
Wim vroeg Wouter naar zijn zaken en Wouters gezicht betrok even, maar
hij zei dat hij vandaag niet over zaken te spreken was. Zijn moeder
hoorde dat, al luisterend naar Margreet en nam zich dadelijk voor, er 's
middags haar broer naar te vragen, die kwam eten met zijn vrouw, ter
eere van het feest.... Ook Margreet's vader en haar broer zouden komen.
Na de koffie gingen Wouter en Wim met hun meisjes wandelen; 't bleek dat
Wim gedroomd had van een plan om met z'n vieren uit te gaan, maar
Margreetje lachte hem, schijnbaar onwillekeurig, zoo hartelijk uit, dat
hij verlegen werd en zijn Anna voorstelde dan ook maar dadelijk op weg
te gaan, terwijl de anderen nog wat talmden in de voorkamer.
De oude heer bleef zijn pijp rooken en zijn krant lezen in een
gemakkelijken matten stoel bij het linkerraam, achter, in de huiskamer,
die uitzag op een binnenplaats, op een gekalkte blinde muur, vol
vuilbruine regenstrepen. Toen zijn kinderen weg waren trok hij zijn jas
uit.
Zijn vrouw was dadelijk druk in de weer met de meid, er kwamen immers
menschen. Ze was erg gejaagd en toen alles klaar was te moe en te
zenuwachtig om zelf wat te eten.