geweest, wel uitgevoerd, zeg? Laat me ’t eens hooren.”
Jo hief zijn oogen op van ’t kookboek.
„Ik dacht er over om poppetjes te maken van de gist, Cor, maar ik heb
’t niet gedaan.”
„Neen, hij heeft nu toch zoo goed opgepast als ’t maar wezen kan,” zei
de niets kwaads vermoedende Marian, en, terwijl ze den suikerpot weer
op tafel zette, voegde ze er bij:
„Ik heb u niet van al ’t zout beroofd, Juffrouw Corrie, maar ik wou
mijn pastei graag gauw klaar hebben, daarom heb ik voor ’t gemak hier
maar een beetje van genomen.”
„Een flink beetje,” dacht Corrie, met eenige verbazing, toen haar
scherpe blik de groote vermindering, die de inhoud van ’t zoutvat had
ondergaan, opmerkte. Genoeg zout om wel een vijftig wildpasteien te
kruiden was verdwenen. Enfin, ’t ging haar niet aan, en ze stond er dan
ook nauwlijks één oogenblik bij stil, toen zij, op haar beurt, een
theelepeltje zout over het meel sprenkelde, en eindelijk met het maken
van ’t flink gesuikerde brood begon. Toen alles in den oven was gezet,
wilde Jo de keuken uitgaan, maar Corrie zei:
„Hoor eens, Jo, ik zou nog een oogenblikje wachten als ik jou was,
anders weet-je nog niet half wat je weten moet voor ’t leven in je
bosschen. Ik ga nu wat koekjes maken voor bij de thee, en ’t is bepaald
noodig dat je ook weet hoe dat gebeuren moet, zeg.”
Jo, die al bij de deur was, keerde zich om en keek haar verwonderd aan.
„Waarom denk-je dat, Cor?”
„Waarom! Wel, omdat ik gezien heb in dat boek, dat in de laatste dagen
hier overal in huis lag te slingeren, dat de held, Jim Slapdash—”
„Cor!” klonk ’t op verontwaardigden toon, „je weet niet eens zijn naam.
’t Is Dashwood. Maar wat zou dat met hem? Hij bakte toch geen koekjes,
wel?”
„Ja zeker. In dat hoofdstuk, waar dat gevecht in voorkomt met de
inboorlingen, herinner-je je niet hoe Dashwood daar zijn bevenden
gevangene troost met een groote snee koek? En hoe zou hij op zoo’n
oogenblik aan koek zijn gekomen, als hij ’t niet had gebakken?”
Hoewel de schrijver van ’t boek omtrent dat punt ongelukkig het
stilzwijgen had bewaard, scheen Corrie’s redeneering toch afdoende
genoeg, om Jo te bewegen naar zijn plaats naast de keukentafel terug te
keeren. Weinig vermoedde hij aan welk een vuurproef hij zou worden
onderworpen.
„Hè, Cor, wat zal dat lekker worden!” riep hij, terwijl hij er naar
keek hoe eerst een opgestapeld bord vol glinsterende rozijnen in het
beslag werd gedaan, en daarna een flinke hoeveelheid gesuikerde
oranjeschillen. „Ik geloof niet dat Jim Dashwood zooveel rozijnen en
oranjeschillen in zijn koek zal hebben gedaan, zou ’t wel?”
„Neen, misschien niet. Mogelijk deed hij er alleen maar suiker in. Dat
’s waar, ’t is goed dat ik daar nog net aan denk. Door ’t praten met
jou zou ik bijna vergeten er suiker in te doen.”
Dit zeggende, keerde Corrie zich om, ging naar de aanrechtbank, en nam,
tot Jo’s grooten schrik, den pot op dien hij had verwisseld. Suiker in
’t brood, in plaats van zout, zou een heerlijke variatie zijn, daarvan
voelde hij zich overtuigd; maar zout, in plaats van suiker, in koekjes,
kon niet anders als afschuwelijk wezen.
„Cor,” begon hij haastig, „ik geloof niet dat er suiker in die koekjes
noodig is. Denk-je niet dat ze zóó zoet genoeg zullen zijn, met al die
rozijnen en gesuikerde oranjeschillen?”
Corrie lachte. „Wat, zonder suiker!” riep ze uit. „Stel je eens voor!
