II.

De Rubrechts dan bewoonden een bovenhuis op een smalle gracht, een

gracht van den derden rang, stil, oud, heel oud. 't Was een huis met

een donkeren geölieden gevel, een trapgevel en zoo waren al de huizen

aan weerszijden. Moe stonden ze tegen elkaar aan en voorover te hangen.

Twee sombere rijen.

Zwaar helden over het water, dat stil stond tusschen de steile wallen,

de dikke boomkolossen, de een scheever dan de ander, al de stammen

grillig gespleten en gebocheld, vreemde gedaanten. Hier en daar ontbrak

er een, eindelijk bezweken onder den last van zijn kruin en neergeploft

in 't vieze water, en op zoo'n leege plek was dan een lummelig jong

boompje gezet met een banaal keurig hekje er om van geverfd ijzer, een

boompje als uit een speelgoeddoos, onuitstaanbaar wijsneuzig.

De Rubrechts woonden boven 'n kantoor en links en rechts waren kantoren

met bovenhuizen. Maar de oude Rubrecht had niets te maken met het

kantoor beneden, want hij was eerste boekhouder bij Jan Blok, een

groote firma ergens op 'n veel voornamer gracht. Hij woonde daar alleen

maar omdat 't er zoo goedkoop en toch zoo door en door fatsoenlijk was.

En goedkoop en toch fatsoenlijk, dat was alles wat hij wenschte.

't Was op een Zondagmorgen. Die kant van de oude gracht waar de

Rubrechts woonden lag in de hitte, die fel brandde op de keisteenen voor

het huis, maar 't stilstaande water in de schaduw van den overkant en

van de boomen, vuilzwart en donkergroen, bedorven.

't Kantoor beneden was gesloten met hardgele luiken, die brutaal blonken

in de zon. Maar boven zag alles er rustig en fatsoenlijk uit. De

gordijnen in de beneden voorkamer, de "mooie" kamer, de dikke

roomkleurige ophaalgordijnen, ouderwetsche, met plooien en de witte

opengewerkte overgordijnen, voor alle drie de ramen even hoog en even

breed, lieten precies gelijke zeskante stukjes raam vrij voor het licht.

De buitenjalouzieën aan de tweede verdieping en het gordijn van het

zolderraam hingen strak neer in hun volle lengte, 't Oude hijschblok

reikte somber in de ruimte, zijn schaduw werpend op het huis.

Dit was een Zondagmorgen als iedere andere, als de vorige en als

verleden jaar en als voor tien jaar. Niemand had die gracht ooit anders

gezien op Zondag.

Toch was er juist aan het Rubrechtshuis iets zeer buitengewoons te zien

dien morgen en tuurden de overburen over hun vensterbanken en tusschen

de takken van de boomen door verbaasd naar de ramen van de

benedenvoorkamer. 't Was al ongewoon dat de gordijnen niet heelemaal

gesloten waren in de zon, maar het allervreemdst was, dat op het ronde

tafeltje voor het middelste raam, waar anders altijd de zilveren

inktkoker glansde onder de glazen stolp (altijd tenminste nadat Rubrecht

zijn jubileum had gevierd bij Jan Blok)--nu stond een mandje bloemen.

Een elegant rond mandje met een deksel, die half openstond en waar de

witte en roode rozen onderuitdrongen in gloeienden overvloed. Rozen ook

om het hengsel en een wit lint, eindend in een lossen strik. Een

buitengemeen mooi mandje, zeker het sierlijkste voorwerp wat nog ooit

bij Rubrecht te zien geweest was en toch nog maar een voorbode, een

inleiding....

Want Wouters meisje, Wouters mooi meisje zou haar intree komen vieren in

Wouters ouderlijk huis!....

Aan weerszijden van het kleine tafeltje stond een leuningstoel en op de

linksche zat de oude Rubrecht en keek naar 't mandje. Dat was zijn

eenige bezigheid maar niet het doel van zijn zitten daar, want al

dadelijk toen 't gekomen was had hij 't aan alle kanten bekeken en

beroken, 'n half uur lang. Het doel was negatief: hij wilde zich niet

"vuil maken." En al scheen daartoe weinig gelegenheid in de zorgvuldig

afgestofte kamer, 't veiligst was toch maar onbewegelijk te blijven

zitten. Zijn gekleede jas zonder kreukje, zonder stofje, zijn witte das

recht als die van 'n dominee op zijn portret, zijn breede laarzen

glimmend, zat hij daar en keek en wachtte. Zijn dikke doezelkop 'n

beetje naar voren en meest naar voren de onderlip. Een glad geschoren

egaal-rood gezicht, alleen zijn kale kruin wat blanker en heel wit de

dunne haren langs de slapen en de zware wenkbrauwen. Goedige kleine

oogen starend langs de dikke neus en onder de oogen groote blazen. De

vleezige wangen zakkend in de onderkin.

