Een vreemde tuin lag stil in den maneschijn. Maar de maan was er niet.
De schijn hing over de bloemen, die geurden. Groote bloemen op lange
stengels recht op. Trotsch pronkend gloeiden de wijde kelken in het
licht. En die eene--die groote witte--dat was zij....!
Zóó was de droom, die sterk als een herinnering lag in haar denken.
Zóó was de droom van haar jeugd, de zalige droom, de troost, de geheime
heerlijkheid van haar jong leven.
De droom....? Was 't dan een droom geweest....? O! zij rook de geur nog,
zij voelde de koele nachtlucht, zij hoorde de stilte!
O! die tuin! Waarom was ze er niet meer? Wat ruwe ruk had haar afgeknakt
van den sappig-glanzenden stengel?.............................
.....................................................................
Van zoolang haar heugde had ze altijd moeten denken aan dien vreemden
tuin en aan die eene witte bloem, die zij was. En eens--'t was in haar
twaalfde jaar--, op 'n zomeravond, in de schemering, had ze 't
plotseling gevoeld, duidelijk gevoeld, zoodat ze rilde van verrukking:
in haar, diep geworteld in haar hart stond rechtop de slanke stengel en
de bloem bloeide en geurde en zacht togen de geuren door haar gansche
lijf.... En toen had ze ook voor 't eerst gevoeld die groote smart, die
over haar was gekomen als een bedwelming, mysterieus, zonder oorzaak, 'n
onbestemd, onuitsprekelijk zoet lijden!..............................
.....................................................................
Haar moeder was gestorven toen haar broertje geboren werd. Ze was vijf
jaar toen. Haar vader had haar opgetild en ze had haar moeder zien
liggen, wit en stil. Toen had ze zich den tuin herinnerd; was dat de
eerste keer geweest? Ze had gedacht: Zou moeder nu naar den tuin gaan?
Waarom had ze dat gedacht? Ze had er haar vader niet over durven
spreken. Ze sprak nooit met iemand over den tuin, noch--later--over de
vreemde plant. 't Was of 't dan alles weg zou gaan!--En 't was haar
alles--haar alles!..............................
.....................................................................
Want in droomen alléén had ze haar jonge jaren doorgeleefd, hatend de
werkelijkheid, het dagelijksche leven, de school, die één lange straf
was, vreezend haar vader en alle andere groote menschen, bang in het
groote leege huis, bang vooral 's nachts, als ze wakker lag in haar
bed, midden in de alomme drukkende duisternis, als ze niet durfde
kuchen, niet verroeren.
Eén plekje was er maar geweest in het groote huis, een hoekje van een
vensterbank, waar ze graag was. Daar zat ze dikwijls te droomen, kijkend
naar de drijvende wolken. De wolken waren haar groote vrinden. Ze zag ze
komen met herkenning en keek ze vertrouwelijk na. Ook onder de boomen en
heesters en bloemen had ze vrinden en vertrouwden. Maar andere waren
weer vijandig. En zoo ook de meeste dingen thuis. Er was een kast, waar
ze niet voorbij dorst gaan, er was een leuningstoel, waarin ze niet
zitten wou. Want doode dingen waren er niet, alles was bezield, de
dingen keken haar aan, de dingen dreigden en grijnsden. Ze hield alleen
van 'n paar oude etsjes die in de logeerkamer hingen in simpele zwarte
lijstjes en die ze heel mooi vond, en van een ouderwetschen blaasbalg,
die in de zaal naast den haard hing en van een wollen pop, die ze heel
jong van haar moeder gekregen had, en van een koperen plaatje,
schijnbaar zonder doel ergens aan den muur geslagen in de wijde gang.
Zonder doel--maar voor haar een beschermer tegen de akelige gezichten in
de marmeren steenen, de spotoogen en grijparmen.
Ze hield veel van haar broertje, maar hij was altijd bij de kindermeid,
die zij haatte.
Van haar vader hield ze soms wel, als hij stil en vriendelijk was en
zacht met haar sprak. Maar anders was ze alleen maar bang voor hem. Hij
was 'n driftig-drukke man, hij liep hard en sprak luid en ruw. Zij was
bang voor al wat ruw was, scherp en hard. Zij schrok er altijd weer van.
Zachte geuren en tinten trokken haar aan.
Ze kon 't zichzelve zelden verklaren, waarom ze van den eenen dag wel
hield en niet van den anderen. Maar 't was toch zoo. Alle dagen gingen
om zonder verschil; toch hield ze van den Woensdag en niet van den
Dinsdag. Ze begreep 't niet. Ze merkte alleen op dat alle dingen en
begrippen een kleur hadden in haar denken en als ze de kleur niet
verdragen kon hield ze ook niet van het ding of van de idee, die zoo
gekleurd was voor haar ziele-oog. Dinsdag was geelachtig-bruin en daar
hield ze niet van.