En oom Johan en jij, die allebei zooveel van zoetigheid houden! Neen,
hoor Jo, ik wil mijn reputatie omtrent zulke dingen niet bederven, door
de suiker te sparen, als ik iets lekkers voor jou of oom klaarmaak.”
En al pratende nam ze den pot op, en zoowat één half pond zout ging het
beslag in. Een klein beetje werd nog achter gehouden voor de geslagen
room. Maar Jo bleef niet wachten om naar ’t klaarmaken daarvan te
kijken. Hij had genoeg gehad, en meer dan genoeg, van de keuken en de
kook- en bakaangelegenheden, nu hij zag hoe zijn zuster, zonder aan
iets kwaads te denken, haar koekjes bedierf; en hij uitte een zucht,
half van verdriet, half van verlichting, toen John, de tuinman, aan de
deur verscheen, en, zijn pet aanrakende, vroeg of de jongeheer soms
lust had een ritje te maken in den ezelwagen, om hout te halen uit ’t
bosch.
„John,” begon Jo op eens, „ik wou je iets vragen.”
Jo zat op ’t bankje in den wagen, die door vriend langoor bedaard en
langzaam werd voortgetrokken. John, de tuinman, liep er naast, en hij
had zich al eens verwonderd afgevraagd wat den kleinen jongeheer toch
schelen zou, omdat hij zoo ongewoon stil was. Hij toonde dan ook
aanstonds zijn bereidwilligheid om naar de vraag van zijn kleinen
metgezel te luisteren.
„Is ’t iets over die konijnen, waarvan menheer zei dat je ze mee naar
huis mocht nemen, jongeheer?”
„Wel neen, John,” luidde ’t half ongeduldige antwoord. „Ik wou wel eens
weten, John, als je iets hadt gedaan met de bedoeling om een pretje er
van te maken, en een gedeelte er van liep heelemaal in de war, wat zou
je dan doen?”
„Wel, jongeheer, ik zou mijn best doen om den boel weer in orde te
krijgen.”
„Ja maar, als er nu niks meer aan te doen was, als je den boel niet
meer in orde kon krijgen, wat dan?”
Nu werd ’t vraagstuk John wat al te moeilijk, dus hij gaf ’t maar op.
IX.
ONTDEKKING.
’t Gebruik van de middagthee was in ’t rustige buitenhuis van den heer
Holmer evengoed een vaste gewoonte geworden, als ’t dit in groote
steden tegenwoordig in de meeste huishoudens geworden is. En aan zijn
beide jeugdige gasten beviel die gewoonte heel goed. Corrie was een
even groote liefhebster van thee, als de meesten van ons zich
tegenwoordig verbeelden ’t te zijn; en Jo had ontdekt dat zijn peetoom,
gedurende dat rustige middaguur, gewoonlijk in zijn meest opgewekte,
gezellige stemming verkeerde, en dan heel dikwijls ’t een of andere
prettige plannetje opperde, of iets aardigs te vertellen had. ’t
Gebeurde dan ook maar heel zelden dat Jo, tusschen half vijf en zessen,
zich niet in de zitkamer vertoonde. Maar op elken regel bestaan
uitzonderingen.
Dien dag van ’t broodmaken had Juffrouw Holmer voor haar oom en
zichzelf al een paar kopjes thee geschonken, en de heer Holmer was op
onrustige manier al van den eenen stoel op den anderen gaan zitten,
vóórdat vriend Jo voor den dag kwam. En hij zou zelfs toen niet gekomen
zijn, als zijn oom hem geen boodschap gezonden had, om te vragen waar
hij toch bleef. Met de benijdenswaardige vergeetachtigheid, aan zijn
leeftijd en zijn karakter eigen, had Jo al zijn zorgen en verdriet
betreffende de gezouten lekkernijen totaal vergeten, weinige minuten
nadat zijn geheimzinnige poging om den ouden tuinman om raad te vragen
op niets was uitgeloopen. ’t Mennen van een ezel, ’t helpen met het
opladen van hout, en daarna ’t naar huis rijden en ’t weer afladen van
den wagen, dat waren nieuwe en heerlijke bezigheden, die weldra alle
onaangename tobberijen van vriend Jo op de vlucht joegen. Zelfs aan ’t
koffiemaal herinnerde hij zich niet wat hij dien morgen had gedaan, en
de gevolgen daarvan, want zijn oom gaf hem, toen hij naar binnen kwam
loopen, permissie zoo gauw mogelijk voort te maken, en dan weer naar
buiten te gaan om John te helpen met ’t opladen van een vrachtje
brandhout, dat aan een arme, oude vrouw moest worden gebracht, die een
eind buiten ’t dorp woonde. Jo had geen tijd gehad om aan iets anders
te denken als aan ’t prettige werkje dat hem wachtte.