Alleen de oogen bewogen nu en dan, opkijkend van het mandje naar de

bloemen van 't gekalkte plafond, naar de "schilderijen" aan den wand,

premieplaten van zoogenaamde prachtwerken, leelijke ouderwetsche

staalgravuren, of naar de helder gewreven bonheur, 't cadeau van zijn

ouders bij zijn huwelijk, nog altijd ontzien, gevreesd bijna als een

voorwerp van buitensporige pracht en weelde. De overige meubelen waren

eenvoudig. Een ronde tafel op één gedraaide poot, acht stoelen en een

kanapee met zwarte trijpen zittingen.

Op den schoorsteenmantel een ander voorwerp van luxe, ook een cadeau,

een vergulde pendule, met een vergulde Ceres en vergulde korenschoven er

op, onder een stolp en aan de eene zij een porseleinen herder, met 'n

poeslief gezichtje, zijn jasje kleurig gebloemd en een luciferstandaard

van geel koper, en aan de andere zij een porseleinen herderin en een

geelkoperen aschbak. Deze vijf stukken op gelijke afstanden en de herder

en herderin wat naar elkaar toegedraaid uit hartelijkheid. 'n Goed kind,

die Anna!

Schielijk ging de deur open en kwam mevrouw Rubrecht de kamer in. Klein

nietig vrouwtje in 't zwart, stemmig dofzwart, 'n ernstig, wasbleek

gezichtje, ovaal, regelmatig als 'n Mariakop, in een kap van gladweg

gekamd donkerblond haar, waarop ze 'n donker dofgrijs tulen mutsje

droeg, wat haar ouder deed schijnen dan ze was. Om den schralen hals lag

povertjes 'n smal wit kraagje en wat zwarte kant viel uit de mouwen over

de magere polsen.

Ze kwam haastig binnen, liet de deur achter zich open. "Daar is Wim,"

zei ze. En ook kwam kort daarna, veel bedaarder, een jongmensch naar

binnen en stapte op Rubrecht toe. De oude man draaide zich half om.

"Zoo! dag Wim," zei hij. "Goeiemorgen, meneer," groette Wim hem de hand

reikend, "hoe maakt u 't?... Hé!--wat 'n mooie bloemen!"--Rubrecht

grinnikte vergenoegd. "Ja, ja!--Woutertje weet 't wel, vindt je niet?"

Mevrouw schoof gejaagd met 'n stofdoek langs de leuning van een stoel.

"Ik zal Anna 's even roepen," zei ze. "Ze is nog aan 'r toilet bezig....

ze heeft je misschien niet gehoord".... En ze liep de kamer weer uit

zonder naar Wim te luisteren, die nog riep: "Doet u geen moeite! Ze zal

wel komen!"....

"Ga zitten, Wim," zei de oude Rubrecht.

Toen nam de heer Willem Teunisse--genaamd Wim--voorzichtig tusschen

iedere duim en voorste vinger een pand van zijn gekleede jas en liet

zich langzaam en vol waardigheid neer op den anderen leuningstoel.

Rubrecht's aanstaande schoonzoon was boekhouder; hij was een degelijk,

solied jongeling, knap in zijn vak, bescheiden tegenover oudere

boekhouders, nederig en eerbiedig als hij van zijn patroon sprak; hij

zou een schoonzoon worden zooals Rubrecht er zich zeker een gedroomd zou

hebben, als hij ooit gedroomd had. 't Was iemand, die zijn plaats in de

wereld begreep en die niet, als zoovelen tot hun ongeluk, streefde naar

onafhankelijkheid, roem, eer of schatten. Zijn eer lag in de brandkast

van zijn patroon, zijn roem was honderd gulden verhooging van salaris en

zijn eenige schat was op 't oogenblik aan haar toilet bezig. Zoo hoorde

't! Daarbij kwam dat de heer Wim iemand was van onbesproken

levenswandel, zevenentwintig jaar oud, schutter, 'n weinig mottig maar

toch niet opvallend leelijk, en eigenaar van 'n miniem erfenisje en 'n

gering spaarduitje, samen vormend een ruggesteuntje, dat 'n zekeren roep

van welgesteldheid van hem deed uitgaan onder zijn kennissen. Deze heer

had dus alle recht zich langzaam en met waardigheid te bewegen.

