'k Min u, muzikale woorden,
Taal der Toonkunst, 'k min u teêr!
U, zielroerbre klank-akkoorden,
Die uw' oorsprong hebt uit oorden,
Meer volmaakt dan de aardsche sfeer!
Die het hart als was kunt kneden,
Aan uw meesterschap ten buit;
Lachjes, tranen en gebeden,
Heldenmoed en teederheden,
Opwekt naar den wil der luit!
Grijpt de geestdrift der geniën,
't Goddelijke speeltuig: hoor!
Strijdrumoeren, elegiën,
Liefdes zachte melodiën,
Roeren, schokken, 't luistrend oor!
Orpheus Cither speel--verbeden
Is de nooit verbidbre dood!
Op den klank uw harp ontgleden,
Vlijt zich steen op steen, en steden
Staan, Amphion! trots ten toon!
Doch geen fabel schenkt u luister!
Hooger, Toonkunst, klimt uw lof!
(Schijnt de Zon in 's afgronds duister?)
Vrij, ontdaan van aardsche kluister,
Klinkt uw stem in 't geestenhof.
Als de rei der Hemellingen,
Om Gods heilgen troon gestuwd,
Hem, den oorsprong aller dingen,
't Heilig, heilig, heilig, zingen,
Is hun lied en snaar gehuwd!
Goddelijke Harpenaren!
Stort den schoonsten hemelval!
Dank moet mensch en Engel paren!
Voor de gift der gouden snaren,
Dank aan d' oorsprong van 't Heelal!