AAN EEN' SCHILDER.

Wie boeit mijn turende oogen,

Door 't onbegrensd vermogen,

Van 't scheppende penseel?

Wie doet door keur van verwen,

Mij 't hoogst genot verwerven,

In 't liefelijkst tafreel?

Wiens geestkracht mag 't gelukken,

Natuur den palm te ontrukken,

Door de overmagt der kunst?

Gij, puik der toovenaren!

Genie, waarop wij staren!

Bestraalt ons met die gunst.

Neen, 't is geen schijn, 't is leven!

Die beemden, bosschen, dreven,

Die jagt en wildernis,

Dees vleugelvlugge honden ...

't Moet al uw' roem verkonden,

Die spreekt, het zij! en 't is.

o, Oogbetoovrend schilder!

Waar werden gaven milder

Een' sterveling verpand?

God schraag' nog lang uw krachten,

Tot vreugd voor die u achten,

Tot roem van 't Vaderland!

De Liereman · 第 56 / 62 题