"Lekker weer, hè Wim," zei Rubrecht.

"Bizonder lekker weer, meneer," zei Wim, "bepaald zeer mooi weer, ziet

u, haast te mooi voor den tijd van 't jaar! Wat blijft 't lang droog,

vindt u ook niet?"

"Wees maar niet bang; voor we 't kwartaal afsluiten zal de regen z'n

debet wel aanzuiveren," zei de oude boekhouder, en beide lachten met

deftigen kraaklach om die aardigheid.

Mevrouw Rubrecht kwam weer binnen en kwam ook bij het tafeltje staan.

"Ze komt dadelijk," zei ze, zenuwachtig glimlachend met 'n verstrooiden

blik in 't rond. En toen tot Wim: "Vindt je die bloemen niet

prachtig?--die Wouter!--goeie, royale vent, hè?--Ja, maar hij heeft nu

ook 'n mooie positie!--en 't moet zoo'n lief meisje zijn, Wim--o, zoo'n

lief meisje!--ja, zet nu maar niet zoo'n ongeloovig gezicht,--dacht jij

misschien, dat ze wat .... wat oppervlakkig was, 'n beetje luchthartig

misschien?---O, nee, Wim!--nee! dan zou Wouter nooit zooveel van 'r

zijn gaan houden--heusch niet!--dat is niets voor Wouter!--Wouter is

ernstig, bedaard! Hij is er de jongen niet na' om zich door 't eerste 't

beste mooie gezichtje te laten inpakken!--nee! dan ken je Wouter

niet!--"

"Maar mevrouw, ik...."

"Nou ja, ik weet wel, Wim, je meent 't goed .... maar, zie je,

Wouter!...."

En de moeder begon met een wijden blik, die ver over de hoofden van de

twee boekhouders heen aan een heerlijk lichtbeeld scheen te hangen, de

moeder begon te praten over haar zoon, haar eenige, haar alles! Hij had

nu een goede positie, maar hij verdiende dat ook ten volle, je moest

zijn patroon, zijn aanstaanden compagnon, haar knappen broer Frits maar

over hem hooren. Neen, dat stond vast, Wouter had zich een vrouw

gekozen, die hem waard was! Niet dat hij dat zelf zeggen zou!--pedant

was hij heelemaal niet!--Maar 't was zoo!--Wouter met zijn juisten

blik, met zijn menschenkennis!

"Nee, heusch, Wim," zoo ging ze al maar door, ofschoon haar aanstaande

schoonzoon al lang overtuigd scheen, "'t _is_ een engel van 'n

meisje!--Weet je, dat ze zoo jong haar moeder verloren heeft!--net als

ik,--treurig, hè?--Haar vader heeft er heel veel van geweten!--goeie

man, haar vader!--goeie man!--hij werd gevoelig toen hij er over

sprak.--Mevrouwtje, zei hij, je haalt 't zonnetje uit m'n huis!.... Toen

me lieve vrouw dood was, is zij hier in huis het middelpunt geworden

.... zonder haar zal 't hier uitgestorven lijken.... 't Is misschien

niet goed zooveel van 'n kind te houden, zei hij, maar zooals zij ook

altijd met me omging, zoo innig lief, zoo aanhankelijk...."

Mevrouw Rubrecht beet zich op de onderlip en snoof een traan op.

Wim keek haar verwonderd aan.

"En weet je, wat haar vader ook zei," ging ze weer door, "dat is iets

voor jou Wim!--Hij zei, dat ze zoo'n knap huishoudstertje is.... In 't

laatste jaar heeft zij de kas gehouden, de huishoudkas, .... keurig,

keurig! .... 't klopt altijd prompt!"

Wim glimlachte. "Aan diversen zooveel," zei hij.

"Waarom zeg je dat nu weer, Wim? Kan dat nu weer niet, dat 'n meisje

zulke dingen goed doet?...."

"Zeker, zeker!" zei Wim, knikkend met zijn gewichtig hoofd, zoodat zijn

glimmende gekamde haren, op en weer wipten in zijn nek, "maar uit een

volle beurs is 't makkelijk kas houden!...."

"Wat bedoel je daarmee, Wim?--je dacht toch niet dat Wouter haar om 't

geld....? O, Wim, wat ken je Wouter weinig, foei!"

