„O—o!” zei Corrie, terwijl haar lachlust verdween, en ze haar broer met

een blik vol bezorgdheid aankeek. „Dus heb ik toch gelijk gehad, klein

papegaaitje, dat je bezig was iets te bedenken, dat misschien weer

slecht zou kunnen afloopen. Ik zal je eens iets veel beters vertellen.

Wees zoo voorzichtig als je ’t maar met mogelijkheid zijn kan, om niet

’t minste of geringste meer te ondernemen van die dingen, die jij

verrassingen noemt, maar waarvan de gevolgen meestal lastig en

onpleizierig zijn. Dat zal een veel betere manier zijn om Oom Johan te

bedanken dan iets anders, geloof me.”

„Zou-je dat denken?” luidde ’t gemoedelijke antwoord, terwijl de blonde

krullebol weer op zij werd gehouden. „Maar, zie-je, Cor, jou plannen

zijn allemaal om niets te doen, en ik vind ’t veel aardiger om wél iets

te doen.”

Vóórdat Juffrouw Holmer haar spijt kon uitdrukken omtrent dat laatste,

welbekende feit, stak de heer Holmer zijn hoofd naar binnen, terwijl

hij haastig zei:

„Jo, ik ga vandaag niet naar mijn kantoor, dus als je dadelijk je muts

opzet, kan-je met me meegaan om de boerderij rond te gaan; en misschien

kunnen we daarna nog wel even een kijkje nemen in de school, en den

Kerstboom zien, als we Corrie daar gaan afhalen.”

„Hoera!” schreeuwde Jo, terwijl hij naar de deur holde om zijn muts te

halen. Maar opeens scheen hij zich iets te herinneren, en hij bleef met

een eenigszins bedrukt gezicht staan.

„Dat ’s waar, oom, ’t spijt me erg, maar ik heb aan Cor beloofd dat ik

met haar mee zou gaan om haar te helpen.”

„Wel, wel!” zei de heer Holmer, op een toon van ernst, die door de

uitdrukking van zijn gezicht werd weersproken. „Dat is bepaald een

lastig geval, jongen! Maar zou-je niet denken dat Corrie je misschien

wel van je belofte zou willen ontslaan, als we ’t haar vroegen?”

Corrie trad naar voren, met een lachende uitdrukking in haar oogen, om

voor zichzelf te antwoorden.

„Zeker, Oom, ’t zal me zelfs heel veel pleizier doen. Ik bedoel

natuurlijk, Jo, dat ik ’t heel best vind, als je met Oom meegaat om al

de dieren te bekijken, en ik hoop dat je een heel prettigen ochtend

zult hebben.”

En zoo werd Jo door zijn zuster aan de hoede van haar oom overgegeven,

terwijl ze niet kon nalaten een lichten zucht van verlichting te

slaken, nu ze eindelijk eens in staat was vrij adem te halen, al was de

deugniet ook uit ’t gezicht. Die arme Corrie! Weinige uren later

schreide ze zich half blind, bij de herinnering dat ze er blij om was

geweest haar kleinen, lastigen broer een poosje kwijt te zijn, en deed

ze haar best, door middel van allerlei zelf-pijnigingen, uit die

gedachte stof te putten tot bitter zelfverwijt.

Voor ’t oogenblik echter begaf ze zich vol opgewektheid op weg, om den

zeer welkomen bijstand te verleenen van haar goeden smaak en vlugge

vingers bij ’t versieren van den Kerstboom, die in de gemeenteschool

dienst zou moeten doen; en Jo liep mee met zijn oom, om een flinke

inspectie te houden over de paarden, varkens en koeien, en al het

andere gedierte in die omgeving.

Jo was er bijzonder op gesteld niets over te slaan, en dus moest er ook

een bezoek worden gebracht aan de geit, die op een veld op eenigen

afstand van het huis te vinden was. Voordat oom en neef die plek hadden

bereikt, werden ze ingehaald door den dorpsgeestelijke, die gekomen was

om met den heer Holmer het een en ander omtrent de regeling van het

schoolfeest te bespreken. Jo liep naast de beide heeren voort, nu en

dan eens luisterend naar hun gesprek, en dan weer bezig met zijn eigen

gedachten. Maar op eens scheen ’t hem toe, dat zijn eigen gedachten en

’t onderwerp van gesprek der beide heeren zóó wonderlijk in elkaar

pasten, dat hij er bepaald verbaasd over was.