Toen ze ouder werd en leerde begrijpen wat plichten zijn en dat het haar
plicht was haar vader dankbaar te zijn en van hem te houden, veel en
altijd, weende ze dikwijls omdat ze 't niet kon en vond zich slecht en
trachtte zich te dwingen met teederheid aan hem te denken. Maar zij kon
het niet. Zij geloofde wel dat zij iets voor hem zou kunnen doen, iets
moeilijks, een groote opoffering, maar zoo aan hem denken, dat kon ze
niet.
Hoe ouder ze werd, hoe meer ze zich voelde aangetrokken door distinctie,
verfijning, door exquise, bizondere dingen. En wat anderen
onbegrijpelijk vonden was haar lief als 'n oude bekende; kleuren die
niemand zag, geluiden die niemand hoorde, waren haar dagelijksche
zielevoedsel. Zij kon heele concerten aanhooren zonder bewogen te worden
en één golf van klanken roerde haar tot tranen toe; zij kon met groote
kalmte lange gedichten opzeggen, die ze uit 't hoofd had moeten leeren,
met vriendelijke stem en juiste intonatie, precies zooals 't haar
voorgedaan was,--en soms was twee regels uit te spreken haar onmogelijk.
Ze had heel graag leeren schilderen: lucht en bloemen, maar haar vader
vond dat niets voor 'n meisje. Hij was een koppig man, vergroeid met
allerlei verroeste vooroordeelen. Zij moest leeren kooken en een
huishouden bestieren. Daarom was ze later wel eens jaloersch op haar
broer, die 't wel mocht leeren. Hij was 'n jongen met "lieve talenten."
Hij schilderde en dichtte en maakte muziek. Zij was trotsch op hem.
Maar begrijpen deed ze hem nooit. Want hij schilderde heel anders dan
zij 't gedaan zou hebben, zeker voelde hij heel anders dan zij. Toch
hield ze veel van hem. Dat kwam door zijn fijne, blanke vel en zijn
lenige leden en doordat hij óók lang kon liggen soezen en droomen. Zij
begreep hem heelemaal niet. Hij was een slim ventje, lui, en altijd
alleen bedacht op zijn eigen genot.
Haar ouder worden was 'n zich meer en meer bewust worden van haar
droomleven, 'n steeds inniger voelen van haar neiging tot mijmeren, 'n
langzame overgave, maar een volkomen overgave aan den wellust der
melancolie. Zij bleef klein, tenger, nietig. Bij haar geen groeien van
het lichaam tot volwassen kracht, geen zwellend rijpen van
vrouwenvormen, geen wilde uiting van jeugd, geen driftig grijpen naar
genot, geen siddering van lentelust, geen vermoeden van levensrijkdom.
Zij bleef klein en tenger, en haar leven werd een reeks van
zacht-weemoedige en zoet-smartelijke stemmingen.
Zij leerde wat ze leeren moest op school en ze leerde kooken en al wat
bij de huishouding hoort, ze ging met haar vader naar dinétjes en
avondjes, ze ontving zelf menschen en deed het met gratie, ja met
opgewektheid, vriendelijk pratend met iedereen. Ze deed veel kennissen
op en maakte zoogenaamde vrindinnen. Maar dat alles ging buiten haar om,
buiten haar eigenlijke leven. 't Luchtig gepraat raakte niet haar
stemming, geen menschenstem drong door in de stille dalen van haar
mijmering. En zoo leefde ze voort van dag op dag, van maand op maand,
van jaar op jaar....
.....................................................................
Voor dat haar vader bankroet ging, gebeurde er nooit iets met haar, had
ze geen geschiedenis. Eens alleen stoorde een groote verwondering haar
droomleven. Een rijk jongman, iemand die haar nauwelijks kende--die ook
haar rijk dacht en die een huishoudster lastig vond en duur--had haar
tot vrouw verlangd. Hij had haar gevraagd aan haar vader, die 't haar
vertelde met ingenomenheid. Verbaasd, verschrikt had ze geweigerd,
kortaf, voor goed. Er was niet meer over gesproken. Hij had wel andere
dingen aan zijn hoofd, haar vader!
.....................................................................
Maar eindelijk kwam de groote verandering, de verwoesting, de ruïne!