„Ziezoo, jongeheer,” zei John, toen ze tegen ’t donker eindelijk
terugkeerden. „Je hebt me vandaag uitstekend geholpen, dat moet ik
zeggen. Ik hoop dat de thee goed zal smaken.”
„Eten en drinken smaakt me altijd goed,” luidde ’t rondborstige
antwoord. „Maar wat je me van middag hebt laten doen, vond ik toch nog
veel prettiger. Toe, bedenk tegen morgen weer eens zoo iets. Dag,
John!”
En toen rende Jo het huis in, waar Corrie hem beetpakte en hem met
opgetrokken wenkbrauwen aanstaarde. „Maar, jongen, wat zie-je er uit!”
riep ze.
„Dat wil ik wel gelooven, Cor,” luidde ’t antwoord, „je hadt ook eens
moeten zien wat ik gedaan heb. ’t Was heerlijk! Ik zal aan John vragen
of jij morgen ook eens mee mag helpen met hout laden; hij is erg
goedhartig, dus ik denk wel dat hij ’t zal willen hebben, al zegt hij
ook wel eens dat hij ’t gescharrel van vrouwen om hem heen maar lastig
vindt.”
„Zoo, zegt John dat?” zei Corrie lachend. „Nu, denk er om, kereltje,
dat jij van ’t gescharrel van één vrouw om je heen veel last zou
krijgen, als je niet zoo gauw als je kunt naar boven gaat om je flink
op te knappen, vóórdat oom je in ’t oog krijgt. Ik heb andere kleeren
voor je klaargelegd, en een schoone kraag. Allo, vlug, kleine baas!”
Een kwartier later, toen Jo de trap afkwam, deed ’t zien van een
schotel kleine, lichtbruine, smakelijk uitziende koekjes, waarmee Jane,
de meid, op weg was naar de zitkamer, hem zóó hevig ontstellen, dat hij
plotseling stilstond en, na een paar seconden, weer terugrende naar
zijn eigen kamer, waar hij bleef totdat Jane hem, uit naam van den heer
Holmer, kwam roepen.
„En ik zou me maar wat haasten, Jo, als ik jou was,” voegde ’t
goedhartige meisje er bij, „want die koekjes van juffrouw Corrie zien
er uit, neen maar—”
„Afschuwelijk!” schreeuwde Jo, terwijl hij Jane met zóó’n vaart voorbij
stoof, dat ze er werkelijk van schrikte.
De heer Holmer keek zijn jeugdigen gast aan toen deze binnenkwam; en de
ernstige uitdrukking van zijn gezicht en de ongewoon langzame, bedaarde
manier waarop hij naderde, wekten bij zijn oom eenige ongerustheid op.
„Zeg eens, baasje, wat scheelt er aan?” zei hij. „Ik heb gehoord dat je
vandaag den heelen dag zoo prachtig hebt opgepast, dat ik daar juist
een brief aan je mama heb geschreven om te vragen of je tot na
Donderdag mag blijven, zoodat je ’t schoolfeest nog kan bijwonen. Maar
als je ziek gaat worden, of verdrietig, zie-je, dan pak ik je zoo gauw
mogelijk in en ik zend je weg.”
Jo naderde de theetafel, terwijl hij een haastigen blik wierp, eerst op
de schaal met koekjes, en daarna op ’t schoteltje van zijn oom. „Ik ga
niet ziek worden, Oom, ten minste dat geloof ik niet, en ik ben niet
bepaald verdrietig, maar ik heb iets heel ernstigs in mijn hoofd om
over te denken, en John kon me niet helpen, zei hij. Ik wou dat hij ’t
gedaan had.”
De heer Holmer lachte. „Zoo, tot welk soort van kattekwaad heb-je John
willen overhalen, vertel me dat eens?”
