DE OUDE EN NIEUWE MAAT.

De oude maten en gewigten

Verlieten 't land;

De nieuwe gaan hun dienst verrigten,

En treên in stand;

Dat gaf aan de eedle winkelieren,

Een dolle pret,

Maar hoe misnoegdheid moge tieren,

Men vreest de wet!

Het hoog bevel, had ook de scholen

Voor wijd en zijd,

Het nieuwe stelsel aanbevolen,

Der school ten spijt:

"Weg, met die leelke decimalen!"

Zoo riep de jeugd,

"De duivel mag die vinding halen,

"Tot aller vreugd!"

Eens kwam de meester met twee ellen,

Één nieuw', één oud',

"Kom," zegt hij, "staak dat babblend rellen,

En wees niet stout!

"'k Wijs u het voordeel aan, dat de eene

Op de andre heeft,

"'t Is tot uw eigen best, naar 'k meene,

"Zoo ge aandacht geeft!"

Maar geene attentie is te winnen,

Men meesmuilt slechts,

En ziet, met afgedwaalde zinnen,

Dan links, dan regts,

Eén onder hen, een kleine snuiter,

Die niets ontziet,

Roept luid, van kop tot teen een muiter,

"Ik leer dat niet!"

"Wat!" zegt de meester, "kwade jongen!

"Hoor ik het wel?

"Dat liedjen is gaauw uitgezongen!"

Hij dreigt met de el ...

Maar de ondeugd roept: "spaar uw geweten,

Wat euveldaad,

"Gij moogt mij met dees el niet meten!"--

't Was de oude maat!

De Liereman · 第 9 / 62 题