(_den 8 October 1842._)
Wat hooge vreugd vervult den Koning?
Wat innig heil de Koningin?
Wat plegtigheid doordringt de woning,
Van Neêrlands eerste huisgezin?
Hoe vorstlijk is 't paleis versierd ...
Wat hoogtijdsfeest is 't, dat men viert?
Het huwlijks-altaar staat te branden;
Een schoon en minlijk Bruidspaar knielt;
De dienaar Gods heft hart en handen,
Daar hemelsche aandrift hem bezielt:
Hij smeekt voor 't neêrgeknielde paar,
Den zegen van d' Alzegenaar!
En zie, alsof een hand van boven,
Gods dienstknecht tot zijn roeping wenkt,
Of de Oppervorst van 't Hof der Hoven,
Dit tijdstip nu als 't waardigst schenkt,
De priester hecht in 's Heeren naam,
Door 't snoer des echts twee harten zaâm!
Maar wie, wie zijn ze, de uitverkoren'?
Wie biedt de vreugd haar' zoetsten lonk?
Wie? Neêrland! laat uw' juichtoon hooren!
Sophia, 's lands Prinsesse, schonk
Aan Weimars Hertog, hart en hand;
Geen schooner echt kwam ooit tot stand!
Driewerf geluk dan, Vorstlijke Ouders!
Geluk in 't voorregt van uw kroost!
Het wigt der rijkszorg drukke uw schouders
Maar o! deez' blijde dag schenkt troost!
Heil u ook, pas verbonden Twee!
's Lands beê volgt u tot Weimar meê!