besten persoon, tot wien Jo Holmer ’t verzoek richtte zijn zuster te
gaan helpen. En als de eigenaar van die stem zei „In orde,” dan meende
hij dat ook, en dan nam hij in den regel de meest vlugge en practische
maatregelen, om datgene, wat ’t ook was, waar zijn hulp bij gevraagd
werd, in orde te krijgen.
Jo zou onmogelijk een betere keus met zijn verzoek hebben kunnen doen,
al had hij uit een paar duizend menschen te kiezen gehad. En toch is ’t
óók waar, dat, als Juffrouw Corrie de zaak in handen had gehad, ze
stellig en zeker nog liever tweemaal zoo nat en koud zou zijn geweest
als ze nu was, dan te moeten ondervinden dat die onverwachts opgeroepen
vreemdeling haar te hulp kwam, terwijl ze daar op ’t met water
overstroomde achtererf stond, met slappe, druipnatte kleeren, bleek van
de kou, en met in den wind fladderende haren.
Nog altijd stond Corrie gebukt over de gebroken pijp, met de palm van
haar hand zoo stevig op de opening gedrukt als de verkleumdheid er van
’t toeliet, toen op eens een stem, vlak bij haar, op een toon van
oprecht medelijden, zei:
„U mag daar niet zoo blijven staan in dat ijskoude water, en in dien
scherpen wind.”
Ze had héél bleek gezien toen de spreker haar voor het eerst in ’t oog
kreeg, maar ’t gaf hem een gevoel van verlichting, toen hij den
frisschen blos zag die haar gelaat overtoog, nu ze haar verbaasden blik
tot hem ophief, en in haar verwarring haar hand van de gebroken pijp
terugtrok.
’t Was een vreemde die naast haar stond, een jonge man, met een flink,
prettig gezicht, die er bovendien keurig uitzag, wat zijn kleeding
betrof, zooals juffrouw Corrie, zelfs bij dien eersten, verschrikten
blik opmerkte. Vol medelijden met haar verlegenheid en verbazing,
haastte de vreemdeling zich zijn verontschuldigingen te maken dat hij
zoo onverwachts te voorschijn was gekomen.
„Uw broertje—ik veronderstel ten minste dat ’t uw broertje was—zond me
hierheen om u te helpen.”
„O!” zei Corrie, en onwillekeurig voegde ze er bij, „’t is ook zoo’n
lastige jongen altijd!”
De vreemdeling kon niet laten even te lachen.
„Toch niet, hoop ik, omdat hij zoo goed is geweest mij gelegenheid te
geven u te helpen?” vroeg hij, terwijl hij nu, op zijn beurt, naar het
bewuste schuurtje snelde, om naar een of ander geschikt gereedschap om
te zien.
Binnen vijf seconden keerde hij terug, met een voorwerp in de hand, dat
voor zijn doel even geschikt was als Jo den hamer voor zijn doel
geschikt had gevonden. En binnen nog weer vijf seconden had zijn
stevige hand, met behulp van een stevige nijptang, de gebroken pijp
voldoende dichtgeknepen om den verderen aanvoer van water tegen te
houden. Er druppelde nog maar een klein straaltje uit de twee hoeken,
toen de heer Holmer voor den dag kwam. Deze stond met zóó’n verbaasd
gezicht ’t heele tooneel aan te staren, alsof hij zich van klinkklare
verbazing tot spreken niet in staat voelde.
„Corrie,” riep hij eindelijk, „wat beteekent dit toch allemaal? Jij en
Jo zien er uit als een paar verdronken ratten, en waar komt hier al dat
water vandaan? En—en—waar is de kraan gebleven?”
„Ik weet ’t niet, Oom,” stamelde Corrie, terwijl ze zich omkeerde en
haar best deed haar druipnatte japon wat uit te slaan, en haar
verwaaide haren achter haar ooren te strijken.
De heer Holmer liet haar een oogenblik begaan, en hij wendde zich nu,
nog altijd in de grootste verbazing, tot den vreemdeling, met de vraag:
„En hoe kom jij, in ’s hemels naam, hier, Russell? Ik had er volstrekt
geen idée van dat je mijn nichtje kende.”
