Hij was een brave man!
Wel hem, van wien de waarheid
Dien lof getuigen kan!
Hij droeg de grijze kroon
Der zilverblanke opregtheid,--
Geen Koningskroon zoo schoon!
De nutte boerenstand,
Werd aan zijn vlijt tot werkkring
Beschikt van Hoogerhand!
Was landbouw al zijn lust,--
Nu scheen de schoot der aarde
Na d' arbeid, zoete rust!
Geen hartelijker vrind,
Schonk immer de verkeering;
Hem minde grijze en kind!
Zijn leuze als echtgenoot,
Als teederste aller vaders,
Was: "trouw tot in den dood!"
Hij stelde op eenvoud prijs,
Aartsvaderlijke zeden!
Gij waart zijn levenswijs.
Ofschoon noch rijk, noch arm,
Mogt hij de nooddruft steunen,
Dan sloeg zijn harte warm.
Naar hem de wet beval,
Zóó minde hij zijn naasten,--
Maar o, God bovenal!
Op Christus zoenverbond,
Was al zijn hoop gevestigd,
Tot in zijn' jongsten stond!
Hij was een brave man!
Wel hem, van wien de waarheid
Dien lof getuigen kan!