„Wat een prachtige oude boom!” had de predikant zoo juist gezegd,

terwijl hij stil bleef staan onder een breedgetakten kastanjeboom, die

er, zelfs in zijn wintersche kaalheid, indrukwekkend uitzag.

„Ja,” zei de heer Holmer, „die oude reus is een van de dingen hier,

waar ik bijzonder veel prijs op stel. Maar tot mijn spijt heeft hij

door ’t zware onweer van verleden zomer wat geleden. Daarginder zit een

tak, zie-je wel, die door den bliksem is getroffen; hij is heelemaal

dood.”

„Zoo!” zei de predikant, terwijl hij haastig eenige schreden achteruit

trad. Hij was een eenigszins zenuwachtig man, en de getroffen tak was

vrij groot.

„Zou ’t niet beter zijn dat hij werd weggenomen?” vroeg hij, met eenige

onrust. „Bij harden wind zou hij bepaald gevaarlijk kunnen worden.

Dunkt-je niet?”

De heer Holmer keek met onderzoekenden blik omhoog, en dat deed Jo ook.

„Jawel,” zei de heer Holmer; „daar heb ik zelf ook wel eens over

gedacht. Maar de kwestie is dat John, mijn tuinman, zoo zwaar is, dat

ik eigenlijk bang was hem zoo hoog te laten klimmen. ’t Zal ’t best

zijn dat ik eens naar een of anderen jeugdigen schoorsteenveger

uitkijk, om naar boven te klimmen en een touw om den tak te slaan. Die

zou dan gauw genoeg beneden zijn, met één flinken ruk. En ik moet

zeggen dat ik er blij om zou wezen, want ’t is niet alleen gevaarlijk,

maar een leelijk gezicht ook.”

Dit zeggende, kwam hij van onder den boom uit en voegde zich weer bij

zijn vriend, te zeer vervuld van ’t gesprek, dat tijdelijk was

afgebroken, om de belangstellende, verlangende blikken op te merken,

die door vriend Jo op den dooden tak werden geworpen, waarover zijn oom

had gesproken.

„Ik ben geen schoorsteenveger,” zei Jo zacht in zichzelf, terwijl hij

langzaam achter de beide heeren aanliep; „maar ik kan heel wat beter

klimmen dan Fred Mackenzie, en ik geloof dat hij zelfs heel gemakkelijk

naar boven zou kunnen klauteren om een touw te slaan om dien dooden

ouden tak. Ik kan ’t in elk geval zeker.”

XI.

DE LASTIGE JONGEN KRIJGT EEN ONGELUK.

„En wat zal oom tevreden zijn,” mompelde Jo Holmer in zichzelf, „als ik

terugloop en hem vertel dat ’t touw al heelemaal in orde is, en dat ze

maar kunnen trekken.”

Vriend Jo zat heel in de hoogte tusschen de takken van den reusachtigen

ouden kastanjeboom, toen hij dat zei; en hij keek naar boven om te zien

hoe ver hij nog gaan moest. ’t Deed hem wel een beetje pleizier te

merken, dat hij nog maar een klein eindje hooger behoefde te klimmen om

te zijn waar hij wezen moest, want door de vorst waren de takken

eenigszins „glibberig,” en ondanks de inspanning van het klimmen,

begonnen zijn handen tamelijk verstijfd te worden van de kou. Hij keek

naar het touw, dat hij om zijn middel had gewonden, en wenschte er

zichzelf geluk mee dat hij ’t niet met een knoop had vastgemaakt, want

die zou moeilijk los te maken zijn geweest. En toen strekte hij zijn

arm weer uit naar een hoogeren tak, en klom verder.

Maar terwijl Jo bezig was zijn plan te volvoeren om zijn oom een

echten, werkelijken dienst te doen, als teeken van dankbaarheid voor al

de aan hem bewezen vriendelijkheden, werd door de personen, die zich

voor zijn welvaren en goed gedrag verantwoordelijk voelden, de

gebruikelijke vraag gedaan, waar hij ergens zitten zou.

