DE MENSCH.

Wie is hij, dat Gij zijner zóó gedenkt?

Met gift, op gift, hem dagelijks beschenkt?

Zijn hart zoo mild uit uwe heilbron drenkt?

O God der Goden!

Gewisselijk, een schepsel onbesmet,

Die nimmer voet op 't pad der ondeugd zet,

Wiens neigend oor, steeds onderworpen let

Op Uw geboden!

Neen, vijand is zijn naam, van wet en pligt!

(o! Schaamte dekke ons blozend aangezigt ...)

Treedt Heer! niet met den zondaar in 't gerigt,

Hem ten verderve!

Ai, liefdrijk God! behoed zijn ziel, behoed,

Wasch, reinig Gij zijn diep bevlekt gemoed;

En dat hij, om Uws Zoons verzoenend bloed,

Genâ verwerve!

De Liereman · 第 55 / 62 题