„Ik ook niet. Of ten minste”—dit werd er aarzelend en glimlachend bij
gevoegd—„ik had er geen idée van tot vóór drie minuten. Maar ongevallen
zijn prachtige dingen, geloof ik, om kennissen in eens in vrienden te
veranderen. En omdat dit hier nu ’t geval is, en juffrouw Holmer en ik
dus vrienden zijn geworden, een paar minuten nadat we elkaar voor ’t
eerst hebben gezien, mag ik nu van ’t recht van een vriend gebruik
maken en haar verzoeken onmiddellijk die natte schoenen en kleeren te
gaan uittrekken? Ze zijn werkelijk gevaarlijk, met zulk weer als dit.”
Terwijl hij sprak, keek hij niet Corrie aan, die rood zag van
verlegenheid, maar haar oom. En deze voegde zich dadelijk naar den raad
van den vreemdeling, en gaf zijn nichtje de welkome order onmiddellijk
naar binnen te gaan.
„Ik heb Jo naar bed gestuurd,” zei hij, „en ik geloof bepaald dat ’t
maar ’t best zou zijn aan jou dezelfde order te geven, Juffrouw
Corrie.”
„Ja, Oom,” mompelde Corrie, en ze begon, over ’t met water overstroomde
erf, den terugtocht te aanvaarden naar de deur, die wel tienmaal zoo
ver af leek als werkelijk ’t geval was. Ze had menigmaal tegen Jo
gezegd dat hij een lastige jongen was, maar nog nooit had ze de volle
beteekenis van dat gezegde zóó gevoeld als op dit oogenblik, terwijl ze
vergeefsche pogingen deed om zich met nog eenigen schijn van
waardigheid aan den blik van den vreemdeling te onttrekken. Sloep,
sloep, klits, klats ging ’t door het water, terwijl haar druipnatte
kleeren haar bijna ’t voortgaan beletten, en ze elk oogenblik gevaar
liep haar doorweekte schoenen te verliezen. De arme Corrie voelde zich
diep vernederd; ze was altijd uiterst keurig en precies omtrent
dergelijke dingen, en ’t besef dat de heldere oogen van dien vreemden
jongen man thans waarschijnlijk op haar rustten, maakte dat ze Jo’s
laatste staaltje van ondeugendheid hoe langer hoe erger begon te
vinden. Dat hij naar bed was gezonden, was een dubbel en dwars
verdiende straf, vond ze.
„Maar, juffrouw!” riep de tweede meid ontsteld uit, toen ze binnenkwam,
„u is net zoo doornat als Jo zelf! Marian is met hem naar boven, en ze
heeft een warme kruik meegenomen. En wat zal menheer wel zeggen,
juffrouw, als u met die druipnatte kleeren de trap opgaat? Neem me niet
kwalijk dat ik ’t zeg, juffrouw, maar menheer is zoo erg precies, ziet
u.”
„Ja, ja,” zei Corrie haastig, „ik weet ’t wel, ik zal hier maar binnen
gaan.” En daar ze haar oom en den heer Russell hoorde naderen, wipte ze
gauw ’t kleine zitkamertje van Marian binnen, naast de keuken, en, de
meid met zich meetrekkende, deed ze de deur dicht, totdat de heeren
veilig voorbij waren. Toen zond ze Sarah naar boven om een andere japon
voor haar te halen, en alles wat ze verder noodig had. Marian’s
kamertje werd tijdelijk in een kleedkamer veranderd; en een kwartier of
zoo later begaf Corrie zich opweg naar de ochtend-zitkamer, met een
ongewoon hooge kleur, gedeeltelijk veroorzaakt door de koude
buitenlucht, waar ze in was geweest, en gedeeltelijk doordat ze er
tegen opzag den vreemdeling weer te ontmoeten, dien Jo gezonden had om
haar te helpen, waar ze dezen alles behalve dankbaar voor was.
„Zeg eens, juffertje,” riep haar oom uit, toen ze de kamer binnentrad,
waar de twee heeren bij ’t vuur zaten te praten. „Zeg eens, is dat nu
gehoorzamen aan mijn orders? Maar, dat ’s waar ook, hier, Menheer
Russell, zei al, dat dat gedweeë „Ja, oom” van jou heel wat anders
beteekende als naar bed gaan.”