Dadelijk na ’t koffiemaal was Juffrouw Holmer weggeroepen naar de

ontvangkamer, om het een en ander met de schooljuffrouw te bepraten. De

heer Holmer had een wijsgeerig gesprek op touw gezet met den predikant,

die met hem naar huis was gegaan om te blijven koffiedrinken, en Jo had

die gunstige gelegenheid waargenomen, om weg te loopen en ongehinderd

zijn goede plannen te gaan volvoeren.

De gewichtige kwesties betreffende ’t schoolfeest, het onthalen van de

kinderen, de versiering van den Kerstboom, enz., waren eindelijk tot

een beslissing gekomen, en Corrie keerde nu naar de eetkamer terug. De

onvermijdelijke vraag volgde:

„Waar is Jo, oom Johan, weet u ’t ook?”

„Jo, kind-lief?” zei Oom Johan, terwijl hij, op eenigszins afgetrokken

manier, in de kamer rondkeek. „Neen, Corrie, ik dacht dat Jo bij jou

was. Heb je hem naar hier teruggezonden?”

„Neen, Oom, ik had hem hier gelaten.”

„Uw broertje is uitgegaan, juffrouw,” zei Jane, die toevallig

binnenkwam, terwijl ze er over aan ’t praten waren. „Een minuut of tien

geleden zag ik hem ’t keukenraam voorbijgaan.”

„Lieve hemel, waar kan hij naar toe zijn gegaan?” zei Corrie, met een

extra gevoel van onrust, bij de herinnering aan ’t gesprek van dien

morgen over de verschillende uitingen van dankbaarheid. Ze keek zóó

bedrukt, dat haar oom opstond, tegelijk met zijn gast, en op

bemoedigenden, opgewekten toon zei:

„Kom, kom, beste meid, je kunt niet verwachten dat die kleine deugniet

van een broer je altijd als een hondje naloopt. Maar wees maar gerust,

ik wandel met Menheer Robinson terug naar het dorp, en ik wed dat we Jo

dan wel hier of daar zullen zien in ’t voorbijgaan—op den schommel, of

bezig om de konijnen eten te geven. Als ik hem vind, zal ik hem naar

binnen zenden voor een brompartij.”

Corrie lachte.

„Dat ’s goed, oom. Ik zal me er voor gereedhouden. Maar zegt u

alsjeblieft, als hij dadelijk komt, dat hij dan met me kan meegaan om

naar den Kerstboom te kijken.”

„Bij wijze van brompartij zeker?” vroeg de predikant, glimlachend, en

toen gingen de beide heeren heen, en Corrie zette zich, geheel

gerustgesteld, neer, om een half dozijn kleine poppen aan te kleeden,

die nog voor den Kerstboom noodig waren, maar die, door de macht der

omstandigheden, zooals Jo zou hebben gezegd, nooit daarin zouden worden

opgehangen.

De heer Holmer zag een van de staljongens staan, toen hij den

achtertuin doorging, en hij riep hem toe:

„Sam, is mijn neefje kort geleden in den stal geweest om den ezel eten

te geven?”

„Neen, menheer,” antwoordde Sam, naderbij tredend. „Ik heb den

jongeheer daarstraks zien loopen, met een touw in zijn hand, ’t veld

over, den kant van ’t dorp op.”

De heer Holmer stond plotseling stil, terwijl de jongen sprak, en hij

wendde zich tot zijn vriend, met zóó’n zonderlinge uitdrukking op ’t

gelaat, dat deze van zijn kant hem verschrikt aanstaarde.

„Wat scheelt er aan, Holmer?” vroeg hij, op bezorgden toon. „Voel-je je

niet wel?”

„Neen, maar ik ben bang; dat gebeurt me niet dikwijls,” luidde ’t

antwoord, hard en koel. „Maar kom, we verliezen hier maar tijd. We

kunnen den kleinen waaghals misschien nog wel inhalen, vóórdat hij bij

den boom is, als we ons haasten.”

„Den boom?” hijgde de predikant, ademloos, niet omdat hij den angst van

zijn vriend eenigszins deelde, want hij wist dien volstrekt niet te

verklaren, maar alleen omdat ’t hem moeite kostte diens snellen pas bij

te houden.

Maar al had hij nog zoo verstaanbaar gesproken, dan zou hij toch,

hoogstwaarschijnlijk, op dat oogenblik geen volkomen duidelijk antwoord

hebben gekregen, want de heer Holmer sprak de eenvoudige waarheid, toen

hij zei dat hij bang was. Hij had dadelijk begrepen wat dat touw

beteekende, en in welke richting er naar zijn neefje moest worden

gezocht.

