Allen op des levens paân,
Vallen, staan weêr op en vallen;
Zelfs de trotschheid durft niet brallen:
Ik kan zonder struiklen gaan!
Steen, op steen, verrast den voet,
Waar men zich aan stooten moet!
Maar hoe telkens uitgegleên,
Broeders! toch weêr opgekropen;
Homplen, stromplen wij in 't loopen,
Meer oplettend voortgetreên;
Aan het einde van ons pad,
Ligt de goede Vader-stad!
Matte Pelgrim! dáár is rust,
Van uw hobbelige wegen!
Dáár stroomt nooit gekende zegen,
Nooit gesmaakte levenslust!
Dáár is 't eind der aardsche smart,
Hemelvreugd vervult er 't hart!
Voor den togt dan niet versaagd;
Welberaden voortgewandeld;
Naar gebod en pligt gehandeld;
Struiklen wij, God zelve schraagt!
En, is 't doel der reis volbragt,
o, De blijde Heilstad wacht!