DRIFT.

Onbezonnen drift, versmoort

Iedre vreugde-vonk, en stoort

's Levensheil op aarde;

Hoe de glimp haar kwaad verbloemt,

Liefderijke eensgezindheid doemt

Die steeds tweedragt baarde.

Zie, naauw is haar toorn ontbrand,

Of oploopendheid verbant

IJlings pligt en rede;

Vreugde kent geen kortswijl meer,

Als in 't lagchende weleer,

Want haar leuze is: vrede!

Maar smelt' laster ook heur' naam?

'k Hoor haar deugden door de Faam

Toch zoo luidkeels prijzen:

"Drift voedt," zegt ze, "geen verraad,

"Goed van inborst, schuwt ze een daad,

"Die haar ziel doet ijzen!"

IJzen? Wie der lippen wacht,

In zijn razernij veracht,

Doet beraad hem spreken?

Welk geheim de heethoofd weet,

't Staat al loerende gereed

Uit den mond te breken!

Drift is als een dolle hond,

Die wreedaardig ieder wondt,

In zijn blindlingsch woeden;

Ach! zij deed met fellen beet,

Zoo meêdoogenloos als wreed,

Menig harte bloeden ...

Wie verstandig heeten wil,

Wie goedhartig, haat de gril,

Om, bij beuzelingen,

Elk tot spotternij en schrik,

Plotsling, ieder oogenblik,

Uit zijn vel te springen!

De Liereman · 第 48 / 62 题