Eindelijk, toen hij den boom in ’t gezicht kreeg, bleef hij even

stilstaan, en, zich naar den predikant wendende, zei hij, terwijl hij

naar den boom wees, met heesche stem:

„Robinson, je kunt beter in de verte zien dan ik—zeg eens, zie-je ’t

kind?”

Eindelijk begreep de predikant zijn bedoeling. Maar hij voelde zich

bijna geneigd om den angst van zijn vriend te lachen.

„Of ik het kind zie!” riep hij uit. „Je neefje, bedoel-je immers,

Holmer? Wel neen, natuurlijk niet. Je veronderstelt toch niet, dat die

kleine jongen ’t zou durven wagen in zóó’n boom te klimmen, vooral met

een weer als dit!”

„Hij waagt en durft een heeleboel. Waar had hij anders het touw voor

noodig, als om te doen wat ik opperde?”

De beide heeren waren weer voortgegaan, en bevonden zich nu dichter bij

den boom. Op eens kwamen twee boerenarbeiders van uit een ander veld

naar hen toesnellen.

„Menheer,” riep de een, „daar zit een jongen in dien boom daarginder.

Wat hij er doet, begrijp ik niet, want er zijn nu geen vogelnesten om

uit te halen; maar als hij geen armen of beenen breekt, is ’t een

wonder.”

Er was nu geen twijfel meer mogelijk, en alle vier snelden ze vooruit

naar de bewuste plek, juist toen een luid en vroolijk „Hoera! ik heb ’t

gedaan!” van uit ’t midden van den boom weerklonk.

’t Volgende oogenblik hoorde men een luid gekraak, een schreeuw, een

schuren tusschen de takken, een bons, en vóórdat de vier mannen de plek

konden bereiken, lag de arme kleine Jo naast den afgebroken tak op den

grond, bleek en bewegingloos, met een gebroken been, een gebroken arm,

en een bloedend hoofd.

„Waar zullen we hem heenbrengen, mijnheer?” vroegen de mannen, zich

meer tot den predikant richtende dan tot den doodelijk ontstelden

bloedverwant, die met een zoo droevige uitdrukking op het bleeke

gezichtje van den armen kleinen knaap staarde. Maar de heer Holmer zei

snel:

„Waar! Wel, naar huis, natuurlijk.” En toen voegde hij er, op een

anderen toon en als tot zichzelf sprekend, bij: „Maar, o! wat zal

Corrie zeggen; wat zal Corrie zeggen?”

’t Herhalen van dien naam trok blijkbaar de aandacht van den half

bewusteloozen knaap, want op eens openden zich de stijfgesloten blauwe

oogen; de bleeke lippen bewogen zich, een zachte kreet deed zich

hooren, gevolgd door de smeekend gedane vraag:

„Och! Oom—vertel ’t niet—aan Cor.”

De heer Holmer boog zijn gelaat nog dieper over het kind, terwijl hij

op zachten, vriendelijken toon zei: „Waarom niet, beste jongen? Je

denkt toch niet dat ze nu boos op je zal zijn?”

Even vertoonde zich een blos op ’t bleeke gezichtje, en Jo riep, met al

de kracht waarover hij nog beschikken kon: „Maar oom!! Cor is immers

nooit boos! Ik—ik—ben,” hier klonk zijn stem weer heel zwak, „alleen

bang—dat—ze ’t zoo naar—zal vinden—die arme—”

Hij kon niet meer spreken; opnieuw verloor hij ’t bewustzijn.

’t Duurde lang, heel lang, dat die kleine, lastige Jo er niet ’t minste

besef van had, wie al of niet van zijn ongeluk hoorde en wie er al of

niet bedroefd en verdrietig over was. Door Corrie Holmer was al menige

bittere traan geschreid, naast ’t ledikantje waarin haar kleine broer

lag, met kort afgeknipt haar en een koortsblos op de wangen, vóórdat

een heel zwak stemmetje op een ochtend onverwachts vroeg:

„Corrie, waarom zit-je hier?—Heb ik me verslapen?—is ’t tijd om te

ontbijten?”

’t Duurde een oogenblik voordat die vragen beantwoord werden, want

juffrouw Holmer scheen niet onmiddellijk tot spreken in staat te zijn.

