DE PATRIJZEN.

"Tom! breng deez' brief met zes patrijzen

"Eens gaauw naar 't landgoed Smullenhof;

"Maar," spreekt Mijnheer, "niet droomen, of

"Dees stok zal straks zijn kracht bewijzen!

"('k Zie hoe Baron van Lekkerbek

"Al schranst ...) toe, voort dan, luije gek!"

De vluggert ijlt met slakke schreden,

En meer en meerder krimpt zijn stap.

"'k Was," zegt hij, "altijd kloek en rap,

"Ja schaars, die zoo veel arbeid deden,

"Maar zonder poozen, zulk een vracht,

"Geen Simson zelfs bezat die kracht!"

Tom rust--verbruid, was dat ook sjouwen!

Een half kwartier heeft de arme vent,

Het telkens zwaardere present,

Al voortgesleept ... wie kon 't aanschouwen?

Wel is de weg haast afgelegd,

Maar hoor, natuur heeft ook haar regt!

Ras sluit de slaap zijn oogleên digt,

Een guit, die hem in 't gras zag glijden,

Werd zoo vervuld van medelijden,

Dat hij des stakkers last verligt.

"'k Deed," zegt de schalk, "nog nooit één schot,

"Maar 't loopt mij meê, dees jagt gaat vlot!"

En naauwlijks is een uur vervlogen,

Of vlugge Tom is reeds ontwaakt;

Dan ach, de vogels zijn geschaakt!

"Een dief," snikt hij, "heeft mij bedrogen!"

Want waar het zoekend oog ook ziet,

Het malsch gevleugelte is er niet!

Wat raad? de vrees verheert zijn zinnen!

Halfdood zal Lekkerbek hem slaan,

Om 't boutjen aan zijn' mond ontgaan.

"Stil," roept hij, "daar schiet me iets te binnen!

"'k Geef aan de poort den brief gaauw af,

"Zwijg van 't geschenk en neem den draf!"

Maar zie, tot overmaat van smarte,

Treed onverwachts het aadlijk bloed,

Hem, uit een zijlaan, te gemoet.

Tom zit er in, hoe heeft zijn harte!

Toch brengt hij, schoon hem de angst verwon,

Zijn halve boodschap den Baron.

En nu--of Tom ook wist van beenen,

Geen haas, door't schot verschrikt, zoo vlug,

Maar Heer Baron roept hem terug.

"Waar," vraagt hij, "toch zoo vliegend henen?

"Ik zag je nooit zoo driftig vliên,

"Ligt moet er antwoord zijn, laat zien."

"'t Schrift zie ik, houdt een gift in, jongen!

"an zes patrijzen." "Hoe!" juicht Tom,

"De vlugtelingen zijn weêrom?

"Wat pak van 't hart! nu luid gezongen!

"Ik dwaas, toen 'k meende, dat een dief....

"Het doode wild vloog in den brief!"

De Liereman · 第 11 / 62 题