Corrie nam ’t bekrabbelde papier aan en las, heel langzaam en met

eenige moeite, wat hij geschreven had, en toen Jo daarna nog eens met

aandrang zei: „Nou, Corrie?” toen liet ze zich op haar knieën vallen

naast de canapé, en sloeg haar armen om den hals van haar broertje.

„Had ik gelijk, Cor?” vroeg Jo nog eens.

„Niet heelemaal, lieveling,” fluisterde ze hem in, terwijl ze haar

hoofd op zijn schouder verborg.

„Hé!” zei Jo, op een toon van groote teleurstelling, en toen voegde hij

er, met een zweem van onrust, bij: „Maar je bent toch in ’t geheel niet

meer boos op me, hé, Cor?”

Met een nog warmer omhelzing dan te voren, en een hartelijken kus, werd

die vraag in ’t eerst beantwoord, en toen volgde er: „Neen, in ’t

geheel niet, mijn lieve Jo, heusch, in ’t geheel niet. Ik ben

daarstraks óók niet boos, echt boos op je geweest, ik vond ’t

alleen—maar—niet prettig. Want, zie je, beste Jo, je was toch heusch

wel een vreeselijk lastige jongen, om zulke dingen zoo maar te zeggen.”

Jo trok zijn gezicht een eind terug, om zijn zuster met een heel

ernstigen, onderzoekenden blik te kunnen aanzien.

„Maar je weet toch wel, Cor, toen ik dat allemaal zei, dat ik toen

heusch dacht dat ’t waar was.”

„En dat was ’t ook, lieveling. Je hadt gelijk.”

„O, dat doet me plezier!” zei Jo. En toen legde hij gelaten zijn hoofd

weer op ’t canapékussen en viel in slaap. Allerlei merkwaardige

oplossingen van de „narigeit” kwamen hem in zijn droomen voor den

geest, maar met de ware oplossing hadden ze geen van alle iets te

maken. Cor was zijn Cor; en de mogelijkheid kwam niet in hem op, dat

iemand ’t zou durven wagen hem van zijn eigendom te berooven.

XIII.

EEN BRUILOFT.

„Dr. Walter, hoe lang zal ’t, denkt u, nog duren eer ik zal kunnen

dansen?”

Jo deed die vraag heel bedaard, en met ’t ernstigste gezicht van de

wereld, maar de dokter keek zijn jeugdigen patiënt verwonderd aan, en

hij begon hartelijk te lachen.

„Dansen op je hoofd bedoel-je zeker, jou kleine grappemaker! Nu, ik zou

’t voorloopig maar liever niet probeeren, zeg. Wou-je ’t zoo graag?”

Jo schudde zijn hoofd, en hij antwoordde, heel ernstig:

„Neen, Dr. Walter, zoo iets bedoel ik volstrekt niet. Ik bedoel echt,

wezenlijk dansen. Zou u me alsjeblieft eens willen zeggen, wanneer ik

dat weer zou kunnen doen?”

Nu de vraag zóó ernstig gedaan werd, hield Dr. Walter op met lachen, en

hij zei:

„Ik geloof niet dat je been vóór den herfst veel inspanning zal kunnen

verdragen, maar ik hoop dat je tegen Kerstmis weer zult kunnen dansen,

zoo vroolijk als iemand. Houd-je zooveel van dansen?”

„O, neen!” zei Jo, en hij trok een heel leelijk gezicht. ’t Was een

feit, dat hij een afschuw had van dansen, en van kleine meisjes, die

hem een arm moesten geven, en van ’t aantrekken van handschoenen, en

van al wat er verder bij behoorde.

De dokter keek hem verwonderd aan.

„Maar waarom wil-je dat dan zoo graag weten, kleine man?”

„O, om een heel gewichtige reden,” luidde ’t zeer plechtige en bedaarde

antwoord, „maar, ziet u, Corrie heeft misschien liever niet dat ik ’t

vertel. Maar ik bedank u wel, dat u gezegd heeft dat ’t niet vóór

Kerstmis zal zijn. U zal toch immers later niet iets anders gaan

zeggen, hé?”

„Neen, als jij ten minste je been niet nóg eens breekt, om me van

gedachte te doen veranderen,” zei Dr. Walter, glimlachend, terwijl hij

zijn hoed opnam en heenging, naar andere patiënten, die misschien

minder amusant waren, maar die zich ook minder geneigd voelden

raadselachtige vragen te doen.

Weinige uren later lag Jo weer op zijn gemakkelijk plaatsje op de

canapé, voor het groote open raam, met dezelfde menschen om hem heen,

die hij, ongeveer een week te voren, door zijn opmerkingen zoo in de

war had gebracht. ’t Bewuste raadsel was al eenige dagen geleden

opgelost geworden, en, al was hij met die oplossing volstrekt niet

ingenomen geweest, aan duidelijkheid liet ze niets te wenschen over. De

heer Russell had zelf aan zijn toekomstig zwagertje verteld, dat hij

nog veel meer van Cor hield dan zelfs Jo ’t deed, en dat Corrie hem nu

beloofd had in ’t vervolg voor hem te zullen zorgen, in plaats van voor

haar broertje.