„O! ’t was niet John die ’t doen moest,” zei Jo snel. „Ik vroeg alleen
maar hoe hij over iets dacht, en hij zei dat hij geloofde dat hij er
niks geen licht in kon zien, en ik kon ’t ook niet.”
„Zou ik ’t misschien kunnen?” vroeg de heer Holmer, zonder recht te
weten of hij zou lachen of ernstig kijken. Zijn neefje keek in elk
geval ernstig genoeg, terwijl hij antwoordde:
„Ja—o—ik denk dat u ’t wel zou kunnen. Maar u zou dan, denk ik, alles
er van willen weten, ziet u; en ik had gedacht dat John me zonder dat
wel een beetje had kunnen helpen.”
„Och, jou dwaze kleine Jo,” viel Corrie lachend in, toen ’t
raadselachtige gesprek zoover was gevorderd. „Wat voor wonderlijke,
gewichtige dingen heb-je toch in je hoofd? Zou je, voordat je verder
gaat, mijn koekjes niet eens proeven? Oom heeft bedankt, en nu wou ik
graag eens weten hoe ze jou smaken.”
Al pratende trok ze hem mee naar een stoel, dicht bij ’t vuur, want hij
was zoo lang boven in de kou gebleven, dat hij er bepaald verkleumd
uitzag. Maar hij openbaarde niet veel neiging om de bewuste koekjes te
proeven, en de heer Holmer legde zijn boek neer, en begon zich extra
veel moeite te geven om zijn neefje weer vroolijk te doen kijken.
Eindelijk slaagde hij daarin, maar nog altijd bleef een half afgebeten
koekje onaangeroerd op Jo’s schoteltje liggen. De heer Holmer begreep
er niets van, en Corrie vond ’t ook vreemd, al was ’t waar dat er op
haar schoteltje ook een klein bruin voorwerp lag, waar ze niet naar
omkeek.
Verscheiden malen staarde ze haar broertje met wijdgeopende oogen aan,
terwijl deze naar de vertelsels van zijn oom luisterde, en dan wierp ze
weer een blik op de schaal met koekjes; maar telkens schudde ze
ontkennend ’t hoofd, in antwoord op haar eigen gedachten. ’t Was totaal
onmogelijk, dat hij ze kon hebben aangeraakt. Hij was bijna voortdurend
in ’t kookboek verdiept geweest, terwijl zij ze klaarmaakte, en ze was
geen minuut uit de keuken geweest, van ’t oogenblik af dat zij er mee
begon, totdat ze uit den oven waren gehaald.
„Oom,” begon ze eindelijk, op bedrukten toon, „als ik weer eens iets
voor u klaarmaak, mag ik dan versche boter gebruiken?”
„Ja zeker, kind-lief,” zei de heer Holmer, op de afgetrokken manier,
die bij hem gewoonte was als hij over andere dingen dacht. Op dat
oogenblik voelde hij zich niet gerust omtrent zijn neefje. Zijn
schoonzuster had hem dringend verzocht op te passen dat de jongen niet
ziek werd; en toch, ondanks alle goede zorgen, was de oom bang dat zijn
kleine gast op de een of andere manier van streek was geraakt. Hij
wendde zich weer van Corrie af, en zei:
„Jo, mijn jongen, je vordert niet met je koekjes. Hoe komt dat zoo? Wat
heeft Corrie er mee uitgevoerd?”
„O!—’t is—’t is niet bepaald de schuld van Corrie,” stamelde Jo,
terwijl hij moedig de versmade snoeperij oppakte en zich gereedmaakte
er in te happen.
Maar juffrouw Holmer nam ’t hem uit de hand en zei haastig:
„Neen, oom, ’t is mijn schuld niet, maar hij kan ze bepaald niet eten.
Ze zijn zoo zout als iets. ’t Komt alleen omdat er vatboter voor
gebruikt zal zijn; dat is goed voor vleeschgerechten, en zulke dingen,
maar voor taarten en andere zoetigheden is ’t afschuwelijk. Die heele
verzameling koekjes is er door bedorven.”
Corrie keek erg verdrietig en ontstemd, gedeeltelijk omdat ze wist dat
haar moeder haar zou hebben gezegd dat ze de boter had moeten proeven,
vóórdat ze die gebruikte, als ze eenigszins aan de kwaliteit twijfelde.
