DE GRAFSTEEN.

Hun edel harte slechts tot gids,

Daar de ochtendzon haar licht naauw schonk,

Trekt, stom van smart, de vrouwen-trits,

Naar 's Heeren sombre grafspelonk;

Om nog met kostbre specerijen,

Heur liefde aan 't dierbaar lijk te wijen.

En nu het doel al nader treedt,

Daar, plotsling, breekt het zwijgen al:

"Ach!" klinkt een hartverscheurbre kreet,

"Wie wendt den zwaren steen van 't graf?"

Dat had heur ijvren niet bezonnen,

Toen zij den vromen togt begonnen.

Geen bliksemschicht treft meerder snel,

Geen donderslag slaat zóó ter neêr,

Gelijk dat woord vol zielsgekwel!

Toch geeft de liefde voor den Heer,

haar moed en kracht om voort te treden,

Hoe fel door angst en vrees bestreden.

Ja, Vrouwen! rigt de hope uw' tred!

De steen, die 's Heilands grafplaats drukt,

En u de teedre borst verplet,--

God spreekt--die steen is afgerukt!

Hij zal de zijnen niet begeven,

Juicht, Jezus leeft en gij zult leven!

o Liefde Gods, die wondren doet!

o Heilgenade, ondenkbaar groot!

Hoe menig steen drukt nog 't gemoed,

Dien de Almagt afwendt in den nood,

Zou, Neêrgeboogne! uw hart bezwijken?

Een Engel daalt, de steenen wijken!

De Liereman · 第 57 / 62 题