„Dan hoop ik,” zei Jo ernstig, „dat u er voor zal oppassen dat u haar

niet te veel last geeft, want zelfs een klein beetje kan ze niet goed

verdragen. ’t Zorgen voor mij was nu toch niet erg, en dáár werd ze

zelfs wel eens moe van, geloof ik.”

Maar die opmerking had hij al een dag of wat geleden gemaakt, en ’t was

ook al een dag of wat geleden, dat Jo, in de armen van mama, in de

armen van Corrie, en daarna in ’t donker, ’s avonds in zijn bedje, zijn

eerste bittere tranen had geschreid, om ’t vooruitzicht dat „die goede

Cor” het huis uit zou gaan.

„Kom, kom, beste jongen,” zei Marian, de keukenmeid, op een ochtend, op

medelijdenden toon, toen ze, boven komende, zijn bedrukt gezicht zag,

„ik zou ’t me maar niet te veel aantrekken, als ik jou was. Wie weet of

je later niet eens een aardige, lieve juffrouw Corrie van je zelf zult

hebben.”

Maar Jo keek haar aan met een verontwaardigden blik. „Zoo, denk-je dat,

Marian? Nu, dan heb-je ’t heelemaal mis, hoor! Want ik heb een hekel

aan meisjes!! Ik wou dat ze niet bestonden.”

„Maar, Jo, juffrouw Corrie is toch ook een meisje, of ten minste een

jonge dame,” waagde Marian hier tegen in te brengen.

„Cor is Cor,” zei Jo kortaf, en toen keerde hij zijn gezicht naar den

muur, en legde zijn hoofd weer op het kussen, vast besloten tegen

niemand een woord meer te zeggen, misschien wel zoolang als hij leefde,

maar in elk geval niet gedurende ’t eerstvolgende halfuur. En in zoover

hield hij zich aan zijn besluit, want hij sliep langer dan dat.

Maar al die dingen behoorden, zooals we gezegd hebben, al tot ’t

verledene, toen de heele familie en de heer Russell op dien bewusten

morgen bij elkaar voor het open raam van de ontbijtkamer zaten, en Jo

zich langzamerhand met den nieuwen staat van zaken eenigszins verzoend

begon te voelen.

„In elk geval,” zei hij, van de pauze in ’t algemeene gesprek gebruik

makende, en nadat hij een poos in gedachten verdiept had gezeten—„in

elk geval zal u nog een heel poosje moeten wachten, menheer Russell,

eer u haar kan meenemen.”

Jo sprak met een kalmte en beslistheid, die geen van de toehoorders kon

verklaren. Corrie boog zich over hem heen, en fluisterde:

„Wat bedoel-je daarmee, beste Jo?”

Hij richtte zich overeind, en zei hardop: „Wel, natuurlijk moet hij

wachten. Je herinnert je toch wel, Corrie, die aardige kindermeid,

Anne, die vroeger bij ons was? Nou, die zei dat ’t geen geluk

voorspelde, als er iemand trouwde, en er werd niet op de bruiloft

gedanst. En ik zal vóór Kerstmis niet kunnen dansen, dat heeft Dr.

Walter gezegd. Ik vroeg ’t hem. Dus zoo is ’t nou, begrijp-je.”

Natuurlijk zal niemand verwonderd zijn te hooren dat iedereen ’t

begreep, en ’t werd dan ook tusschen Corrie Holmer en haar aanstaanden

man afgesproken, dat er aan geen trouwen zou gedacht worden, vóórdat

kleine Jo tot dansen althans in staat zou zijn, ’t zij hij van plan was

’t te doen of niet.

En toen ’t tegen Kerstmis liep, was Jo weer zoo gezond en flink

geworden, dat er besloten werd hem na de vacantie naar een geschikte

kostschool te zenden, die zich heel dicht bij Corrie’s nieuwe

woonplaats bevond. Dit laatste droeg er veel toe bij om Jo met de

nieuwe plannen te verzoenen; en toen Corrie in de eerste dagen van

Januari met den heer Russell trouwde, troostte haar broertje zich, bij

’t afscheid nemen, met de gedachte, dat hij haar spoedig zou weerzien.

En nu hij zoo groot en zoo deftig werd, zou die goede Cor hem niet meer

telkens „zoo’n lastige jongen” noemen, veronderstelde hij.

’t Is voor Corrie’s rust te hopen, dat hij ’t er naar gemaakt heeft!

Zoo'n lastige jongen · 第 6 / 6 段