GEDACHTEN BIJ HET GRAF VAN _A. C. W. STARING_.

Met diep ontroerd gemoed,

Wijde ik uw graf mijn' groet,

Te vroeg ontslapen zanger!

Gij, Staring! de aarde ontrukt ...

Waar is de plaatsvervanger,

Die uwen voetstap drukt?

Treur, achtbre Wildenborch!

Uw bloei was al zijn zorg;

Hij gaf u vreugd en leven;--

Uw heldre zon zeeg neêr;

't Werd somber in uw dreven ...

Uw Landheer is niet meer!

De trots van Gelderland,

Wien braafheid en verstand

Met schoonen glans mogt sieren,--

Zijn levensdraad brak af ...

Schonk hem de kunst laurieren,

Nu weeklaagt ze op zijn graf.

Nu zwijgt zijn citertoon,

Zoo krachtig, kunstig, schoon,

En Febus Priesterscharen,

Staan in het kunstenkoor

Den lievling na te staren,

Dien het te vroeg verloor.

Weêr heeft het Vaderland,

Een' kostbren diamant

Uit de achtbre kroon verloren!

En gade en minnend kroost

Staan, bij der dichtren koren,

Weemoedig, zonder troost!

Maar welk een treffend woord

Lokt mij naar 's kerkhofs poort,

En schenkt den geest bedaring:

"Uit nacht rijst morgenrood (1),"

Het was uw spreuk, o Staring!

"Het leven uit den dood."

* * * * *

(1) Woorden van den Overledenen, op het Kerkhof te Vorden,

waar des Dichters grafplaats gevonden wordt.

De Liereman · 第 59 / 62 题