Vinkje! welk een gruwzaam monster,
Vreemd aan alle menschlijkheid,
Heeft uw vlugge wiek gekluisterd,
Heeft uw' dag, in nacht verduisterd,
Heeft u 't foltrendst leed bereid?
Eens zoo vrij en vrank op aarde,
Nu gedoemd tot de enge kooi;
Nu, door gloeijend erts uwe oogen
Aan het vriendlijk licht onttogen,
Nu des euveldaders prooi!
Werd het u noodlottig ijzer,
Slechts de duistre groeve ontrukt,
Om, der snoodheid ten believen,
Dus uw argloos hart te grieven?
Dan is 't euvel wèl gelukt!
Doch, o neen! niet tot dien gruwel
Opent zich de schoot der mijn;
Maar de boosheid keert den zegen,
Uit Gods milde hand verkregen,
Vinkje! de onschuld vaak tot pijn.
Wat is 't u, of zich de schepping
Nu net lente-siersels hult?
Niet voor u zal de aard' zich tooijen,
Daar ge uw vlerkjes niet ontplooijen,
Nimmer 't schoone aanschouwen zult!
Ach, waar zijn de blijde dagen?
Van het lagchende verleên?
Vlijm, op vlijm, moet u doordringen,
Woelt het heir herinneringen,
Door uw mijmrend kopje heên!
Mooglijk waart gij aan een gaaike,
Aan een teederminnend kroost,
Op het liefderijkst verbonden ...
Wreed werd dan de band geschonden,
Die uw blijdschap was en troost!
Niets is u van 't heil gebleven,
Waar uw borstje zoo van zwol;
Uw gelukzon is verdwenen,
Heeft voor altijd uitgeschenen,
Blind en in een kerkerhol!
o, Mijn teêrgevoelig harte,
Doet uw rampental zoo zeer!
Kon het innigst medelijden,
U van jammeren bevrijden,
'k Zag u 't beeld der vreugde weêr!
IJdle hoop--maar hoor, arm Vinkje!
Schal met pletterend geluid,
Schal en schater den vervloekte,
Die uw' lust en rust verkloekte,
Uw' ontzagbren wraak-kreet uit!
Doch uw toovrend orgelkeeltje,
Wanhoop nam het kracht en klem;
Nooit ... maar wat welluidend kwelen,
Komt mijn luistrende ooren streelen!
Lieve vogel! is 't uw stem?
"Ja, mijn stem, meêlijdend vreemdling!"
Zingt het Vinkje op zoeten toon,
"'k Laat, getuigen het mijn zangen,
"Moedloos niet mijn wiekjes hangen,
"Welk een rouw mijn borst bewoon'!
"Wat baat wanhoop, wat baat wraakzucht?
"Heelen ze ooit de wond van 't hart?
"Véél verloor ik--maar, mijn roover
"Liet mij toch mijn stem nog over,
"o, Die vreugde troost mijn smart!
"Drage ik dan mijn lot gelaten,
"'k Heb nog ruime dankensstof;
"Om het goede mij gebleven,
"Min ik nog het lieve leven,
"En zing luid mijns Scheppers lof!