De jonge man sprong op, en terwijl hij zijn stoel achteruitschoof, riep
hij uit:
„O, juffrouw Holmer, neem me niet kwalijk, maar dat moet ik toch
beslist tegenspreken. Uw oom beweerde ’t, en toen zei ik alleen dat ik
’t óók dacht.”
De heer Holmer lachte.
„Nu ja, je hebt in elk geval toch toegestemd, dat jij haar ook
beschouwde als een echt exemplaar van ’t stijfhoofdig vrouwelijk
geslacht. De jongen, hoe ondeugend en lastig hij ook is, heeft zich
hierin veel beter gedragen, dat zie je, want die is ten minste naar bed
gegaan.”
„Ja, oom, dat ben ik ook,” liet een schelle jongensstem zich hooren, in
antwoord op die verklaring; en niet alleen de heer Holmer, maar ook
juffrouw Holmer en de heer Russell keken hoogst verbaasd om zich heen
bij dat geluid.
Vóórdat ze een van allen iets konden zeggen, ging de deur weer open, en
Marian, de keukenmeid, stak haar hoofd naar binnen, met den onrustigen,
zenuwachtigen uitroep: „Och, menheer, juffrouw, nou is hij weer weg!”
„Dat zou ik ook zeggen, Marian,” antwoordde de heer Holmer. „Maar hoe
is ’t mogelijk dat je ’m hebt laten wegloopen?”
„Ja, ziet u, menheer, hij was zoo huiverig, en toen dacht ik, ’t zou
maar goed zijn als ik de kachel aanmaakte; en toen, ik was nog geen
minuut weg om ’t hout en de kolen te halen, daar is hij me weggeloopen,
niemand weet waar naar toe.”
„O, ja, ze weten ’t al, Marian,” liet de schelle jongensstem zich weer
hooren. „Oom zei dat ik naar bed moest, maar hij zei niet wáár, en
daarom ben ik maar naar bed gegaan hier onder de tafel. Ik lig hier
heel gemakkelijk en lekker, en ’t bespaart jou een heeleboel moeite,
zie je.”
Marian bukte zich om onder de tafel te kijken, en toen nam ze haastig,
onder den gesmoorden uitroep: „Och, och, hoe komt zoo’n jongen er bij!”
den terugtocht aan, om buiten in de gang in lachen uit te barsten.
Intusschen hadden de heer Holmer en de anderen zich ook gebukt en onder
de tafel gekeken, en allen uitten hun opmerkingen naar gelang van hun
speciale gevoelens omtrent de zaak.
„Heel gemakkelijk, dat is zeker,” merkte de heer Russell droogjes aan.
„Maar, Jo! Jou ondeugende jongen! Hoe durf je?” stamelde Corrie, die
zich door de vermetelheid van haar broertje heelenal uit ’t veld
geslagen voelde. Hoe ’t hem mogelijk was ergens op zijn gemak te zijn,
met de gedachte aan die gebroken pijp op het achtererf, ze kon er zich
geen denkbeeld van maken. Maar dan nu hier, in een deken gerold, op
zijn gemak te liggen onder de tafel van de zitkamer! Neen, tot zoo iets
onbeschaamds had Corrie zelfs Jo niet in staat gerekend.
„Kom er eens uit, vriendje,” zei de heer Holmer, met een vertoon van
gestrengheid, dat niet veel beteekende. „Was je niet bang voor straf,
na al wat er gebeurd is, dat je zoo maar dadelijk weer een van je
onbeschaamde streken gaat uithalen, zeg? Vertel me dat eens.”
Jo hief zich op zijn elleboog op en keek van uit zijn schuilplaats naar
boven.
„Neen, oom; ik was niet bang meer voor u, na dat bemorste tafellaken
van van ochtend, en die zes potten bessengelei. En, weet u, toen Sarah
daar net tegen Marian zei: „Och, och! wat zal menheer toch boos zijn!”
toen zei Marian: „Nou ja, hij kan den jongen in elk geval toch niet
opeten, dus zoo’n vrééselijk gezicht hoef je niet te zetten.” En toen
dacht ik, u zal me ook wel niet opeten, ook al ging ik niet heusch naar
bed. Ziet u, zoo vóór ’t eten, en vóórdat ik de konijnen en ’t varken
eten gegeven heb, en al die prettige dingen meer, dat zou ik zoo erg
akelig hebben gevonden. En och, oom, zou u niet denken, dat ’t beter
voor me zou zijn, als ik nu maar onder de tafel vandaan kwam, en liever
daar wat op het haardkleedje ging liggen?”
