Hoe de laster smaal',
En door vuige taal,
Deugd haar kroon bezwalke,--
't Schendend lipvenijn,
Schoon het de aard' verschalke,
God verblindt geen schijn!
Zie, de nevel zwicht,
Voor het zonnelicht,
Dat de waarheid bloot leit;
En de pest der aard',
Staat, in al zijn snoodheid,
Naakt geöpenbaard.
Wat zijn helsche togt,
Gruwlijks zamenwrocht,
Tot zijn naastens smarte,--
't Plet zijn' eigen kop--
God doorzag zijn harte,
En stond wrekend op!