DE LASTER.

Hoe de laster smaal',

En door vuige taal,

Deugd haar kroon bezwalke,--

't Schendend lipvenijn,

Schoon het de aard' verschalke,

God verblindt geen schijn!

Zie, de nevel zwicht,

Voor het zonnelicht,

Dat de waarheid bloot leit;

En de pest der aard',

Staat, in al zijn snoodheid,

Naakt geöpenbaard.

Wat zijn helsche togt,

Gruwlijks zamenwrocht,

Tot zijn naastens smarte,--

't Plet zijn' eigen kop--

God doorzag zijn harte,

En stond wrekend op!

De Liereman · 第 49 / 62 题