DE LACH.

'k Zing, door vreugd gedreven,

De eêlste gift van 't leven;

'k Juich, dat ik het mag!

'k Zing het blijdschaps-teeken,

(Wijkt, o tranen-beken!)

'k Zing den lieven lach!

Jongling! kent ge op aarde,

Schat van grooter waarde,

Dan den lach der min?

Wat den boezem griefde,

't Lachje van de liefde,

Balsemt ziel en zin!

De eerste lach van 't wichtje,

Op het lief gezigtje,

Door het oog bespied,--

Teedre lach van d' Engel ...

God! wat heilgemengel!

Ouders! gij geniet.

Bij het leverschudden,

Als de lach met mudden

Vreugde en blijdschap meet,--

't Droevig stofgewemel,

Wordt een blijde hemel,

Waar is, aarde! uw leed?

Troost! als ge onschulds smarte,

In het treurend harte,

Medelijdend sust,--

Laat zich op haar wezen,

't Kalme lachje lezen,

Dat in God berust.

Zaagt gij ooit de dieren

Lagchend vreugde vieren,

Hoe verheugd van geest?

Juich! ook 't lachvermogen,

Mag u, mensch! verhoogen,

Boven 't reedloos beest!

Wie zijn strakke trekken,

Nooit ten lach voelt wekken,

Vlied den norschen draak!

Schoon u 't purper kleedde,

Wreede Flips de Tweede!

Vlood de lach uw kaak (1).

Lach! o te aller stonden,

Waart gij naauw verbonden

Aan de blanke deugd;

De edelste der gaven,

Smaken slechts de braven,

't Lachje van geneugt.

Want, de lach der boosheid,

Die der valsch- en loosheid,

Waanzin, wanhoops-lach,--

Wie dat lach kan heeten,

Is den lach vergeten,

En ziet nacht voor dag.

Molmen bint en stutte,

Van mijn leemen hutte,

Dat de dood ze sloop',

Moge, in 't laatst van 't leven,

Slechts mij 't lachje omzweven,

't Lachje van de hoop.

* * * * *

(1) De geschiedenis verhaalt, dat Filips de Tweede

nooit lachte.

De Liereman · 第 45 / 62 题