De heer Holmer was ontstemd omdat zijn nichtje ’t was, en omdat Jo ’t
zonder de beloofde lekkernijen moest stellen.
Toen Corrie had uitgesproken, stond hij haastig op en zei:
„Kind-lief, je vertelt me bepaald iets nieuws. Ik had er volstrekt geen
idée van, dat Marian ooit kocht wat jij vatboter noemt, en ik ben in de
hoogste mate verbaasd dat ze je iets anders als de beste materialen
geeft, als je zoo vriendelijk bent iets te willen klaarmaken. Ik zal—”
„Bellen en er haar naar vragen,” wilde de heer Holmer zeggen, maar Jo
viel haastig in:
„En Corrie heeft ook ’t beste van alles gehad, Oom, om in die koekjes
te doen. Geconfijte oranjeschillen, u weet niet hoe lekker ze er uit
zagen; en die smaken zelfs zout, dat weet ik, want ik heb er een stukje
uitgehaald om te probeeren. Maar al heb-je nu ook alles van de beste
soort, dan kan zout toch niet als suiker smaken, en, ziet u, ik heb—”
Maar hier werd aan Jo’s mededeelingen een plotseling einde gemaakt door
’t binnentreden van Jane, die aan den heer des huizes meedeelde dat in
de ontvangkamer een vreemde bezoeker op hem wachtte; en op het
meegegeven kaartje las de heer Holmer den naam van een kennis van hem,
een vrij gewichtig en voornaam man, zoodat de behandelde
keuken-aangelegenheden totaal vergeten werden, en de heer Holmer zich,
gedurende een oogenblik, uitsluitend met de vraag bezighield, of het
menu van dien middag geschikt zou zijn om Dr. Barton, die nogal een
fijnproever was, zonder bezwaar aan tafel te ontvangen. Na zijn gast
even te hebben verwelkomd, liet hij dezen weldra aan de zorg van Corrie
over, en ging naar beneden om wijn uit te zetten, en tevens met Marian
de kwestie van ’t middagmaal eens te bepraten. Haar meening was
gelukkig zeer bemoedigend.
„We hebben van middag ook nog die wildpastei, mijnheer. En natuurlijk,
ze kan tegenvallen, maar dat ze er prachtig uitziet, is zeker. En dan
hebben we den geslagen room van Juffrouw Corrie, ziet u, en die kleine
geraspte broodjes, die altijd heel goed staan op een tafel, niet waar,
en—”
„En die vandaag puik-puik lekker zullen zijn, dat weet ik zeker,” viel
Jo in, die ook het deftige gezelschap in de ontvangkamer was ontvlucht,
en die er nu weer heel opgewekt uitzag. Al waren de koekjes dan ook
bedorven geworden, hiervan voelde Jo zich in elk geval zeker, dat de
broodjes heel lekker zouden smaken.
„Kostelijk!” dacht hij in stilte, toen hij zijn plaats aan tafel innam,
en met een blik vol welgevallen naar de schaal met kleine, bruine
broodjes keek.
Maar de glimlach op Jo’s gezicht zou, helaas, al heel spoedig worden
verjaagd. De soep werd gediend, een smakelijke, krachtige soep, die
Marian alle eer aandeed. Dr. Barton proefde er van, en blijkbaar voelde
hij zich zeer voldaan. Toen nam hij een stuk van zijn broodje, maar
bijna op ’t zelfde oogenblik riep hij, op scherpen toon:
„Een stuk gewoon brood, alsjeblieft.”
De woorden waren nauwelijks gesproken of hij bedacht zich, en wendde
zich lachend en met een verontschuldigend gebaar tot zijn gastheer.
„Neem me toch niet kwalijk, Holmer! Je maakt dat ik me hier zoo thuis
voel, dat ik waarlijk een oogenblik vergat dat ik niet aan mijn gewone
tafel zit in Oxford.”
Natuurlijk nam de heer Holmer de verontschuldiging dadelijk aan, maar
juffrouw Holmer keek heel bevreemd op, en dat deed Jo van zijn kant
ook. Die jongeheer waagde zelfs zijn gevoelens half fluisterend te
uiten:
„Stel je voor, dat iemand méér van gewoon brood houdt dan van die
lekkere dingen!”
