DE DROOM.

Van mijn wandling moê en mat,

Gaf ik me, onder 't beukenloover,

Bij eens beekjes kabblend nat,

Aan de rust op 't mosbed over,

'k Viel in sluimring; maar, wat droom!

Droomde ik aan dien oeverzoom?

't Was me, als gleed ik telkens meer

In de diepe waterkolken,

Bij het schubbig goedje neêr,

Burgers, die den stroom bevolken!

Enklen, uit hun element,

Waren mij bij naam bekend.

O! wat wereld leefde om mij!

Welk een wriemlen, wat krioelen,

In die vreemde maatschappij,

Welk een trachten en bedoelen;

Want, geen vischje was zoo dom,

Dat niet wist waarom het zwom!

Maar, door welk een vrees beklemd,

Gaat dat kleine kaarsje dolen?

Hoe 't dien grooten snoek ontzwemt!

De angst houdt het in 't riet verholen,

Had de groote u daar betrapt,

Kleine! gij waart opgehapt.

'k Schrikte wakker--"Foei, dat's wreed!"

Riep ik, "dat gij, groote slokkers!

"De arme kleine vischjes eet,

"Schaamt u, leelke booze schrokkers!

"Neemt een voorbeeld toch aan de aard',

"Daar is 't, dat de sterke groote steeds den zwakken kleine spaart!"

De Liereman · 第 10 / 62 题