En vader Rubrecht, die tot nu toe al maar goedig glimlachend voor zich

uit had zitten kijken zonder 'n woord te zeggen, schraapte zich nu de

keel en zei: "Nee, Wim, nee!--dat is niks voor Wouter!...."

"Wie zegt dat dan ook!" zei Wim, "ik denk er niet aan...."

Maar Anna was binnen gekomen. Wim stond bedaard op, liep haar drie

stappen tegemoet en gaf haar een kus op iedere wang. Ze kwam ook naar de

bloemen kijken en berook de mand aan alle kanten en zei dat 't jammer

was dat rozen zoo weinig geur gaven, 't Was of 't haar troostte! Wat ook

wel zoo geweest zal zijn, want zelf was ze maar 'n simpel muurbloempje

en heel blij dat ze toch geplukt zou worden, al was 't dan maar door 'n

boekhouder, die 'n weinig mottig was.

Ze leek op haar vader, ze was een leelijk meisje, met fletse oogen en

iets paffigs in haar gezicht.

De moeder liep de kamer weer uit.

"Je ma schijnt in 'r schik, vandaag," zei Wim tot zijn meisje,--"maar

wat is ze zenuwachtig!"

"Gelukkig, dat ze zoo is," zei Anna--wat korzel door dat ze zoo laat

was--"en niet in 'n melancholieke bui zooals eergisteren nog--en zooals

zoo dikwijls."

"Zoo, zoo!--Meer dan vroeger?"

De oude Rubrecht keek op, niet meer glimlachend, 'n beetje wrevelig.

"Wel nee!"--bromde hij--"niet meer dan vroeger--je moet daar niet zoo

over praten, Anna,--je weet, 't zit in ma's gestel!--nee! niet meer dan

vroeger--niet meer dan vroeger!"

"Waar ze nu heen geloopen is?" zei Wim, op zijn horloge kijkend, "'t is

half één, Wouter en z'n meisje kunnen ieder oogenblik komen."

"Ik wed, dat ze boven uit 't raam uitkijkt, of ze 'r al aankomen,"

antwoordde Anna. En dat scheen 't ook te zijn geweest, want 'n paar

minuten later kwam moeder Rubrecht weer binnen, even maar, om

blij-gejaagd te roepen: "Daar komen ze, daar komen ze!" En meteen was

ze weer weg om zelf open te doen.

De oude heer zette zich in postuur, werd nog rooder dan anders en

hoestte herhaaldelijk. Wim knipte zich 'n paar stofjes van de jas, stond

op, kuchte ook en was blijkbaar wat verlegen met zijn stijve figuur.

Anna ging in de gang over de leuning van de trap staan kijken.

En ze kwamen. 't Moedertje kuste beiden met tranen in de oogen zoodra ze

in huis waren. Vroolijk pratend kwamen ze de trap op, Anna tegemoet, die

haar aanstaande schoonzuster op iedere wang een klapzoen gaf. Toen ze

binnen kwamen zette vader Rubrecht zich geheel overeind, maar bij bleef

bij zijn stoel staan en stak 'n hand uit. "Welkom hier," zei hij,

"welkom, welkom!" En Margreetje vatte de hand en drukte haar lippen even

op 'n licht plekje van 't roode gezicht. Met stralende oogen ging de

oude man weer zitten. En toen kwam ook Wim haar sterk blozend

begroeten.

Een kind, een mooi kind, frisch-jong, hel-blond, stralend van dartele

levenslust, van dol-vermetele vroolijkheid--zoo stond daar Wouters

meisje in het huis van zijn moeder. Ze was heel mooi. Ze had een slanke

figuur, zacht-ronde lippen, een gezond-veerkrachtige, fiere houding.

Lachend haar ongemeen bekoorlijken, welluidenden lach liet ze zich

kussen, mild met lieve blikken en warme woorden. Dadelijk was ze druk

aan 't praten; zij had een innemende stem, soms licht geaffecteerd, maar

't was niet hinderlijk, 't was alleen maar een beetje coquet. De bloemen

vond ze "beeldig," 't mandje "dol elegant." "Wat snoezig van je,

Wouter," zei ze, en opwippend op haar teenen--want ze was veel

kleiner--lei ze even tegen hem aan haar mooie lijf en gaf 'm een zoen!