Eindelijk zei ze, op gedwongen kalmen toon:

„Ja, beste Jo, ’t is tijd om te ontbijten. Maar je hebt wat hoofdpijn

gehad, en daarom vindt mama ’t beter dat je nog een beetje in bed

blijft.”

„Dat ’s goed,” zei Jo, half slaperig, en met een zucht van voldoening.

„Dan geloof ik dat ik nog maar een beetje ga slapen.”

En vijf minuten later, toen zijn moeder in de kamer kwam, om Corrie

naar beneden te zenden voor haar ontbijt, en zelf haar kleinen jongen

te verzorgen, vond ze hem rustig slapende. ’t Was de eerste

natuurlijke, verkwikkende slaap, dien hij sinds weken had genoten. De

crisis was voorbij. De koorts had opgehouden, de gebroken ledematen

begonnen goed te genezen, schrammen en builen waren sinds lang

verdwenen, en die veelbeminde, lastige kleine jongen, Jo Holmer, had nu

niets meer te doen dan zoo gauw als hij maar kon heelemaal beter te

worden. En in den tusschentijd beschouwde hij ’t blijkbaar als een

uitgemaakte zaak, dat in bed liggen, met een arm en een been in

gipsverband, iemand ’t recht verleende onbegrensde eischen te stellen

op ’t gebied van verhaaltjes.

Niet alleen Corrie, maar ieder ander, die zijn ledikantje naderde, werd

voor dien dienst geprest, totdat eindelijk, op zekeren avond, Marian,

de keukenmeid, die de trap op was gekomen, met ’t speciale doel den

jeugdigen dwingeland haar hulde te bewijzen, met den verheugden uitroep

werd begroet:

„O! Marian, ik ben erg blij dat je gekomen bent. Ik geloof dat Cor een

klein beetje suf in haar hoofd is geworden van al ’t vertellen. Ze

heeft vandaag niet heel veel kunnen bedenken, ten minste niks aardigs,

dus wil je dat kookboek van je maar boven brengen, ik zou dat grappige

begin nog wel eens willen hooren.”

„En ik hoop, baasje,” zei de heer Holmer, „als Marian zoo goed wil zijn

je uit dat kookboek voor te lezen, dat jij dan nog eens even zult

denken aan zekere gesuikerde pastei en flink gezouten koekjes. Kom,

Corrie, kind-lief, ga maar mee naar de ontvangkamer, er is daar iemand,

die, geloof ik, op je zit te wachten, en die niet, zooals Jo, je

verhaaltjes niet aardig genoeg vindt.”

„Wie is dat, Cor?” vroeg Jo, toen zijn zuster zich, met een eenigszins

verlegen uitdrukking, over hem heenboog om hem een kus te geven. „Wie

zit er op je te wachten?”

„Ik—ik—weet ’t niet, beste jongen,” luidde ’t vrij haastig gegeven

antwoord, dat wáár was ook, want juffrouw Holmer wist ’t werkelijk

niet; ze had alleen een vermoeden. Tegelijkertijd ontsnapte ze aan de

mogelijkheid nog verder ondervraagd te worden, zoo snel als ze kon, en

Jo moest zich dus tot Marian wenden:

„Marian, wie is er beneden, weet je ’t soms, bij mama en Oom?”

Marian aarzelde een oogenblik, voordat ze antwoordde, en toen zei ze:

„Menheer Russell is een poosje geleden gekomen, Jo. Maar ik weet niet

of hij er nog is.”

„Natuurlijk kan hij er niet meer zijn,” klonk ’t onmiddellijk, op heel

beslisten toon. „Als hij gebleven was, zou hij natuurlijk wel boven

zijn gekomen, want hij houdt ’t meest van mij, meer dan van iemand

anders hier in huis.”

En daar die verzekering vriend Jo volkomen voldeed, had Marian geen

lust er iets tegen in te brengen.

XII.

JO MAAKT ZICH VERDIENSTELIJK.

’t Was in de allereerste dagen van April. Zacht, liefelijk, helder,

heerlijk weer—kortom, juist ’t soort van weer, om iemand er toe te

brengen allerlei bijvoegelijke naamwoorden ter eere er van opeen te

stapelen. Juist ’t soort van weer, om hoopvolle menschen met een

opgewekten glimlach tegen elkaar te doen zeggen:

„Wat een prachtigen zomer zullen we hebben!”

