HET WEESJE.

Zuigling van uw wieg af wees?

Welk een booze ster verrees,

Die uw' prilsten levens-stond,

Zoo veel bittren rampspoed zond?

Was uw eerste levenskreet,

Dan een voorgevoel van 't leed,

Dat u, van uw wiegjen af,

Zou vervolgen tot aan 't graf?

Jongske! hoor, er heerscht een magt

Over 't menschelijk geslacht,

Die met toorneloos geweld,

Alles in haar boeijen knelt;

Die geen medelijden voedt,

In het altoos koud gemoed,

Maar met onbewogen hart,

Neêrziet op de diepste smart:

Die de gâ, der gade ontrukt;

d' Ouden staf, naar 't graf gebukt,

Wreedelijk berooft van 't kroost,

Al zijn steunsel nog en troost:

Die, eer 't pasgeboren wicht,

De oogjes opende voor 't licht,

Reeds zijne ouders van hem nam ...

't Was uw lot, onschuldig lam!

Kind! die schrikbre dwingeland,

Die der wereld vreugd verbant,

En slechts waarschuwt met den stoot,

Is, (verbleekt gij?) is de dood!

Wichtje! welk een zielsgenot

Kroonde uw ouders huwlijkslot!

Al de droomen hunner jeugd,

(Zoete droomen, vol geneugt'!)

Duizendwerf elkaar gezegd,

Ja, nog meer, vervulde de echt!

Zie, het zaligst levensuur,

Zet hun volle borst in vuur,

Nu het lagchende verschiet

Nooit gesmaakten wellust biedt!

O, een telg ... maar God! wat rouw

Overvalt de blijde vrouw? ...

Bange vrees en angst en schrik,

Spreken uit uw moeders blik:

"Dierbre gade!" gilt zij uit,

Maar reeds mist hij zijn geluid,

Plotsling zeeg haar zielsvriend neer,

Kind! gij hebt geen' vader meer!

Is het al niet--zwaarder ramp,

Ongeboorne! wacht ten kamp,

't Uur van barensnood breekt aan,

Kon uw moeder 't wee weêrstaan? ...

Angst en doodstrijd zijn gestreên,

Arme Wees! gij staat alléén.

Hulpelooze onnoozelheid!

Knaapje! dat zoo bitter schreit,

En slechts tranen drinkt voor zog,

Ach! waartoe bestaat ge toch?

Waarom velde de eigen hand,

Niet met de ouders, ook het pand,

't Had, van rampen onbewust,

Sluimrende aan hun borst gerust;

Dood! waarom gescheiden, 't geen

Wat het leven smolt tot één?

Wie erbarmt zich uwer, kind?

De aarde is vaak zoo schaars gezind,

Tot meewarig helpen, van

Wie zij hulp onttrekken kan.

Geeft niet iedre wezenstrek,

Een bewijs van uw gebrek?

En het nijdig noodlot zendt,

Honger, kommer, ziekte, ellend'!

Hoe verlaten nooddruft kermt,

Niemand, die zich 't wicht ontfermt!

Niemand? Zwijg, Godlastrend woord,

Eer de Hemel zich verstoort,

Om uw schuldig albedil,--

God is liefde! mensch, zwijg stil.

Zie, het Alziend Vaderoog,

Ziet genadig van omhoog,

Op het klagend wichtje, dat

Zonder God geen' redder had.

Hij, die 't muschje niet vergeet,

Zag des Weesjes droevig leed,

En het lachje van genugt',

Jaagt de traantjes op de vlugt!

Eer vergeet de moederborst,

't Lesschen van des zuiglings dorst,

Eer Hij de onschuld hulploos laat,

Die ter prooi aan 't onheil staat!

Moed dan, Weesje! God vertroost

Steeds het ouderlooze kroost;

Weert hun nooddruft, stilt hun pijn,

En wil zelfs hun vader zijn!

Ja, roept niet zijn eigen Zoon,

Op den minnelijksten toon,

In het teederst liefdeblijk,

Kindren voor zijn Koningrijk?

Vrage dan verblinde waan

Naar het doel van uw bestaan,

Om het grievende gemis,

Dat uw jeugd beschoren is;--

Kind! opregte Godvrucht staart

Op een hooger wit dan de aard',

Deernis voedende in uw' druk,

Juicht zij toch in uw geluk!

Nu dan, teedre bloesemknop!

Groei en luik voorspoedig op!

't Schrikkelijke noodweêr vlugt

Reeds voor zoeler, milder lucht:

Zie, de beste Hovenier

Geeft uw jeugdig leven tier,

Hij bewaakt u en aanschouwt,

Hoe ge uw bladertjes ontvouwt.

Stel zijn zorgen niet te loor,--

Breke straks het vruchtje door,

Dat, met blosjes lief en zacht,

Rijpende ieder tegenlacht!

O dan wordt gij, jonge bloem!

Eenmaal nog der wereld roem,

En het juichende aardrijk looft,

Wijd en zijd, uw heerlijk ooft!

De Liereman · 第 46 / 62 题