Gij, zoo erbarmelijke Fat!
Die uw kleedij het hoogste schat,
U zelv' vergoodt en wendt en keert,
En als een paauw in 't rond _spanceert_!
Die, rusteloos, u elken dag
Versiert met telkens bonter vlag;
Hebt gij wel, leeghoofd! eens gedacht
Aan d' oorsprong van de kleederdragt?
Hoe zij der zonde kenmerk is,
Het toonbeeld der verdorvenis?
En gij, o bontgetooide pop!
Gij flikt en kwikt en strikt u op,
En weet niet, dat u juist verneêrt,
Hetgeen gij waant, dat u vereert ...
Waardoor ontstond in 't paradijs
Het eerste kleed? o Dwaas! word wijs.
Geloof me, een waarlijk kloeke geest,
Kiest zich een kleed naar vorm en leest;
Naar jarental en luchtklimaat,
Een eerbaar kleed, naar rang en staat!
Een kleed, dat ieders achting wekt,
En niet den spot ten lach verstrekt.