Ze was vijf en twintig jaar toen de reuzenramp haar trof, haar greep in
haar eenzelvig voortgeleef, haar schudde, schokte, dat ze gansch
verbijsterd staarde voor zich uit met wijde oogen. Haar vader smakte die
ramp neer op zijn ziekbed. Maar haar broer was 't een ontwaken, hij was
de eerste, die zich redde, zichzelf alleen. Hij dacht altijd aan zijn
eigen lot alleen.
Zooals 'n eenzaam herder, wiens hut verwoest is door den storm de
planken weer bijeen zoekt, weer samenvoegt tot muren, tot een dak--maar
zoo goed als vroeger wordt het niet--zoo herstelde zij zich na dien
vernielenden schok. Voort! voort! moest ze nu. Ze had geen tijd meer om
te soezen en te droomen. Ze moest haar vader--den verlamden, den
versuften--verzorgen en ze deed het, meer als een zuster, dan als een
dochter, als een liefdezuster, trouw doende wat haar plicht is zonder te
denken aan eigen lijden.
Ze waren arm...................
.....................................................................
Toen was Rubrecht, de boekhouder, een schuchter man, schoorvoetend naar
haar toe gekomen en had haar aangeboden al wat hij had, zijn goed,
beproefd-trouw hart, zijn pover salaris en zijn dak. Hij had haar
verteld dat hij een nieuwe, een betere betrekking gevonden had, dat ze
't goed bij hem hebben zou, dat haar vader--zoolang hij nog zou
leven--bij hem zou kunnen inwonen.--'t Was toch zijn goede oude
patroon!--Hij had haar ook stotterend van verlegenheid gesproken over
zijn "liefde." Nooit zou hij 't haar hebben durven zeggen als ze
gebleven was in haar vroegere "omstandigheden," hij wist wel dat hij
eigenlijk geen partij was voor 'n juffrouw Van Plaswijk, maar nu--nu ze
toch immers arm was.... Hij had tranen in de oogen. 't Had haar
getroffen. Ze had er iets van gevoeld wat die simpele man waagde in zijn
onverstand, in blind vertrouwen op haar. Ze wou wel waard worden zooveel
vertrouwen.
Maar 't denkbeeld het allerintiemste te moeten deelen met dien
burgerman, die twintig jaar ouder was, 'n kantoorlucht had en groote
dikke handen, die een lange gekleede-jas droeg, kaal op de mouwen, en
scheef onder zijn smal liggend boordje een oude onoogelijke das,--met
dien grofgemanierden, platsprekenden burgerman!
Ze had bedenktijd gevraagd.
Bedenktijd!--Denken, helder denken in armoede en zwaardrukkende zorg! 't
Was niet mogelijk. En haar vader, die haar smeekte, bezwoer haar geluk
toch niet weg te gooien, het rustig zekere te verkiezen boven
'n--misschien levenslang!--worstelen niet de ellende,--haar vader, die
wel niet lang meer leven zou! Gold het niet de rust van zijn laatste
dagen, van zijn sterfbed?....
En was 't dan toch niet waar, dat zij in staat was tot een groote
opoffering? En was de opoffering dan zóó groot? Welke andere verwachting
had ze dan van 't leven? Had ze dan illusies .... illusies ....
illusies.... Hoe dikwijls had ze dat woord gehoord en gelezen met een
angstige verwondering en een vaag gevoel van gemis.... Had ze nu
toch....? Maar haar was immers tot eenig genot gegeven die vreemde plant
in haar hart, die bloeide, bloeide en met zijn geuren vulde haar
gansche wezen en voor haar blikken had gesponnen dien zilverzwarten
sluier waardoor ze de zon zag als een bloedrooden bol hangend in de
ruimte zonder straling, zonder doel.--En dat genot, die troost, zou haar
immers toch nooit verlaten....
Rubrecht kwam terug--niet vergeefs. En haar vader stierf zonder angst,
in haar huis, haar zegenend....
Neen, niet in haar huis!--O hoe scherp had ze 't toen al gevoeld--in het
zijne, in het huis van Rubrecht, den boekhouder, 't burgerbovenhuis met
zijn bont gebloemde behangsels, zijn roodgestreepte karpetten,
bloempotten voor de ramen en buiten 'n spionnetje.
Ze liet het huis precies zooals ze 't vond, zich met martelaarswellust
de ziel schrijnend aan 't gezicht van al die leelijke dingen.