Dr. Barton verstond die woorden van zijn jeugdigen overbuurman en
lachte.
„Ja, vriendje, ik kan me voorstellen dat je je over mijn smaak
verwondert. Op jou leeftijd hield ik ook meer van gesuikerde broodjes
dan van gewoon brood.”
De heer Holmer keek zijn vriend eenigszins verwonderd aan. Hij had zelf
de broodjes nog niet geproefd. Corrie brak nu een stukje af van het
hare, terwijl een lichte blos van ergernis haar naar ’t hoofd steeg,
omdat de voorname gast ze zoo versmaadde.
Een gedempte uitroep ontsnapte haar, terwijl zij ’t stukje brood in den
mond stak, en snel wierp ze een blik op haar broer.
„O, Jo, nu weet ik ’t wel zeker dat jij er mee bezig bent geweest, en
met die koekjes ook.”
„Nu, dit is ten minste iets goeds geweest, dat kan je toch niet anders
zeggen,” fluisterde Jo, op triomfantelijken toon, terug.
Maar ’t was er nu de tijd niet voor om hem te antwoorden. Dr. Barton
had zich weer tot Corrie gewend, en ze moest aan haar verplichtingen
als tijdelijke gastvrouw denken. Ze wierp een haastigen blik naar de
plaats waar haar oom zat, en merkte, tot haar groot genoegen, dat hij
te zeer verdiept was in ’t gesprek, om er iets van te zien hoe ook zijn
broodje voor gewoon brood werd verruild, op een teeken dat ze aan Jane
had gegeven. Ze troostte zich dus met de gedachte, dat Jo’s bemoeizieke
vingertjes bij slot van rekening toch nog niet zoo’n heel groot kwaad
hadden aangericht. Maar hoe hij kans had gezien zich met de dingen te
bemoeien, was haar bepaald een raadsel, want ’t was haar door ’t hoofd
gegaan dat ze door haar oom even was weggeroepen.
Met groote voldoening en veel smaak at Jo zijn heele broodje op. Toen
kwam de wildpastei aan de beurt.
Wildpastei was een lievelingsgerecht van den heer Holmer, en Marian,
die dit wist, deed altijd haar uiterste best om dat speciale gerecht
geheel naar den eisch klaar te maken. Ook Dr. Barton was er zeer op
gesteld, en ’t was al meer dan eens gebeurd dat hij, onder ’t gastvrije
dak van zijn vriend, daarvan had genoten. Er vertoonde zich dan ook een
welbehagelijke glimlach op zijn gelaat toen de pastei op tafel
verscheen.
’t Gerecht werd gesneden, rondgediend, en men begon er van te eten, en
toen—legde Dr. Barton zijn mes en vork neer, terwijl zijn gezicht een
zonderlinge uitdrukking aannam. Corrie en haar oom staarden hem beiden
verschrikt aan.
„Barton, beste kerel, ben-je ziek?” riep de heer Holmer uit.
„Ziek! Neen,” antwoordde Dr. Barton, met een gedwongen lachje; „maar je
weet, Holmer, ik ben een man van den ouden stempel—behoudend in
alles—en dat zoet-gemaakte goed hier is—neem ’t een ouden vriend niet
kwalijk dat hij ’t ronduit zegt—totaal verknoeid.”
De heer Holmer staarde zijn vriend nog even in groote verbazing aan,
toen gebruikte hij haastig zelf wat van ’t gerecht, en zei:
„Probeer maar niet iets van dat afschuwelijke goed te eten, Barton. Hoe
hebben ze me zóó’n poets durven bakken!”
Hij sprong op, en zonder één woord te zeggen tegen Jane, die ’t
gezelschap bediende, stoof hij naar de bel. Maar iemand anders was hem
nog voor. Een klein, gebruind handje deed een greep naar zijn groote
hand, en een tamelijk benauwd stemmetje zei:
„Toe, wacht even, Oom. ’t Is alles mijn schuld. Daardoor is die
narigheid nu allemaal gekomen, van den room, en de pastei, en de
koekjes, en John zei dat hij me niet helpen kon, als de boel al
heelemaal in de war was. En ’t was heusch niet om u of Cor te plagen,
dat ik ’t zout en de suiker heb verruild—maar alleen om ’t brood lekker
te maken. En nu ga ik naar bed—en—en—” met een hoorbaren snik—„ik heb
’t u nu allemaal verteld—en ik zal morgen den heelen dag in bed
blijven, en nog langer, als u dat wil. Maar wees u alsjeblieft daarna
niet meer boos op me.”