„Hoor eens, Oom,” begon Jo Holmer, „’t is toch eigenlijk nog zoo kwaad

niet geweest, dat ik mijn arm en mijn been heb gebroken, want, ziet u,

u zou er anders nooit over gedacht hebben Corrie en mij zoo lang hier

te houden.”

De jeugdige patiënt lag, door kussens gesteund, op een canapé vlak,

voor een groot, openslaand raam, dat uitzicht gaf op een ruim grasveld,

waarin kleine bloemperken waren aangelegd, vol frissche crocussen,

madeliefjes en hyacinthen.

Niet ver van die canapé zaten de vader en moeder van Jo, zijn oom, de

heer Holmer, Corrie natuurlijk, en de heer Russell. ’t Heele gezelschap

had gedurende eenige oogenblikken gezwegen, toen Jo aan de kalmte en

stilte op eens een einde maakte door zijn, op heel beslisten toon,

geuite opmerking. Na een oogenblik gewacht te hebben, voegde hij er

bij:

„Is ’t wel, Oom? Zou u wel?”

De heer Holmer lachte.

„Nu, als ik je op een of andere manier hier had moeten houden, dan zou

ik toch liever een gezonden logé hebben gehad.”

Jo schudde, met een heel wijs gezicht, zijn hoofd.

„Ja, Oom, ik geloof wel dat u dat denkt. Maar u zou ’t nooit hebben

uitgehouden, ziet u. Dat heeft Marian, de keukenmeid, me gezegd. Ze zei

vroeger eens, vóórdat ik gevallen ben, tegen me, dat u, als ik nog een

week langer bleef, zóó mager zou zijn geworden van al ’t getob met me,

zóó mager—ze zei dat u al zoo afgevallen was, sinds ik hier logeerde,

en ze zei—”

„Houd nu je mondje maar eens, kleine babbelkous,” zei zijn moeder,

lachend, terwijl ze haar hand op zijn mond legde. „Je mag al die

vertrouwelijke mededeelingen van Marian zoo maar niet verklappen.

Vertel ons liever eens waarom je ’t zoo’n speciaal goed ding vindt, dat

je oom je zoo lang hier heeft moeten houden.”

„O! mama, dat is heel makkelijk te vertellen,” antwoordde hij dadelijk.

„’s Winters vind ik ’t nu niet zoo’n vreeselijk prettig buiten hier, om

op te wonen, behalve, ziet u, wat de ezels betreft, die zijn erg

aardig, en de varkens ook. Maar nu ik ’t in de lente gezien heb, nu

weet ik dat ’t hier erg mooi is. En dan is er, natuurlijk, nog die

andere reden.”

„Is die evengoed als de eerste, kleine baas?” vroeg de heer Holmer

lachend. „Kom, laten we ze eens hooren.”

„Dat ’s goed,” zei Jo kalm. „En die reden is eigenlijk nog beter dan de

andere, omdat ze mezelf niet aangaat. Als ik niet uit dien boom was

gevallen, dan zouden Corrie en Menheer Russell niet zoo dikwijls te

zamen bij me hebben gezeten, en ik weet zeker dat ze ’t allebei heel

plezierig—O!”

Wel mocht Jo „o!” zeggen, want ’t spreken werd hem dezen keer

onmogelijk gemaakt door een plotseling naar boven duwen van zijn kin,

waardoor hij zich in zijn tong beet, terwijl Corrie, werkelijk boos,

met verontwaardigde blikken en hoogroode wangen, op gedempten toon zei:

„Hoe durf je, Jo? Hoe durf je zulke dingen zeggen!”

En toen werd Jo’s kin losgelaten, en weer uitte hij een benauwd „o!”

terwijl Corrie van haar stoel opsprong, en door de openstaande glazen

deur naar buiten liep, waar ze dadelijk om den hoek van het huis

verdween.

’t Volgende oogenblik was ook de heer Russell opgesprongen, en,

blijkbaar aangemoedigd door de lachend geuite opmerking van den heer

Holmer:—„Ik zou je maar raden je wat te haasten, Frank, als je die

vluchteling nog wilt inhalen”—vloog ook hij naar buiten en verdween om

den hoek van het huis.