Die vraag werd op zóó overredenden toon gedaan, dat de heer Russell
zich tot zijn gastheer wendde, en zei:
„Iemand zou bepaald een hart van steen moeten hebben, om zóó’n nederig
verzoek te weigeren. U heeft er zeker niets tegen, dat ik den kleinen
smeekeling een meer gemakkelijke positie bezorg?”
En daar zijn gastheer toestemmend knikte, knielde de heer Russell op
den grond en haalde een pakje deken en jongen te voorschijn, waarmee
hij zich in een fauteuil neerzette, vóórdat hij ’t op het haardkleedje
neerlegde.
„Ben ik niet nog al zwaar, zoo ingepakt?” vroeg Jo, toen zijn nieuwe
vriend den deken terugtrok en hem ’t verwarde haar uit de oogen streek.
„’t Zou, geloof ik, maar beter zijn als u me neerlei. Ik weeg heel wat,
dat weet ik, ook zonder dat ding om me heen.”
„Ja,” zei de heer Russell, „nu je ’t zegt, merk ik ook dat je aardig
zwaar bent; en toch wil ik dat vrachtje wel eens even vasthouden om je
wat beter te bekijken, want je lijkt me een wonderlijke jongen. Wat was
je idée daarmee, zeg, om voor je eigen plezier een ondeugende streek
uit te halen, en dan weg te loopen en je zuster met half-bevroren
handen en voeten aan haar lot over te laten, terwijl je zelf heel
makkelijk in een wollen deken onder de tafel ging liggen? Was dat niet
een klein beetje leelijk van je?”
Met een driftige beweging trachtte Jo zich uit den deken en uit de
armen van den vreemdeling los te wringen, welke poging met een
tuimeling op den grond eindigde. Maar vóórdat hij kon opstaan en iets
had kunnen zeggen, boog Corrie zich voorover, en, met een zweem van
verontwaardiging in haar stem, zei ze:
„Werkelijk, u hoeft mijn partij niet te trekken, dank u. Jo mag
ondeugend zijn, maar iets leelijks zal hij nooit doen, dat heeft hij
nog nooit in zijn leven gedaan.”
Jo keek naar Corrie om, met den glimlach vol beteekenis, waarmee hij
die veelgeliefde zuster een heel enkele maal vereerde. En toen hij zich
daarna tot den vreemdeling wendde, stond op ’t schalksche
jongensgezicht een ongewoon ernstige uitdrukking te lezen.
„Leuk, hé, om zoo’n zuster te hebben?” zei hij. „Als u Cor maar kende,
dan zou u wel begrijpen dat ik tegen haar nooit iets leelijks zou
kunnen doen. Ik liep alleen maar weg omdat ze ’t tegen me zei, en omdat
ik dacht dat ik haar al meer dan genoeg last bezorgd had. En, ziet u, u
is zooveel grooter en handiger dan ik, en daarom zond ik u zoo gauw als
ik kon naar haar toe.”
„Waar Juffrouw Corrie je alles behalve dankbaar voor was, kleine
plaaggeest, dat kan ik je vertellen,” zei zijn oom lachend, terwijl hij
zijn nichtje aankeek, die bij de herinnering aan die eigenaardige
ontmoeting op nieuw een kleur kreeg. Algemeen werd de heer Holmer
beschouwd als een deftig, tamelijk afgemeten man, maar zoo nu en dan
had hij zijn plaagachtige buien, evengoed als zijn kleine neef en
naamgenoot.
„Je hebt op school dansen en buigen en al die soort van dingen geleerd,
hé, Corrie?” Verwonderd keek Juffrouw Holmer haar oom aan; maar vóórdat
ze gelegenheid had iets te antwoorden, ging deze voort:
„’t Zou bepaald een idée wezen, dat voor een dansonderwijzeres geld
waard zou zijn, als ze nu en dan haar leerlingen zich liet oefenen om
in druipnatte kleeren netjes te loopen. ’t Vereischt veel talent om dat
met eenige waardigheid te doen, heb ik gemerkt. Vind-je ’t ook niet,
Russell? Ik zag dat je er ook de noodige aandacht aan wijdde.”