X.
EEN ONGELUKKIG GEZEGDE.
„Zoolang ik leef, zal ik nooit, nooit meer in ’t bijzijn van kinderen
iets opperen, noch in ernst, noch in gekheid, dat ik ze niet graag zou
laten doen.”
Aldus sprak de heer Holmer, op zekeren dag, tot zijn schoonzuster en
haar man, en, te oordeelen naar de uitdrukking van zijn gezicht op dat
oogenblik, meende hij ’t geen hij zeide heel ernstig. Maar we zullen
beginnen met naar Jo terug te keeren, en naar den dag, volgende op ’t
feest van de verongelukte pastei.
Het ontbijt was afgeloopen. Jo had het laatste stukje van zijn
gesuikerd brood opgegeten, in alle stilte in zichzelf denkende dat zijn
aandeel in de kook-aangelegenheden toch, bij slot van rekening, bepaald
een verbetering zou zijn geweest van de gewone manier; maar daarna
hadden Marian en Corrie de zaak eigenlijk bedorven. Hij stond nu door
’t raam van de eetkamer naar buiten te staren, met zijn hoofd op zij,
op een manier, die, zooals zijn zuster wel wist, voor de toekomstige
rust en vrede in huis nooit heel veel goeds deed verwachten.
„Wat voor stoutigheid ben-je nu weer aan ’t bedenken, kleine baas,” zei
ze, terwijl ze achter hem ging staan en zijn hoofd recht trok.
Jo draaide zich om.
„Cor,” zei hij, ernstig, en op een toon vol verwijt; „weet je dan niet
dat mijn stoutheden dingen zijn die altijd in eens opkomen? Ik denk er
nooit van te voren over. Gelukkig niet. Als je ziet dat ik over iets
sta te denken, dan is ’t altijd dat ik bezig ben iets goeds of iets
prettigs te verzinnen, maar nooit iets stouts. Begrijp-je dat nu nog
niet, Corrie?”
„Nu—j—a,” zei Corrie, eenigszins aarzelend. „Ik geloof wel, Jo, dat je
er meer over denkt iets goeds of aardigs te doen dan iets stouts. Maar,
zie-je, je ondernemingen vallen meestal zoo ongelukkig uit, dat—”
„O!” viel Jo bedaard in, „dat komt alleen, zooals papa altijd van de
dingen uit de geschiedenis zegt, door de macht van de omstandigheden.
En je kunt van mij toch niet verwachten dat ik daar veel aan doen kan,
Cor.”
Corrie barstte in zoo’n hartelijk gelach uit, bij ’t hooren van dat
antwoord, dat haar jeugdige broer op ’t punt stond ernstig boos te
worden. Maar ze bedwong zich en zei:
„Kom, kom, kereltje, wees nu maar niet boos omdat ik zoo lach. Je weet
wel dat ’t heel gezond is voor een mensch, nu en dan eens hartelijk te
lachen, dus je moest blij zijn dat je ’t mij hebt laten doen. En nu zal
ik weer heel ernstig zijn, dat beloof ik je, terwijl je me vertelt welk
plan je bezig was te verzinnen.”
Jo staarde met een eenigszins onzekere uitdrukking voor zich heen. Hij
voelde zich in zijn waardigheid gekwetst, maar toch vond hij ’t
verschrikkelijk vervelend, en lastig ook, om op Corrie boos te blijven.
„Ik zou zeggen dat je volstrekt geen reden hebt om me uit te lachen,
Corrie, en—”, dit werd er met een heel ernstig gezicht bijgevoegd, „ik
vind dat ’t voor papa ook niet prettig is, dat je zoo lacht om iets wat
hij gezegd heeft. Als je me zoo blijft plagen, dan kan ik niks meer
verzinnen, en ik was juist zoo aan ’t bedenken van iets waar ik oom
eens pleizier mee zou kunnen doen, omdat hij gisteren niet erg boos is
geweest om die pastei en dat allemaal.”