Wouters goedig, onbehaard gezicht glom van innig genoegen. Hij lachte

kort, sprak weinig. Hij stond te wippen, keek nu eens vol trots naar

zijn meisje, dan weer naar ieder van de anderen, hij trok gekke

gezichten, bewegend zonder ophouden zijn wenkbrauwen en zijn mond. Er

was stille triomf in zijn houding. Blijkbaar was hij blij met den indruk

die zijn meisje maakte op zijn huisgenooten, blijkbaar was hij vol dolle

vreugde, had hij 't wel uit willen gillen, maar hield hij zijn

aandoening met veel kracht in bedwang. Hij leek op zijn moeder, wat

vooral zoo sterk uitkwam doordat hij baard noch snor droeg. Toch had hij

een echt mannelijk voorkomen, droog, streng, zeer gunstig, en in zijn

oogen een schat van gulle goedhartigheid.

Ze stonden een poosje te praten en te lachen. Moeder Rubrecht dribbelde

telkens de kamer uit en in en kwam eindelijk met een glanzend gezichtje

vragen "of de kinderen kwamen koffiedrinken." Toen trokken ze naar de

achterkamer met glimlachende monden, de oude vader achteraan. Hij was

wat slap in zijn knieën en hij wilde niet dat Margreet dat al dadelijk

merken zou.

Er was een zonnige stemming aan de koffietafel; Margreet was het

middelpunt, zij moest zonder ophouden haar mooi kopje draaien van rechts

naar links om iedereen te woord te staan. Anna was blij dat haar

elegante aanstaande schoonzuster zoo vriendelijk tegen haar was, zij

keek dankbaar op naar Wim--die naast haar zat--, alsof die 't helpen

kon. De moeder tuurde al maar naar dat meisje, dat mooie meisje, die een

fee geleek, een fee uit een sprookje en die toch Wouters meisje was,

zijn vrouw zou worden. Dat was ze dus, dat was ze dus! En ze keek naar

haar met groote oplettendheid, ze nam dat mooie beeld in zich op, niet

in ééns, maar minutieus, bekijkend de oogen, de neus, de lippen, de

kin, als iemand, die een portret teekent. Margreet bloosde onder dien

blik. En de moeder, die dat zag begon om toch door te kunnen kijken met

veel nauwkeurigheid en in logische volgorde te vragen naar Margreet's

familie, haar ooms en tantes, haar neven en nichten, van vaders zij en

van moeders zij. Voor iederen nieuwen naam had ze 'n uitroepje van

verwondering of medelijden en het meisje daardoor aangemoedigd vertelde

druk pratend door. Wouter lachte er om en plaagde zijn moeder een beetje

met die instructie, maar Anna verdedigde haar, zeggend dat zij vrouwen

nu eenmaal wat nieuwsgierig waren, ze hadden ook niet zulke gewichtige

dingen aan 't hoofd als de heeren. De oude man zei ook nu en dan een

paar woorden, maar werd doorgaans niet verstaan. Margreet boog zich dan

naar hem toe en vroeg heel vrindelijk wat hij gezegd had. Maar dan kwam

er alleen maar een grijns, die beduiden moest: Oolijkerd, je verstaat

me best, je houdt je maar zoo.

Wim vroeg Wouter naar zijn zaken en Wouters gezicht betrok even, maar

hij zei dat hij vandaag niet over zaken te spreken was. Zijn moeder

hoorde dat, al luisterend naar Margreet en nam zich dadelijk voor, er 's

middags haar broer naar te vragen, die kwam eten met zijn vrouw, ter

eere van het feest.... Ook Margreet's vader en haar broer zouden komen.

Na de koffie gingen Wouter en Wim met hun meisjes wandelen; 't bleek dat

Wim gedroomd had van een plan om met z'n vieren uit te gaan, maar

Margreetje lachte hem, schijnbaar onwillekeurig, zoo hartelijk uit, dat

hij verlegen werd en zijn Anna voorstelde dan ook maar dadelijk op weg

te gaan, terwijl de anderen nog wat talmden in de voorkamer.

De oude heer bleef zijn pijp rooken en zijn krant lezen in een

gemakkelijken matten stoel bij het linkerraam, achter, in de huiskamer,

die uitzag op een binnenplaats, op een gekalkte blinde muur, vol

vuilbruine regenstrepen. Toen zijn kinderen weg waren trok hij zijn jas

uit.

Zijn vrouw was dadelijk druk in de weer met de meid, er kwamen immers

menschen. Ze was erg gejaagd en toen alles klaar was te moe en te

zenuwachtig om zelf wat te eten.

De vreemde plant · 第 7 / 47 题