De heer Russell wierp een vluchtigen blik op ’t blozende meisjesgelaat
tegenover hem, en toen zei hij, op een eerlijken, rondborstigen toon,
die Corrie aangenaam in de ooren klonk:
„Foei, foei, Menheer Holmer, u heeft ’t plagen nog niet verleerd, merk
ik. Weet u nog wel hoe wanhopig u me indertijd kon maken met uw
geplaag? Ik weet ’t nog heel goed. Ik keek Juffrouw Holmer na toen ze
heenging, dat ’s waar, maar ik deed ’t alleen omdat ik werkelijk bang
was dat ze vallen zou. En hoewel ik heel veel houd van mijn vak, vind
ik, als ik eens een dag vacantie heb, ’t zetten van gebroken beenen zoo
heel prettig niet.”
„Gebroken beenen! O, dan is u zeker een dokter?” riep Jo uit, terwijl
hij zijn nieuwen vriend met meer belangstelling dan te voren
aanstaarde. „En waarom vindt u ’t niet prettig om op een vacantiedag
gebroken beenen te zetten?”
„’t Is bepaald jammer voor Jo, dat hij u niet in uw waardigheid heeft
kunnen zien optreden,” viel Corrie lachend in, om aan ’t gesprek over
dat onderwerp een einde te maken. „Misschien hoopte hij wel zelf een of
ander drankje van u te krijgen, na ’t koude stortbad van van morgen.”
’t Deed den bezoeker veel genoegen te zien, dat de verlegen blos van
daareven verdwenen was, en dat de spreekster haar zelfbeheersching
geheel had teruggekregen.
„Ik geloof ’t bepaald ook, Juffrouw Holmer,” riep hij vroolijk uit.
„Nu, als ik hem daarmee plezier kan doen, dan wil ik hem wel eens een
heel leelijk drankje ingeven. Zou u me den inktkoker even willen
aanreiken?”
En in ’t volgende oogenblik lag Jo op zijn rug, over de knieën van den
jongen dokter, als voorbereiding tot een zóó luidruchtige stoeipartij,
als tot nog toe ooit in ’t huis van den heer Holmer had plaats gehad.
VIII.
EEN VERRASSING.
Bij Oom Holmer was ’t de gewoonte het brood in huis te bakken. De heer
des huizes had een vooroordeel tegen ander brood, en dat vooroordeel
was bepaald een van zijn stokpaardjes. Toen zijn nichtje als klein
meisje voor ’t eerst bij hem kwam logeeren, had hij zijn keukenmeid op
’t hart gedrukt haar vooral in te wijden in de geheimen van ’t
broodbakken, en bij elk volgend bezoek had ze daaraan meegedaan, om
haar kennis er van niet te vergeten.
„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?” vroeg de heer Holmer, op
een morgen aan ’t ontbijt, toen ’t logeeren van zijn nicht en neefje op
’t eind begon te loopen. Sinds het voorval met de gebroken kraan voelde
hij altijd een zekere mate van belangstelling in de plannen die voor
dien dag werden gemaakt, al wist hij ook bij ondervinding, dat op de
uitvoering van die plannen nooit zoo heel vast kon worden gerekend,
daar zijn jeugdige neef en naamgenoot nog al geneigd was een of andere
variatie in ’t programma te brengen. Maar toch gaf ’t hem een zekere
gerustheid als hij eenigszins op de hoogte werd gebracht, en dus had
hij, sinds de bewuste overstrooming van het achtererf, de gewoonte
aangenomen elken morgen te vragen, zooals hij nu deed:
„Wat gaan jullie tweeën van morgen uitvoeren?”
Corrie keek hem glimlachend aan.
„Ik ben van plan me van ochtend verdienstelijk te maken, Oom, want ik
ga brood bakken. En dan zal ik, als Marian er ten minste niets tegen
heeft, wat geslagen room voor u klaarmaken, of een blanc-manger.”