Eerst was het nieuwe leven haar meegevallen; haar man ging teer,
bescheiden-voorzichtig met haar om, meer als 'n vader dan als 'n
minnaar, altijd trachtend haar wat op te wekken, haar vroolijk te
stemmen, vol hoop dat 't hem gelukken zou, trotsch als ze maar
glimlachte. Maar langzaam was in haar gerezen 't bewustzijn van de
beteekenis van haar daad, had ze begrepen dat haar noodlot was dien man,
die haar zoo liefhad om haar zelf alleen, ongelukkig te maken voor
altijd. Die arme eenvoudige man, wiens wenschen toch niet te hoog
gingen, die zich zooveel had voorgesteld van 't leven, als hij maar eens
een goede betrekking had en een lieve vrouw, die hem koesteren zou en
verzorgen, als hij oud werd, hem aanhooren als hij sprak van zijn kleine
belangen, hem aan zijn kleine liefhebberijen zou helpen met geduldige
hand, die man moest door haar, teleurgesteld, onbevredigd zijn leven
leven tot het einde. Dat _moest_, dat _moest_! Want ze _kon_ niets voor
hem worden, ze was van een heel ander menschensoort, zij kon geen
belangstelling in zich kweeken voor zijn grootboek en zijn kasboek, noch
voor zijn postzegelverzameling, noch voor zijn doorgerookte pijpen. En
wat zon hij er van begrepen hebben als ze hem gesproken had over de
kleuren van de dagen, over de vriendschap van de wolken, over den tuin,
den vreemden tuin van haar herinnering.
't Duurde lang, maar eindelijk ging hij 't ook voelen, hij werd stil en
in zichzelf gekeerd--soms brommerig, mopperig. Maar hij verweet haar
nooit iets.
De twist was onbekend in hun huis.
Maar zij tobde over zijn leed--en zij vond alleen vergetelheid in de
bedwelming van melancholische mijmering.
Tot er weer een verandering kwam...
.....................................................................
Ze was twee jaar getrouwd toen ze zich zwanger voelde. Ze schrok, ze
wilde 't niet voelen, 't niet gelooven. Moest nu ook nog 'n ander
mensch door haar leven dit treurige leven?
Het kind werd geboren, 't was 'n jongen. Zij had veel pijn geleden en
daar had ze hem dadelijk lief om, haar zoon. Met innige, medelijdende
liefde koesterde zij het kind. Als zij 't in haar armen droeg had ze 'n
gevoel als moest zij, zij alleen, dat kind beschermen tegen 'n heele
vijandige wereld.
En nu kreeg haar leven ook weer 'n richting, nu had ze weer geen tijd om
te soezen, te droomen.
't Jongetje groeide. Hij was zwak en fijn. Hij leek op haar, ze zag haar
eigen ziel in zijn oogen. O, maar zijn jeugd mocht niet zijn als de
hare, koud en grijs, ze zou hem troosten, zij zou zijn vrindin zijn,
zijn beschermster, zijn alles! Zij zou over hem waken! Wat ze voor
zichzelf altijd versmaad had deed ze voor hem, ze bad. Ze bad den
grooten goeden God, den geheimen vader van alle smart en alle vreugde
voor hem te doen, wat ze voor zichzelf nooit had gevraagd, hem gelukkig
te maken! Als geluk mogelijk was, dan moest, dan moest hij, haar Wouter,
gelukkig worden.
Toen begreep ze wat een illusie is; zij had een illusie, zij ook!
O! hem gelukkig te zien, gelukkig door haar! En voor hem alles te zijn,
te blijven, zoodat hij meer van haar zou houden dan van ieder
ander--altijd! En als hij soms--over twintig, vijfentwintig jaar, als
hij weg zou willen uit haar huis en zich misschien--, o! dan wilde ze
sterven, ja, dan sterven!--Maar, weg, weg die gedachte! zij, zijn moeder
zou alles voor hem blijven, zijn vertrouwde, zijn eenige
vrindin................
.....................................................................
Maar als dat toch moest komen, als dat moest, dat, hij zich 'n vrouw zou
nemen!....
Dan moest dat zijn een van Gods engelen, dien zij den Vader bidden zou
neder te zenden voor hem, haar zoon. Zulk een wezen alleen zou hem
mogen aanraken, omarmen, bezitten. Voor 'n engel alleen zou zij afstand
van hem doen--misschien!............
Vijf jaar later, onverwacht, 'n tweede kind, een meisje. Dat gaf
verwarring in haar denken, maakte haar zenuwziek, veel weken, maanden.
Ze hield lang niet zooveel van dat tweede kind als van Wouter. 't Was
ook heel anders, 't was grof, 't had haar en Wouters oogen niet. Maar 't
was haar kind. Zoo bleef ze haar zorgen verdeelen met volkomen
toewijding, met streng plichtgevoel, over haar man, haar zoon en haar
dochter.
Maar Wouter was haar lieveling.... En de jonge aanbad haar als 'n
heilige. Zelden waren twee menschen meer aan elkaar gehecht.