DE OOIJEVAARS.

Hoezee! daar komen de Ooijevaars

Weêr fladdrende aangevlogen!

Zijt welkom, lieve Klepperaars!

Met vreugd zien u mijne oogen.

Zijt welkom uit het vreemd gewest,

Strijkt neder op het toevend nest!

Hoor, hoor, zij roepen raatlende uit:

"Is 't, Mensch! nog tijd van slapen?

"De wintervorst is heengebruid,

"De schepping staat herschapen!

"De lente is daar, het huis ontvlugt,

"Naar buiten, in Gods vrije lucht!"

o Vogels! welk een bron van vreugd,

Doet niet uw komst weêr stroomen!

Een welkomthuis, zoo vol geneugt ...

Wie had het kunnen droomen?

't Is, waarlijk, of gij iedren Maart,

Nog meerder giften schenkt aan de aard'!

Ei zeg, is 't waarheid, blijft het huis

Waarop ge uw' zetel stelde,

Bevrijd van druk, bevrijd van kruis,

Zoo als de faam vermeldde?

Hoe 't zij, 't is zeker en gewis,

Dat elk uw komst tot blijdschap is.

Hoog wordt ge in Nederland geacht,

Uw regten zijn er heilig;

Waar ge ook uw woonstede overbragt,

Zijt ge ergens meerder veilig?

Want wee de hand, die in ons oord,

Uw bouwing schendt, uw rust verstoort!

Doet niet het Vorstlijk 's Gravenhaag

U in zijn wapen leven?

Daarheen wendt zich de blik zoo graag,

Wanneer ge ons hebt begeven;

Dan juicht het harte blij gezind!

Gij zijt het sprekend, beste vrind!

Doch, vogels! niet aan dos, of zang,

Zijt gij die eer verschuldigd,

Uw deugd voert u tot d' eersten rang,

Uw deugd, die de aarde huldigt;

Want kuischheid woont in uw gezin (1),

Bij ouderliefde en kindrenmin.

Maar zie, de vruchtbre huwlijks-spond

Wordt lagchende u ontsloten,

Geniet de weelde van deez' stond,

Teêrminnende echtgenooten!

Een frisch gepluimte, u beider beeld,

Zij 't heil, dat u de toekomst teelt!

En als gij tegen 't koud saizoen,

Met de uwen weêr gaat trekken,

En we allen uitgeleide u doen,

Zoo ver het oog kan strekken;

Dan roept nog de echo duizend keer:

"Geluk op reis, komt haastig weêr!"

* * * * *

(1) Deugden, die den Ooijevaars algemeen worden toegekend.

De Liereman · 第 42 / 62 题