WIE?

Ai, zie! de afgrijsbre komt,

En aller mond verstomt,

Hij spreekt, en op zijn woord

Zijn lust en rust verstoord;

De keel voelt zich beklemd,

De boezem zich ontstemd,

En nooit gekende smart,

Wordt meester van het hart.

Hij steelt het edelst goed

Aan uw geschokt gemoed,

En geeft, wat hij belooft,

U niets, voor 't geen hij rooft.

Die ééns hem heeft gezien,

Wenscht altoos hem te ontvliên,

En voelt zich zóó bevreesd,--

Alsof een booze geest

Met eindeloos gekwel

Hem aangrijnsde uit de hel!

Wie, zangster! is 't gedrogt,

Wiens vuigen boezemtogt,

Den schrik verspreidt door 't bloed?

Wiens naam reeds siddren doet?

En somber trilt' heur snaar:

"Het heet? Godslasteraar!"

De Liereman · 第 54 / 62 题