"Hij heeft den laatsten strijd gestreden!"
Dat hartdoorvlijmend woord,
Dat zoo veel vreugd verstoort,
Het was den mond van d' Arts ontgleden,
Maar 't klonk als niet gehoord,
Het kon het oor der vrouw niet boeijen;
Nog lonkt de hoop haar aan;
Zoo schrikklijk zal de orkaan
Niet door haar' bloeijend' echtgaard loeijen,
En bloem, bij bloem verslaan.
"Neen, neen," spreekt zij zielroerend teeder,
"Neen, dierbare echtgenoot!
"Zoo ras ontbindt de dood
"Dien vastgelegden knoop niet weder,
"Die 't huwelijk pas sloot!"
En slaat ze op 't schomlend wiegje de oogen,
Naar 't liefelijk gezigt
Van 't sluimerende wicht,--
Dan smeekt ze: "o! doof niet, Alvermogen!
"Zijns Vaders levenslicht!"
"Moest zulk een ramp ons huis genaken ..."
Maar, God! wat raauwe gil!
Zij voelt het doodlijk kil
Op 's ega's ingezonken kaken,
Zijn ademtogt staat stil.
Haar zoete hoop vervloeide in tranen
Van bittre zielesmart;
Gebroken is haar hart;
Wel spoedig ging haar heilzon tanen,
En liet haar 't nachtlijk zwart.
Ze rigt het schreijende oog naar boven:
"Wat lot," snikt zij, "wat lot,
"Na twee jaar echtvreugd ... God!
"Waarom moest ik een' droom gelooven,
"Waarmeê de ontwaking spot?"
Wie zalft uw wond, geslagen vrouwe?
Uw wichtje, als 't onverpoosd
U vleijend kust en koost?
Ach, ook dat kozen scherpt uw rouwe,
Voor uw gemoed geen troost!
Geen troost? hoe 't harte ook pijnlijk bloede,
Ja, Troost in d' eêlsten zin,
Dringt tot haar' boezem in;
Zij kust Gods vaderlijke roede,
De Weduwe is Christin!