„Alsjeblieft geslagen room, hoor, Corrie,” zei de heer Holmer, met een
goedkeurenden blik. „Dat is een tractatie, die ik alleen krijg als jij
ze voor me klaar maakt. Maar als je van plan bent zoo in de keuken
bezig te zijn, wat moet er dan in den tusschentijd van dezen jeugdigen
uitvinder van kattekwaad worden?”
„Ik ga ook mee naar de keuken, om te kijken,” antwoordde vriend Jo
dadelijk.
„Zóó!” luidde ’t eenigzins twijfelachtige antwoord. „’t Zal me
benieuwen, baasje, hoe lang die bezigheid van toekijken je bevallen
zal.”
Jo hield zijn hoofd weer op zij, op papegaaien-manier, zooals altijd
als hij over iets nadacht.
„Wel, Oom, ik denk net zoolang totdat Corrie ’t brood in den oven heeft
gezet.”
„En de geslagen room heeft klaar gemaakt?”
„Neen, zóólang niet, want ik ben er niks benieuwd naar hoe geslagen
room gemaakt wordt. Mannen, die in woeste bosschen of in mijnen leven,
zullen wel nooit geslagen room eten, denk ik.”
„Neen, dat denk ik ook niet,” zei de heer Holmer droogjes. „Maar zou je
ons niet eens even een verklaring willen geven, jongeheer, van ’t geen
je vertelt? Wat heb jij daarmee te maken, met den smaak van mannen die
in woeste bosschen en in mijnen leven, zeg?”
„Wel, héél veel, Oom Johan,” luidde ’t bedaarde antwoord. „U herinnert
u dat boek wel, dat u me verleden week heeft gegeven? Nu, als ik groot
ben, dan wou ik worden net als de mannen in dat boek, dan wou ik in een
woest bosch gaan wonen, of goud-delver worden, of zoo iets. Ziet u,
dáárom wou ik leeren hoe je brood moet bakken; die mannen kenden ’t
niet, en toen werden ze ziek omdat ze allerlei ongaar goed aten. Als
Corrie ’t erg graag wil, mag ze later met me meegaan, en dan moet zij
natuurlijk alles koken en zoo. Maar ik ben wel een beetje bang dat papa
en mama ’t niet goed zullen vinden.”
„Dat ik het eten klaar maak voor de expeditie, bedoel-je?” vroeg
Corrie, die moeite had haar gezicht in een ernstige plooi te houden.
„Neen, Corrie, dat niet; als je meegaat, zullen ze ’t, denk ik, heel
goed vinden dat je ons wat helpt. Maar, natuurlijk, ’t zal wel een
beetje eenzaam voor hen zijn zonder mij, en dus—”
„En dus—en dus, baasje,” viel de heer Holmer lachend in, „zal ik je,
als je niet oppast, eens helpen aan die gelukkige eenzaamheid, door je
op te pakken en je in een waschtobbe te laten verhuizen naar die mijnen
daarginder, aan den overkant van den vijver.”
„Mij niet er bij, alsjeblieft, Oom,” zei Corrie vroolijk, terwijl ze
haar stoel achteruit schoof, „want als dat de manier van reizen is van
de expeditie, dan zou ik maar liever papa en mama in hun eenzaamheid
gezelschap blijven houden.”
„Och, als je twee of drie waschtobben aan elkaar bondt, en je hadt wat
zeilen en roeispanen, dan zou ’t haast net zoo goed zijn als een
schip,” zei haar broer, half tegen zichzelf, op nadenkenden toon,
terwijl ook hij zijn stoel achteruitschoof en zich gereed maakte met
zijn zuster naar de keuken te gaan.
Een kwartier later stond Juffrouw Corrie, met een groote huishoudschort
voor en morsmouwen aan, voor de keukentafel, waarop zich de
verschillende artikelen bevonden, die ze voor haar werk noodig had.
Alles stond daar bij de hand, met uitzondering van de witte suiker, die
voor de geslagen room was bestemd. Deze was in een grijs steenen pot
weggezet op de aanrechtbank, uit vrees voor vergissingen, omdat het
zout, dat voor ’t brood noodig was, zich in zoo’n zelfden grijs steenen
pot bevond, en ’t dus volstrekt niet onmogelijk was zich in die twee te
vergissen. Maar nu de suiker veilig was weggezet, kon daar geen sprake
meer van zijn.