Sprakeloos van verbazing staarde Jo een oogenblik den tuin in. Toen

hief hij zich op zijn elleboog op en keek zijn moeder aan, om op haar

gezicht eenige opheldering van de zaak te lezen. Maar ’t gezicht van

Mevrouw Holmer leverde voor haar jeugdig zoontje op dat oogenblik al

een even groot raadsel op als al het overige. Hij had er nooit zoo’n

zonderlinge uitdrukking op gezien. Ze keek volstrekt niet verdrietig,

en toch stonden er tranen in haar oogen. ’t Was wonderlijk, heel

wonderlijk! Voor kleinen Jo was de zaak in elk geval een

ondoorgrondelijk raadsel.

„Wat mankeeren ze toch allemaal?” mompelde hij zacht in zichzelf. Toen

keek hij naar zijn vader en zijn oom, die, hoewel ze allebei

glimlachten, toch ook op een eenigszins zonderlinge manier elkaar

stonden aan te kijken.

Jo raakte een beetje uit zijn humeur door al dat raadselachtige om hem

heen.

„Oom Johan,” zei hij eindelijk, op een toon van verwijt, „dat is nu

toch geen goede manier om een jongen van z’n hoofdpijn af te helpen,

als al de menschen om hem heen een gezicht zetten, alsof iemand hun een

massa raadseltjes heeft opgegeven, waar ze ’t antwoord niet van willen

vertellen.”

Bij die beschuldiging begon de heer Holmer nog meer te lachen.

„Jij bent ’t zelf, kleine baas, die ’t raadsel hebt opgegeven, en

Menheer Russell is nu gaan probeeren of je zuster ’t antwoord er op zou

willen vertellen. Hij heeft ’t al eenige malen geprobeerd, geloof ik,

maar ik heb zoo’n idée dat jij hem een heeleboel hebt geholpen, om ’t

antwoord eindelijk te krijgen.”

„Welk antwoord, Oom?”

„Ja! Dat moet je Corrie zelf maar eens vragen, als ze terugkomt,” zei

Oom Johan. „Ik kan ’t alleen maar gissen, en ik denk dat ze je liever

’t ware van de zaak zelf zou vertellen, dan dat ik ’t bederf, door je

te zeggen wat ik er van denk.”

En toen, alsof ze ’t hadden afgesproken, stonden alle drie de groote

menschen tegelijk op, en gingen te zamen naar een andere kamer. Jo werd

alleen gelaten, om voor de raadsels, die zich voordeden, in stilte en

eenzaamheid een oplossing te vinden.

De kwestie, die al zijn huisgenooten tegelijkertijd bezighield, was

blijkbaar vrij gewichtig, want hij werd gedurende ruim een uur heelenal

aan zijn lot overgelaten, een verwaarloozing, waar in de laatste drie

maanden nooit van gehoord was geworden. Toch voelde Jo er zich niet

door gekrenkt; ’t kon hem volstrekt niet schelen, bij deze speciale

gelegenheid, hij had ’t veel te druk met ’t oplossen van zijn raadsel.

Om zijn gedachten een beetje te hulp te komen, maakte hij eindelijk van

een potlood en een vel papier gebruik, en schreef, met een vrij beverig

krabbelhandje:

„De narigeit begon zoo, ik zei dat ik zeker wist dat Cor en meneer

Russell ’t erg plesieriger vonden om samen bij me te zitten, en daar

begon de narigeit. Ik denk haas dat meneer Russell ’t alleen maar

plesierig vond, en dat Cor ’t maar dee omdat ze niet stout wou zijn, en

mama weet dat zeker, en die is blij omdat Cor zoo aardig is gewees. En

nou is meneer Russell bang dat hij niet mag blijve eete omdat Cor boos

is, en—”

„O!” luidde op eens zijn blijde uitroep, en hij liet het potlood

vallen, toen zich een schaduw vertoonde tusschen hem en het licht. Daar

stond Corrie zelf op den drempel.

„Hè, je kijkt nu in ’t geheel niet meer boos, gelukkig,” zei Jo, op een

toon vol voldoening, nadat hij haar eerst met de noodige opmerkzaamheid

had aangekeken. „Wil-je dit alsjeblieft nu eens lezen, Corrie, en me

vertellen of ik goed geraden heb?”

Zoo'n lastige jongen · 第 5 / 6 段