AAN EEN' FAT.

Gij, zoo erbarmelijke Fat!

Die uw kleedij het hoogste schat,

U zelv' vergoodt en wendt en keert,

En als een paauw in 't rond _spanceert_!

Die, rusteloos, u elken dag

Versiert met telkens bonter vlag;

Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht

Aan d' oorsprong van de kleederdragt?

Hoe zij der zonde kenmerk is,

Het toonbeeld der verdorvenis?

En gij, o bontgetooide pop!

Gij flikt en kwikt en strikt u op,

En weet niet, dat u juist verneêrt,

Hetgeen gij waant, dat u vereert ...

Waardoor ontstond in 't paradijs

Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs.

Geloof me, een waarlijk kloeke geest,

Kiest zich een kleed naar vorm en leest;

Naar jarental en luchtklimaat,

Een eerbaar kleed, naar rang en staat!

Een kleed, dat ieders achting wekt,

En niet den spot ten lach verstrekt.

De Liereman · 第 44 / 62 题