Juist wilde Corrie aan ’t gewichtige broodmaken beginnen, toen de
stalknecht haastig binnenkwam, om haar de boodschap over te brengen dat
zijn heer al in ’t rijtuig zat, maar dat deze haar graag nog even iets
zou willen zeggen vóórdat hij naar de stad reed.
Snel wierp de jonge dame een half onrustigen blik op ’t gereed liggende
meel en op haar broertje, terwijl ze haastig vroeg: „Ga-je ook niet
even mee, Jo?” en toen snelde ze heen om aan ’t verzoek van haar oom te
voldoen. Aan háár uitnoodiging werd door Jo evenwel niet voldaan. Hij
gaf er op dat oogenblik verre de voorkeur aan te blijven waar hij was;
en hij vond dat dat wegroepen van zijn zuster al op een buitengewoon
geschikt oogenblik was gebeurd.
Waarom de menschen toch zout in ’t brood deden, als ze ’t in hun macht
hadden er suiker in te doen; dat was iets dat hij maar niet kon
begrijpen.
„’t Is niets anders, wed ik,” mompelde hij in zichzelf, op nadenkenden
toon, „als een van die dingen, die, zooals papa dikwijls zegt, alleen
uit gewoonte worden gedaan, en ik geloof dat meisjes en vrouwen dat
nooit goed kunnen begrijpen. Ik wed dat die goede Cor er niet van zou
willen hooren, suiker in haar brood te doen in plaats van zout, maar ik
vind ’t vreeselijk aardig dat ik dat nou net eens doen kan. En wat zal
Oom ’t een tractatie vinden!”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Fluks zette hij den suikerpot op de plaats waar
de zoutpot had gestaan, en van den inhoud van eerstgenoemden strooide
hij zoowat de helft over het meel, dat in de groote kom gereed lag,
waarna hij met een houten lepel, die er in stond, ’t geheel even
omroerde. En nadat die menschlievende arbeid ter wille van ’t genoegen
en plezier van de heele familie was afgeloopen, nam Jo een oud kookboek
terhand, met de bedoeling daaruit nog wat wetenswaardigs op te doen,
dat hem misschien later in zijn bosschen kon te pas komen. Hij had zich
juist, met ’t boek op zijn knieën, neergezet, toen Marian, de
keukenmeid, uit de achterkeuken kwam, om eens naar haar jeugdige gasten
te kijken, en tegelijk het zout even te leenen, dat ze voor ’t een of
ander, dat ze daar klaarmaakte, noodig had.
„Ben-je hier zoo alleen, beste jongen?” zei ze verwonderd. „Waar is je
zuster? Heeft ze ’t broodbakken voor de verandering eens aan jou
overgelaten?”
„Neen, ik wou dat ’t waar was,” luidde ’t besliste antwoord. „Ze is
alleen maar even weggegaan omdat Oom haar wou spreken. Ze zal wel
dadelijk terugkomen.”
„En weet-je soms ook of Juffrouw Corrie klaar was met ’t zout, vóórdat
ze heenging?” vroeg Marian verder, terwijl ze den pot met suiker opnam
van de plaats waar Corrie, even van te voren, in haar bijzijn het zout
had neergezet.
„Ik—ik—neen—ja—ik weet ’t niet,” stamelde Jo, terwijl hij zijn gezicht
weer haastig over zijn boek heenboog, met zooveel schijnbare
belangstelling, dat de goede Marian over zijn schouder keek om te zien
wat hij toch zoo ijverig zat te bestudeeren. Ze had niet verwacht dat
Jo’s verlangen om van ’t brood maken op de hoogte te komen, van heel
langen duur zou wezen, en toen ze zag dat hij aan de inleiding van ’t
kookboek bezig was, dat heel aardig en in den vorm van een verhaaltje
was geschreven, begreep ze de oorzaak van zijn afgetrokkenheid
volkomen. Ze had zelf menigmaal om die inleiding gelachen.
Er stond een glimlach op haar goedhartig gezicht te lezen, toen ze de
suiker meenam en daarmee een wildpastei, die voor ’t middagmaal was
bestemd, overvloedig besprenkelde. En die glimlach was nog aanwezig,
toen ze den pot terugbracht, op ’t zelfde oogenblik dat Corrie in de
keuken terugkeerde, en, half lachend half angstig, uitriep: